Leren lezen: de fases in het technisch leesonderwijs
Kinderen leren op de basisschool lezen. Het leren lezen is in verschillende fasen op te delen. In groep 1 en 2 krijgen de kleuters de eerste letters aangereikt. In groep 3 wordt dit uitgebreid en leren de kinderen hun eerste woordjes en eenvoudige zinnen te lezen. In groep 4 wordt dit uitgebreid en leren de kinderen ook begrijpend te lezen. De meeste kinderen leren dan ook lezen tussen hun 5e en 8e jaar.
Het technisch lezen is de basis van het lezen. Pas wanneer de leerling technisch goed kan lezen, kan hij begrijpend lezen, kan hij begrijpen waar de tekst over gaat. Om goed te leren lezen moeten verschillende fases doorlopen worden.
Letterkennis opdoen
Allereerst leren de kinderen alle letters van het alfabet. Deze letters worden een voor een bij de kinderen geïntroduceerd. Ook de andere klanken, zoals ‘ui’, ‘oe’, en ‘ie’, worden geleerd. Alle letters en klanken bij elkaar heten de 34 grafemen. In de eerste 18 weken van groep 3 leren de leerlingen alle letters. De kinderen leren eerst welke klank er bij de letter hoort, de letter moet correct worden verklankt. Daarna leren de kinderen dat zij de letter ook vlot moeten leren verklanken. Dit is nodig om op een juiste manier naar de volgende fase te kunnen gaan.
Eerste woordjes lezen
De leerlingen leren in deze fase te ‘hakken’ en ‘plakken’. De leerlingen krijgen een woord te zien. Dit woord wordt door de leerling opgedeeld in stukjes, in de grafemen van het woord. De leerling herkent de grafemen en verklankt deze grafemen naar een woord. Daarna wordt het woord herkend en krijgt het woord een betekenis.
Bijvoorbeeld het woord ‘maan’.
- De leerling deelt dit woord op in de grafemen m-aa-n.
- De verschillende grafemen worden uitgesproken: /m/ /aa/ /n/
- De leerling plakt de klanken aan elkaar: /maan/
- Het woord /maan/ wordt herkend als het hemellichaam wat ’s nachts aan de hemel staat.
Deze eerste woordjes bestaan uit woorden die slechts een lettergreep hebben en die klankzuiver zijn. Dit betekent dat de woorden grafemen hebben die in het woord hetzelfde klinken als wanneer ze apart worden uitgesproken. Voorbeelden van klankzuivere woorden zijn maan, roos, vis, aap, noot.
Directe woordherkenning
In deze fase moeten de (eenvoudige) woorden herkend gaan worden. De kinderen gaan van spellend lezen naar directe woordherkenning. Kinderen moeten het woordbeeld herkennen en dit woord dan vlot kunnen oplezen. Niet altijd gaat de overgang naar deze fase probleemloos. Kinderen kunnen blijven hangen in de vorige fase en kunnen dan
spellende lezers worden. Het is mogelijk om kinderen te helpen met het automatiseren van woorden, bijvoorbeeld met de
Bloon methode.
Complexere woorden
De leerling leert in deze fase wat complexere woorden te lezen. Dit zijn woorden waarbij er gebruik wordt gemaakt van medeklinkerletterclusters. Medeklinkerletterclusters zijn combinaties van medeklinkers in een woord. Er zijn woorden met medeklinkerletterclusters vooraan in het woord, ‘stal’, achteraan in het woord, ‘bank’, of voor- en achteraan, ‘schelp’. Ook andere letterclusters worden geïntroduceerd: ‘ieu’ in bijvoorbeeld ‘nieuw‘ of de letterclusters ‘eeuw’ en ‘ooi’.
Deze woorden zijn niet goed te ‘hakken’ en ‘plakken’, omdat de uitspraak anders is dan de aparte letters. Het is daarom van belang dat de leerling al in de fase de directe woordherkenning zit, omdat hij er met ‘hakken’ en ‘plakken’ niet komt. Het lezen moet al geautomatiseerd zijn.
Meerlettergrepige woorden
In deze fase worden de twee- en meerlettergrepige woorden geïntroduceerd. De kinderen beginnen met redelijk eenvoudige woorden, die opgedeeld kunnen worden in twee eenvoudige woorden. Denk bijvoorbeeld aan woorden zoals bloempot.
Ook moeilijkere woorden waarbij de letter ‘verlengd’ wordt zonder dat je het ziet, zoals bo-men en le-zen, komen aan bod. De volgende stap in deze fase is het lezen van woorden die niet volledig intuïtief zijn, woorden waarvan je de uitspraak moet ‘weten’. Denk dan bijvoorbeeld aan woorden met ‘eer’ erin. Deze lettergreep wordt uitgesproken als ‘ir’: beer, weer, keer. Een ander voorbeeld van een woord waarvan je moet weten hoe je het uitspreekt is ‘gelukkig’. Dit woord spreek je anders uit (‘gulukkug’) dan je schrijft.
Bijzondere leestekens
Ook woorden met bijzondere leestekens komen aan bod. Dit zijn woorden zoals reünie, tweeën, en ruïne. Voor kinderen die net de letters hebben leren lezen kan dit nog wel eens verwarrend zijn. Het is dan ook van belang dat de voorgaande fasen goed zijn doorlopen voordat met deze complexe woorden begonnen gaat worden.
Leenwoorden
In de laatste fase leert de leerling ook leenwoorden lezen. Leenwoorden zijn woorden die het Nederlands vanuit een andere taal heeft overgenomen. Deze woorden hebben buitenlandse klanken, waardoor zij niet intuïtief leesbaar zijn. Denk bijvoorbeeld aan woorden als ‘computer’, ‘trottoir’ of ‘ambulance’.
Lees verder