[Frans] Frans, ken de spelregels voor “avoir“ en “être”
Het leek me goed om een aantal spelregels voor het gebruik van de veel gebruikte werkwoorden avoir en être aan het web toe te vertrouwen zodat u kunt oefenen. Immers de Franse taal is voor de meesten van ons vaak al lastig genoeg, maar o zo de moeite waard om u verder in te verdiepen. En deze werkwoorden komen vaak in de Franse zinnen voor, vandaar.Spelregels
In dit artikel geef ik vijf spelregels voor het gebruik van “avoir“ en “être” , ofwel hebben en zijn. Lekker gemakkelijk voor wie op vakantie naar Frankrijk wil. Lekker gemakkelijk ook bij uw eerste gesprekje in het Frans.Spelregel 1
Regel 1 houdt in dat de meeste Franse werkwoorden met “avoir“ worden vervoegd, soms zelfs ook wanneer we in het Nederlands het werkwoord “zijn” zouden gebruiken (zie ook Spelregel 3 en 5).Voorbeelden voor avoir:
- Ik heb gedanst = j’ai dansé;
- Hij is gevlucht = il a fui
Dus niet: ”il est fui”.
Spelregel 2
Spelregel 2 is eenvoudig. Met “être” worden vervoegd alle wederkerende werkwoorden. Ook al gebruik je dan in het Nederlands het werkwoord “hebben”, in het Frans volgt een vervoeging van “zijn” (“être”).Voorbeelden:
- Ik heb me gewassen = je me suis lavé(e),
- Ik heb me geslagen = je me suis frappé(e),
- Ik heb me vergist = je me suis trompé(e)
Spelregel 3
Een vast rijtje werkwoorden worden met “être” vervoegd. Ik doel op de werkwoorden:aller, revenir, venir, arriver, partir, entrer, sortir, retourner, rentrer, monter, descendre, tomber, rester, naître, mourir, décédé, accourir.
Spelregel 4
Meestal gaat de regel op dat als we in het Nederlands “ hebben” gebruiken, dat in het Frans ook “avoir “ is, en bij het gebruik van “zijn “, in het Frans “être “ wordt gebruikt.Spelregel 5
Deze regel houdt (helaas) in dat er ook tal van uitzonderingen zijn op de spelregel dat “zijn” in het Nederlands meestal ook met “être “ wordt vertaald. Eigenlijk valt u dan weer terug op spelregel 1 dat de meeste Franse woorden met “avoir “ worden vervoegd.Vervoeging van avoir
Het werkwoord avoir wordt als volgt vervoegd:| présent | imparfait | futur simple |
|---|---|---|
| j'ai | j'avais | j'aurai |
| tu as | tu avais | tu auras |
| il/elle a | il/elle avait | il/elle aura |
| nous avons | nous avions | nous aurons |
| vous avez | vous aviez | vous aurez |
| ils/elles ont | ils/elles avaient | ils/elles auront |
Vervoeging van être
Het werkwoord être wordt als volgt vervoegd:| présent | imparfait | futur simple |
|---|---|---|
| je suis | j' étais | je serai |
| tu es | tu étais | tu seras |
| il/elle est | il/elle était | il/elle sera |
| nous sommes | nous étions | nous serons |
| vous êtes | vous étiez | vous serez |
| ils/elles sont | ils/elles étaient | ils/elles seront |
Enkele voorbeelden en oefeningen
Kijk eens naar de volgende zinnen links en probeer het rechterdeel zelf te vertalen:- De trein is ontspoord = Le train a déraillé,
- De ketel is gesprongen = La chaudière a éclaté,
- De vijand is gevlucht = L’ennemi a fui,
- De generaal is gesneuveld = Le général a péri,
- Het eerste deel is verschenen = Le premier volume a paru,
- Mijn broer is geslaagd = Mon frère a réussi,
- Mijn zus is gezakt = Ma sœur a échoué,
- Hij is zijn vader opgevolgd = Il a succédé à son père,
- De fles is uit zijn handen geglipt = La bouteille lui a glissé des mains,
- Onze auto is omgeslagen = Notre voiture a culbuté,
- Hij is begonnen = Il a commencé,
- Wanneer is hij verdwenen? = Quand a-t-il disparu?
Wat wij in het Nederlands met zijn vervoegen, gebeurt in het Frans dus niet altijd.