Verkleinwoorden in het Nederlands
De Nederlanders staan erom bekend dat ze vaak verkleinwoorden gebruiken. Voor buitenlanders is dit vaak grappig. Alles is klein in Nederland! Hoewel verkleinwoorden vrijwel altijd eindigen met –je, verschilt de spelling van de toevoeging per woord. Vaak worden er nog letters toegevoegd. In dit artikel worden de regels voor het gebruik en de spelling van verkleinwoorden uitgelegd.Verkleinwoorden (diminutieven) in het Nederlands
Verkleinwoorden worden in het Nederlands bijna alleen gebruikt voor substantieven (zelfstandige naamwoorden), en krijgen altijd ‘het’ als artikel (lidwoord). Er zijn echter een paar niet-substantieven die verkleinwoorden hebben. Deze staan onderaan dit artikel beschreven.Veel woorden krijgen –je als uitgang. Maar vaak wordt er één of meer letters toegevoegd aan de uitgang
De woorden die niet onder één van de hier beschreven categorieën vallen krijgen –je als uitgang- Het hok- het hokje
- Het huis - het huisje
- De staaf - het staafje
- De boot - het bootje
- Het apparaat - het apparaatje
Woorden die –tje krijgen als uitgang
Woorden die eindigen op -e, -ou, -ie, -ei, -eu en -ee- De dame – het dametje
- De kou – het koutje
- De kolibrie – het kolibrietje
- De wei – het weitje
- De reu – het reutje
- De slee – het sleetje
Woorden die eindigen op -a, -o, -u en -é
Bij deze woorden verdubbelt de klinker!
- De opa – het opaatje
- De auto – het autootje
- Het menu – het menuutje
- Het café – het cafeetje
Woorden die eindigen op -i
Bij deze woorden verandert de -i in -ie
- De ski – het skietje
Woorden die eindigen op -y
Bij deze woorden komt er een apostrof ( ‘ ) tussen het substantief en de uitgang -tje
- De baby – het baby’tje
Woorden die eindigen op een -l, -n of -r, met daarvóór een dubbele klinker
- De schaal – het schaaltje
- De pompoen – het pompoentje
- De schuur – het schuurtje
Woorden op -el, -er, -en en -or waarvan de nadruk niet ligt op de laatste lettergreep
Nadruk (klemtoon) = het deel van een woord waar de nadruk op ligt, wordt duidelijker uitgesproken, meestal wat hoger van toon.
- De koker – het kokertje
- De spatel – het spateltje
- De molen – het molentje
- De transformator – het transformatortje
Woorden die eindigen op een -w
- De leeuw – het leeuwtje
- De duw – het duwtje
Woorden die -etje krijgen als uitgang
Woorden die eindigen op de letters -l, -m, -n, -ng, en -r, met daarvóór een enkele klinker, met de nadruk op de laatste lettergreep. Dit geldt ook voor woorden met maar één lettergreep- De pil – het pilletje
- De bom – het bommetje
- Het ding – het dingetje
- Het kanon – het kanonnetje
- De voorsprong – het voorsprongetje
- De ster – het sterretje
De volgende woorden krijgen ook -etje als uitgang
- De krab – het krabbetje
- De slab – het slabbetje
- De brug – het bruggetje
- De vlag – het vlaggetje
- De weg – het weggetje
- De kip – het kippetje
- De pop – het poppetje
Woorden die -pje krijgen als uitgang
Woorden die eindigen op een -m, met daarvóór een dubbele klinker- De riem – het riempje
- De bloem – het bloempje
- De stroom – het stroompje
Woorden die eindigen op -lm of -rm
- De vorm – het vormpje
- De helm – het helmpje
Woorden die eindigen op -em en -um, waarvan de nadruk niet ligt op de laatste lettergreep
- De modem – het modempje
- Het museum – het museumpje
Woorden die –kje krijgen als uitgang.
Veel woorden die eindigen op -ing, waarvan de nadruk niet ligt op de laatste lettergreep
De -g aan het eind valt weg in deze gevallen!
- De leuning – het leuninkje
- De paling – het palinkje
Hierop zijn enkele uitzonderingen
- De leerling - het leerlingetje
- De wandeling – het wandelingetje
- De rekening – her rekeningetje
Uitzonderingen op de spellingsregels voor verkleinwoorden
Bij sommige woorden verdubbelt de klinker van de laatste lettergreep- Het blad – het blaadje
- Het gat – het gaatje
- Het glas – het glaasje
- Het pad – het paadje
- De staf – het staafje
- het vat – het vaatje
Niet-substantieven als verkleinwoord
Deze woorden hebben als uitgang -jes, verder volgen ze de hiervoor beschreven spellingsregels voor verkleinwoorden- Even – eventjes
- Straks – strakjes
- Twee – met z’n tweetjes
- Los – losjes
- Warm – warmpjes
- Net – netjes