InfoNu.nl > Educatie en School > Taal > Voornaamwoorden

Voornaamwoorden

Voornaamwoorden Bij deze woordsoortengroep onderscheiden we de volgende vormen: persoonlijke, bezittelijke, aanwijzende, vragende, onbepaalde en betrekkelijke voornaamwoorden. In dit artikel worden ze in deze volgorde besproken.

Persoonlijke voornaamwoorden

Persoonlijke voornaamwoorden worden gebruikt om een persoon aan te duiden. Ze kunnen nooit een lidwoord of een bepaling voor zich krijgen en worden uitsluitend zelfstandig gebruikt.
Ze worden in drie groepen gesorteerd, de zogenaamde grammatische personen en daarin onderscheiden in enkelvoud en meervoud:

enkelvoud
eerste persoon: ik
tweede persoon: jij, u, gij
derde persoon: hij, zij(vr), het

meervoud
eerste persoon: wij
tweede persoon: jullie, u, gij (verouderd: jelui, gijlieden)
derde persoon: zij

Als voorwerp of na een voorzetsel gebruiken we:
enkelvoud
eerste persoon: mij
tweede persoon: jou
derde persoon: hem. haar

meervoud
eerste persoon: ons
tweede persoonL jullie, u
derde persoon: hen, hun

We kennen bij de persoonlijke voornaamwoorden ook de zogenaamde "zwakke" vormen. Over het algemeen worden die alleen in de gesproken taal gebezigd . Ze worden alleen geschreven als de schrijver wil laten zien hoe iets klinkt.
enkelvoud
eerste persoon: 'k, me
tweede persoon: je, ge
derde persoon: ie, ze, 't, 'm, 'r, d'r
meervoud
eerste persoon: we
tweede persoon: je, ge
derde persoon: ze

Het gebruik van het persoonlijke voornaamwoord spreekt voor zichzelf, zodat we er in dit bestek niet nader op in zullen gaan.

Bezittelijk voornaamwoord

Het woord bezittelijk zegt al genoeg; we gebruiken deze voornaamwoorden om aan te geven van wie iets is, wiens beit iets is. Toch is dat niet helemaal waar. Ook duidt het op een bijzondere relatie die er bestaat tussen de sprekende persoon en het object dat hij bedoelt. Een voorbeeld van het eerste geval is niet moeilijk: "Dat is mijn fiets". Iedereen begrijpt dat de bedoelde fiets het eigendom is van de spreker. Het tweede geval heeft niets met persoonlijk eigendom te maken; het duidt slechts op een bepaalde relatie met het genoemde: "Dat is mijn trien'. De spreker wil hier alleen mee aangeven dat die speciale trein de trein is waar hij mee moet reizen. In dit geval spreken we over een bijvoeglijk bezittelijk voornaamwoord. De werkelijk bezit uitdrukkende bezittelijke voornaamwoorden noemen we ook wel zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden.

We kennen de volgende bezittelijke voornaamwoorden:
enkelvoud
eerste persoon: mijn
tweede persoon: jouw, uw
derde persoon: zijn, haar

meervoud
eerste persoon: ons, onze
tweede persoon: jullie, uw
derde persoon: hun (haar)

bijna alle bezittelijke voornaamwoorden hebben ook een "zwakke" vorm:
enkelvoud
eerste persoon: m'n
tweede persoon: je
derde persoon: z'n, 'r, d'r
meervoud
eerste persoon: -
tweede persoon: je
derde persoon: 'r, d'r

Bekend is de uitgangs-s achter een naam als een bezit wordt aangeduid. Inplaats van :"dit is Jan z'n boek" , schrijven we: dit is Jans boek". (Pas op! De -s staat vast aan de naam. We schrijven alleen 's als de naam op een beklemtoonde klinker eindigt: "dit is Theo's boek". Namen die op een s-klank eindigen, krijgen geen uitgangs -s: "dit is Alex' boek. In plaats van de -s staat er een apostrof)
Opvallend is dat de uitgangs -s, die een puur mannelijke vorm is (z'n), ook bij meisjes(vrouwen)namen voorkomt.
We zeggen bijvoorbeeld: "dit is Hanny d'r boek". Maar ook: "dit is Hanny's boek!" Hoe tegenstrijdig kan het zijn!

Aanwijzende voornaamwoorden

In onze taal kennen we de volgende aanwijzende voornaamwoorden:
dit, dat, deze, die, zulke, zo'n, zodanige, dergelijke, dezelfde, diezelfde, hetzelfde, datzelfde, gene, gindse

Deze, die, kunnen praktisch voor elk mannelijk en vrouwelijk zelfstandig naamwoord voorkomen.
Voorbeeld:
  • deze man
  • die man
  • deze vrouw
  • die vrouw, enz.

Ieder met enig taalgevoel kan constateren dat deze kind, of die kind niet kan. Bij onzijdige zelfstandige naamwoorden ("het"-woorden) horen de aanwijzende voornaamwoorden "dit" en "dat".
Voorbeeld:
  • dit kind
  • dat land
  • dit hekje, enz.

Deze en die kunnen wel bij onzijdige zelfstandige naamwoorden gebruikt worden als ze in het meervoud staan:
Voorbeeld:
  • deze kinderen
  • die hekjes
  • die landen
  • deze dwalingen, enz.

"Gene" wordt gebruikt (verouderd) in het volgende: "Aan deze of gene zijde." De betekenis is dan: aan deze of aan de andere kant.
Zo ook in: "Deze of gene", wat betekent: de één of de andere.

De afgeleide oude naamvalsvormen komen slechts nog in vaste uitdrukkingen voor of in verouderde schrijftaal:
Voorbeelden:
  • schrijver dezes
  • diens woning
  • en wat dies meer zij
  • te dezer plaatse
  • in dier voege
  • met dien verstande
  • uit dien hoofde

Er zijn ook aanwijzende voornaamwoorden die speciaal op de hoedanigheid van iets wijzen: zulk(e), zo'n, zodanig(e), dergelijk(e)

Voor de onderscheiding dienen: dezelfde, diezelfde, hetzelfde, datzelfde. Vaak gaan ze vergezeld van een nauwkeuriger bepaling.

Vragende voornaamwoorden

Er zijn slechts drie vragende voornaamwoorden: wie, wat, welk(e)
Wie vraagt alleen naar personen; wat, welk(e) vraagt naar al het andere, waarbij "welk(e)" eveneens betrekking kan hebben op personen
Voorbeeld:
  • Wie heeft dat gedaan?
  • Wie zijn er aan de beurt?
  • Wat heb je gedaan?
  • Wat heb je meegenomen?
  • Welke kinderen moeten schoolblijven?
  • Welk tafeltje is omgevallen?
  • Welk mens is daartioe in staat?

Voor vragen naar de hoedanigheid ergens van, worden vaak de volgende constructies gebruikt: wat voor; wat voor een.
Wat wordt meestal niet vragend maar uitroepend gebruikt: Wat is dat mooi! Wat een rare jongen! Wat een schiterende tuin!
Vaak komen we nog de oude naamvalsvorm tegen: wiens, in de betekenis "wie z'n".(van wie): Wiens boek is dit?

Onbepaalde voornaamwoorden

Deze groep wordt niet door alle neerlandici als voornaamwoorden erkend. Zo laat bijvoorbeeld de Nieuwe Nederlandse spraakkunst deze groep bij de naamwoorden onbesproken.
Graag wil ik ze toch noemen, zij het kort.
Tot deze groep kunnen wij rekenen: men, iemand, niemand, iets, niets, alles, het
Voorbeeld
  • men zegt het
  • iemand moet dat gedaan hebben
  • er was dat uurniemand te zien
  • er zal toch weliets van waar zijn
  • niets van dat alles
  • het regent

Betrekkelijke voornaamwoorden

Betrekkelijke voornaamwoorden slaan terug op personen of zaken die eerder in de zin genoemd staan, het zogenaamde antecedent. Dat antecedent kan bestaan uit één woord of uit een woordengroep.
Voorbeeld:
  • Het IJsselmeer, dat druk bevaren wordt, is bijna dichtgevroren.
  • De hoge flat, die twintig jaar geleden gebouwd is, wordt afgebroken.
  • Hij liep blootvoets door de glasscherven, wat heel dom was.

Waarschuwing!
We horen in de spreektaal (en dat niet alleen!) steeds meer een foutief gebruik van het betrekkelijke voornaamwoord wat:
Het meisje wat daar loopt
Het boek wat op tafel lag.
De verkeerde gedachtegang die hier gevolgd is: men denkt dat als het antecedent onzijdig is het betrekkelijke voornaamwoord wat gebruikt moet worden!
Dat dit niet het geval is, moge blijken uit de hierna volgende bespreking.

Hier een rijtje betrekkelijke voornaamwoorden: die, dat, wat, wie, hetgeen Verouderde vormen zijn: voor mannelijke personen: wiens; voor vrouwelijke personen of personen in het meervoud: wier.

Het betrekkelijk voornaamwoord wat gebruiken we in twee gevallen:
  1. Als er een onbepaald (vaag) antecedent is: Alles wat hij had, is hij kwijt.
  2. Als het antecedent een woordgroep (zin) is: Hij is in één keer geslaagd, wat niemand verwacht had.

"Die" en "dat" worden beide voor personen én zaken gebruikt:
  • Het meisje, dat daar loopt
  • De jongen, die moest schoolblijven
  • Het boek, dat op tafel ligt
  • De fiets, die gisteren gestolen is

"Wie" wordt uitsluitend voor personen gebruikt. Het moet dan wel voorafgegaan worden door een voorzetsel:
Het meisje, aan wie ik het cadeautje gaf.....
De vluchtelingen, van wie bekend was dat ze....
Het betrekkelijk voornaamwoord "wat" wordt in alle andere gevallen gebruikt.
Inplaats van "wat" schrijft men ook wel "hetgeen".
"Welk(e)" en/of "hetwelk" wordt gebruikt in ambtelijke taal.
© 2011 - 2019 Bvell, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Verschillende voornaamwoorden EngelsWe kennen in het Engels vier aanwijzende voornaamwoorden. Aanwijzende voornaamwoorden zijn woorden die iets aanwijzen of…
Nederlands - verschillende soorten Voornaamwoorden (tabel)Nederlands - verschillende soorten Voornaamwoorden (tabel)In het Nederlands gebruiken wij voornaamwoorden om te verwijzen. Stel we hebben het over 'het meisje', dan kunnen we dit…
Spaans: Persoonlijke voornaamwoorden en werkwoordenSpaans: Persoonlijke voornaamwoorden en werkwoordenSpanje, voor veel mensen een geliefd land. In dit artikel vindt u de regelmatige werkwoorden vervoegd met daarbij de per…
Grammatica, taalkundig benoemenWoorden in de Nederlandse taal kunnen worden benoemd aan de hand van hun functie in verschillende woordsoorten. Dit heet…
Franse grammatica: het bezittelijk voornaamwoordVaak hoor je mensen zeggen: "Ik vind Frans een schitterende taal, maar ik heb het nooit begrepen". Hierdoor hebben veel…
Bronnen en referenties
  • Taal. Backers en Van de Coolwijk, Groningen. z.j.
  • Nieuwe Nederlandse spraakkunst. dr. B.H. Erné en dr. Jc. Smit, Groningen 1966

Reageer op het artikel "Voornaamwoorden"

Plaats een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Reactie

Fienekej (infoteur), 10-05-2013 18:11 #1
Helaas staan er flink wat fouten, of op z'n minst dubieuze uitspraken, in dit artikel. Wat te denken van:

"We schrijven alleen 's als de naam op een beklemtoonde klinker eindigt: "dit is Theo's boek"." Dit is onjuist. Als de uitspraak van een naam verandert door een aaneengeschreven s (zoals het geval zou zijn bij 'Theos'), dan pas mag er een apostrof staan. Verder is het voorbeeld hier zeer ongelukkig gekozen: 'Theo' eindigt namelijk niet op een beklemtoonde klinker. Klinkklare onzin dus.

Ook heb ik zo mijn twijfels bij (volgens de schrijver gangbare?) zwakke vormen van de bezittelijke voornaamwoorden in het meervoud: eerste persoon: - / tweede persoon: je / derde persoon: 'r, d'r. Ik heb echter nog nooit iemand 'je huis' horen zeggen in de betekenis van 'jullie huis', laat staan 'd'r/'r huis' in de betekenis van 'hun huis'. Misschien dat dit een bepaalde streektaal (Vlaams?) betreft, maar mijns inziens moet dat er dan duidelijk bij vermeld worden.

"Opvallend is dat de uitgangs -s, die een puur mannelijke vorm is (z'n), ook bij meisjes(vrouwen)namen voorkomt." Bij mijn weten is de bezits-s helemaal geen mannelijke vorm, maar gewoon een algemene uitgang, voor zowel man als vrouw. Niks tegenstrijdigs aan dus.

"Wie vraagt alleen naar personen; wat, welk(e) vraagt naar al het andere, waarbij "welk(e)" eveneens betrekking kan hebben op personen." Dit lijkt me een vreemd onderscheid om te maken, daar 'welke' net als 'wie' ook naar personen kan verwijzen. Overigens kunnen alle drie zelfstandig, maar ook niet-zelfstandig gebruikt worden: 'wiens boek is dit?' 'wat voor een auto heb jij?' en 'welk wil jij?' getuigen daarvan. Vreemd om die laatste ('welk') weg te laten en die andere twee achteraf pas te noemen, als 't ware niet ter zake doende.

Ik hoop dat de auteur de moeite neemt zijn artikel aan te passen.

Infoteur: Bvell
Laatste update: 31-01-2012
Rubriek: Educatie en School
Subrubriek: Taal
Bronnen en referenties: 2
Reacties: 1
Schrijf mee!