InfoNu.nl > Educatie en School > Samenvattingen > Arthur Japin: de zwarte met het witte hart

Arthur Japin: de zwarte met het witte hart

Arthur Japin: de zwarte met het witte hart In de historische roman van Arthur Japin ‘de zwarte met het witte hart’ worden de roerige levens van de twee Ashanti-prinsjes Kwasi Boachi en Kwame Poku omschreven. Beiden groeien op in Kumasi en maken daar deel uit van het hof, de één; Kwasi Boachi is de zoon van Kwaku Dua, de ander; Kwame Poku is de zoon van Kwaku’s zus en daarmee troonopvolger. (De erfopvolging in het Ashanti-Rijk gingen namelijk via de vrouwelijke bloedlijn.)
  • Auteur: Arthur Japin
  • Titel: de zwarte met het witte hart
  • ISBN: 978-90-295-7366-5
  • Druk: 53e druk

Samenvatting de zwarte met het witte hart

Op een dag echter besluit Kwaku Dua, dat beide prinsjes meegegeven zullen worden aan de Hollanders, die zich op dat moment in Kumasi voor een handelsmissie bevinden. Of dit werkelijk ging om het vergaren van kennis en het genot van goed onderwijs voor de twee prinsen, waarmee met name Kwame geacht werd later grote diensten te kunnen bewijzen aan zijn volk, of dat de ‘adoptie’ door de Nederlandse staat vooral deel uitmaakte van de handelsovereenkomst (er werden door de koning namelijk zo’n 1000 Afrikaanse rekruten/slaven per jaar aan Nederland beloofd in ruil voor wapens) is nooit echt duidelijk geweest.
De invloed die de gebeurtenis op de levens van beide jongens heeft gehad is haast onvoorstelbaar, toch laat het boek, geschreven vanuit Kwasi’s perspectief, op pijnlijke wijze zien hoezeer de vervreemding beide levens uiteindelijk kapot heeft gemaakt.

Al vanaf het begin merk je hoezeer de jongens eigenlijk voortdurend in strijd zijn, met zichzelf én met anderen. Aanvankelijk lijken enkele nieuwe indrukken nog onschuldig, zoals wanneer door een van de Hollanders aan Kwasi het wonder van vermenigvuldiging wordt uitgelegd aan de hand van zaden, of wanneer beide jongetjes voor het eerst in hun leven de zee zien en onder de indruk van de golven zijn. Maar al snel wordt het onbegrip voor dingen die om hen heen gebeuren en het ‘alleen elkaar hebben’ duidelijk.
Als ze bij het fort Elmina zijn aangekomen verstaan ze zowel Fanti (een taal die aan de kust gesproken wordt) als Nederlands niet. Ze worden door mensen uit het dorp nagekeken en door een Afrikaanse gevangene in het fort uitgescholden wanneer ze proberen hem voedsel te geven. Vanaf dat moment wordt langzaam duidelijk dat ze noch wit noch zwart zijn en ook nooit meer slechts één van beide weer écht kunnen worden.

Aangekomen op een kostschool in Nederland maken beide jongens in de les uitzonderlijk snel vorderingen, ze zijn erg intelligent, maar sociaal gaat alles heel moeizaam. Prachtig omschrijft Japin het gevoel hoe het is buiten de groep te staan en, omdat het geschreven is vanuit Kwasi, het verlangen er toe te behoren.
Ergens midden in het boek worden door Kwasi de twee opties omschreven die een vreemdeling heeft wanneer hij in een onbekende omgeving is; profileren en egaliseren. Heel mooi is hoe hij aangeeft dat Kwame profileert en hijzelf egaliseert. Profileren wordt omschreven als het doorgronden van wezenlijke verschillen tussen jezelf en je omgeving en vervolgens het hechten aan de excentriciteit van je eigen persoon. Egaliseren komt neer op het goede in je omgeving opmerken en dat imiteren. ‘Accentueer de overeenkomsten en verberg de verschillen’. Er wordt ook gezegd hoe het één vechten is tegen anderen, en het ander vechten tegen jezelf, bepaald niet makkelijker, maar wel minder opvallend.
Beide jongens gaan nadat ze hun opleiding aan de kostschool van van Moock hebben afgerond, en merken dat hij hen niet veel meer kan leren, studeren. Kwame een jaar later dan Kwasi, naar mijn idee omdat zijn persoonlijke strijd zijn motivatie deels heeft ondermijnd. Kwasi wordt, in zijn poging te ‘egaliseren’, lid van een studentencorps, Kwame niet. Na gestudeerd te hebben keert Kwame terug naar Goudkust, Kwasi niet.

In het derde deel van het boek zijn brieven te lezen die Kwame aan Kwasi stuurt en duidelijk wordt dat zijn ontheemding het hem onmogelijk maakt terug te keren naar Kumasi en de Asantehene (kwaku Dua, de koning) Kwame’s broer als troonopvolger aanstelt. Jaren verslijt Kwame in Elmina in dienst van het Nederlandse leger, hij piekert steeds meer, weigert terug te keren naar Nederland, raakt steeds meer buiten zinnen en pleegt uiteindelijk zelfmoord. Kwasi zit op dat moment in Weimar, waar hij in hoffelijke kringen verkeerd.(Beide neefjes waren na hun aankomst in Delft al redelijk snel bevriend geraakt met de koninklijke familie, en tot in het eind van het boek blijven die relaties een rol spelen.)

Kwasi reist naar Nederlands-Indië en omdat de herinneringen aan Kwame hem in Nederland te veel werden heeft hij besloten daar een carrière op te bouwen. Hij merkt echter dat hij in vrijwel alles wordt tegengewerkt, wanneer hij voor de bepleiting van zijn zaak in Nederland verhaal gaat halen en daarbij afreist naar koningin Sophie komt hij erachter dat Raden Saleh, die portretten van hem en Kwame heeft geschilderd toen zij nog klein waren, na één verkeerde opmerking, als spion verslag heeft gedaan bij de Nederlandse staat en heeft gezegd dat Kwasi niet trouw zou zijn.Kwasi komt aan het eind van het boek nog Van Drunen tegen, de generaal die hem en zijn neef uit Goudkust naar Nederland heeft gehaald. Van Drunen vertelt hem over een schokkend bericht dat hij jaren geleden gelezen had over de reden dat Kwasi in eerste instantie geen land aangewezen kreeg en zijn carrière werd gedwarsboomd; het zwarte ras was inferieur aan het witte en daarom zou Kwasi niet in staat zijn een hoge positie te bekleden. De twee nemen afscheid en Kwasi viert zijn 50-jarige jubileum. In het nawoord wordt kort omschreven dat na het faillissement van zijn plantage zijn dagen tot 1904 heeft gesleten in een ziekenhuis, waar hij uiteindelijk is overleden.

De belangrijkste karaktereigenschappen van het hoofdpersonage

Kwasi Boachi komt vanaf het begin van het boek al over als een intelligente jongen. Aangekomen in Nederland merk je dat hij zeer gedreven en gemotiveerd is. Hij wil graag excelleren in zijn schoolprestaties.

“We leerden snel. Met een hap en een snap, maar voorbeeldig. Tot verrukking van Van Moock haalden we anderen in enkele maanden in. Over onze vorderingen gaf hij hoog op tegen zijn vrienden van de Weslyan Society.” (blz.105)

Veel vrienden heeft Kwasi aanvankelijk niet, de vriendschap die hij met zijn neef heeft is echter zeer intens, ze doen vrijwel alles samen en begrijpen als geen ander elkaars leed. Zelfs voordat ze naar Nederland gestuurd werden werd hen vaak verweten erg veel met elkaar op te trekken. Ze lijken erg trouwe vrienden te zijn.

“Wij gingen graag naar het heiligdom van Twi, niet uit vroomheid, maar omdat het ons een van de weinige mogelijkheden bood te ontsnappen aan onze leeftijdsgenootjes, die ons plaagden om onze zwijgzaamheid en stille vriendschap.” (blz. 36)

Toch doet Kwasi op de kostschool veel pogingen zich in de groep te mengen en via de enige in zijn klas die voor hem opkomt, Cornelius de Groot, probeert hij door middel van geweld het gepest te eindigen. Daarmee lijkt het of hij in zekere mate respect af dwingt. Maar trouw als hij aan zijn neef leek blijkt de vriendschap door meningsverschillen toch minder te worden. Zijn neef Kwame vindt namelijk dat het geweld wat hij tegen zijn klasgenoten gebruikt niet goed is, en dat zijn wanhopige pogingen er bij te horen nutteloos zijn. Duidelijk wordt dat ze beiden voor andere richtingen en oplossingen kiezen. Kwasi heeft er in het begin weinig moeite mee als bezienswaardigheid aandacht en privileges te krijgen. Wanneer hij zich begeeft in hoffelijke kringen in Weimar worden in een brief van Kwame uit Elmina hem daarover verwijten gemaakt.

(Kwame:)“De dames in Weimar. De dames in Freiberg. Ze komen mij de strot uit. Ze willen allemaal een stukje van je haar. Zo lief, hoe het kroest. En jij laat je plukken als een kip! Nu hebben ze hun wekelijks kransje ook nog naar je vernoemd, het Ashanti-Kränzchen, toe maar, wat een eer! En jij stelt je daar tentoon. Nog steeds doe jij er alles aan jezelf tot bezienswaardigheid te maken. Bekijks, Kwasi, is geen acceptatie! Geduld worden betekent niet gelijk te zijn.”

In het begin komt Kwasi ontzettend innemend over, maar zijn karakter verandert gedurende het boek; waar hij in het begin almaar probeerde zo goed mogelijk te egaliseren (zie samenvatting) komt hij er uiteindelijk achter dat hij nooit gelijk gesteld zal worden aan blanken. En reflecterend op zijn leven tot dan toe beschrijft hij, een foto in zijn hand hebbende;

“Ik bewoog de plaat in mijn hand heen en weer. Het ene moment verbleekte de jongeman, het volgende versomberde hij. Zwart, wit, zwart, wit verscheen ik voor mijn eigen ogen, zwart, wit, besluiteloos. Het prodécé van monsieur Daguerre, de positief –negatief wering van de spiegelplaat, had de werkelijkheid afgebeeld én het tegendeel. Het leven en de droom. Ik kneep mijn slechte oog dicht. Ik doofde de lamp om de schittering te doen minderen.Maar wat ik ook probeerde, ze bleven allebei zichtbaar, Kwasi en Aquasi. Zwart, wit, zwart, wit, zwart, wit. Zo draagt die ene afbeelding twee jongemannen in zich, een blanke met een zwarte schaduw, een donkere met een witte zielenschim. Twee mannen, de één gedoodverfd door de ander, in één portret vereeuwigd. Die mannen ben ik allebei geweest.”

Ook is aan het einde van het boek te merken dat zijn terughoudendheid ten opzichte van anderen die hij aanvankelijk bezat grotendeels is weggeëbd. Zijn bediende Ahim behandelt hij als slaaf, hij schaamt zich er echter niet voor en vindt dat hij, als prins, aanzien en respect van hem verdient. Hij ergert zich er vaak aan dat Ahim hem als dwaze oude man behandelt en scheldt hem dan ook dikwijls uit en maakt hem vele verwijten.

“Ahim is al dagenlang volstrekt onmogelijk, juist nu ik mijn gedachten moet dwingen om alles uit mijn jeugd boven water te krijgen. Ik zou hem weg moeten sturen. Hij heeft zich in zijn hoofd gezet dat ik me met schrijven te veel vermoei. Hij zegt dat ik er niet goed uitzie, wat van lef getuigd voor iemand met een kop als die van hem. Als getergde trekken vertoon dan zijn dat zijn cadeaus aan mij.”

“ ‘Je doet niet wat ik zeg?’
‘Het heeft geen zin.’
‘Ik zal je slaag laten geven.’
Ahim zuchtte en legde verveeld uit, als voor de zoveelste keer aan een hardleers kind: ‘Dan ga ik naar de resident. Dan komt er een proces van. Allemaal ellende. En wie gaat er dan volgende week naar de post? De tijden zijn veranderd, Raden Aquasi, prins. Behalve voor mij. Ik ben de laatste slaaf van Java. Dat heb ik weer.’‘Wat weet jij van slavernij, onnozelaar? Als kind had ik slaven. Niet één, maar een paar honderd. Dat waren mannen, breed. Die hadden geen vrouwenlijf als dat van jou. Met die polsjes! Sterke tanden hadden ze en niet zulke afgevijlde stompjes. Honderd krachtige mannen voor mij alleen. Weet je wat ik toen met je had laten doen?’ ”

De visie op het leven en de wereld van het hoofdpersonage

De visie die de hoofdpersoon Kwasi in de roman ‘de zwarte met het witte hart’ op de wereld heeft is moeilijk te doorgronden. Een verslag uit ‘Ons Erfdeel’ helpt hierbij: ‘Japin laat er geen twijfel over bestaan wie volgens hem superieur was: Kwasi is niet alleen intelligenter, maar ook humaner dan de westerling. Alleen ziet hij het complot tegen zichzelf niet; zijn vertrouwen is te groot.’

De manier waarop de ‘oude’ Kwasi met Javanen omgaat lijkt gebruikelijk voor die tijd, hoewel we nu zouden zeggen dat hij ze nog steeds niet genoeg respecteerde, verschilt de manier waarop hij met zijn vrouwen omgaat bijvoorbeeld wezenlijk met Hollanders.

Omdat de visie op het leven en op de wereld van Kwasi Boachi in het boek nogal veranderd, volgt een chronologische uiteenzetting. Hieronder een citaat dat laat zien wat voor visie beide neefjes in het begin van het boek op de wereld hadden. Wanneer zij zich nog in West-Afrika begeven is die wereld namelijk erg klein, er wordt omschreven hoe zij de grootste lol beleefden aan mensen uit omringende volken van het Ashanti-gebied, volken die voor hen al erg vreemd en anders waren.

“Het Twi bleek ineens verrijkt met tongvallen uit alle hoeken van Ashanti … En er was het Twi dat lachlust opwekt van de zuivere Ashanti, het Twi zoals de slaven het spraken en de leden van overwonnen stammen boven de rivier, die door hun meesters waren meegevoerd om in Kumasi van de hand te doen.”

De twee neefjes geloofden net als anderen om hen heen in een animistische godsdienst, zoals die bij het heiligdom van Twi, een meer, werd beoefend. Ze geloofden in geesten, fetisj-priesters en schimmen die invloed hadden op het dagelijks leven. Waarvan hun eerste tien levensjaren ook ontzettend verschilden met hetgeen waar ze in Nederland kennis mee zouden maken, was dat er in het Ashanti-gebied er nauwelijks geschriften waren, de geschiedenis van hun volk kenden zij uit verhalen.
“Twee takken brak Osei Tutu van de kuma-boom..” (Het ontstaan van Kumasi)
Vanaf het moment dat de jongens naar de kust reizen de verwondering die zij hadden zich voort. Hun wereldbeeld wordt steeds groter. Veel begrijpt Kwasi aanvankelijk niet, de cultuurverschillen waaraan de jongens blootgesteld worden zijn enorm. Een duidelijke mening over welke cultuur beter is, heeft Kwasi, in tegenstelling tot zijn neef Kwame in het begin nog niet.

Later wordt duidelijk dat Kwasi voorkeur geeft aan de Nederlandse manier van leven en schaamt zich voor wat hij op een bepaald moment barbaarse Afrikaanse gebruiken gaat noemen. Fragmenten die ik heb gehaald uit de rede die Kwasi opvoert tijdens de avond dat hij werd ingehuldigd als lid van de Vijf Kolommen (studentendispuut) verduidelijken het beeld dat hij van de Ashanti schetste.

“Zij zijn heidenen! Fetish-aanbidders. De Ashantijnen geloven aan een opperwezen, hetwelk zij Jan Kampong noemen, Heer van al wat bestaat. Voorts aan goede en boze geesten en aan voortekens. Zo hechten zij geloof aan voorwerpen, en brengen bijvoorbeeld verering aan de magneet of zeilsteen. Zij geloven ook aan een leven na dit leven, maar in die zin dat de koning in dit leven, na zijn dood, weer koning, de slaaf weer slaaf zal zijn …
‘Neen’ las ik ‘ik wil niet verdergaan, maar hiervan afstappen na Ulieden medelijden en vergevingsgezindheid afgevraagd te hebben voor uwe natuurgenoten, die in hun blinde woestheid zulke daden kunnen plegen, voor uw medemensen die in hun verkeerdheden nog een goed werk menen te doen. Het volk is dom en hoogst bijgelovig, en van deze twee gebreken trekken hun priesters meesterlijk voordeel, om de mensen allerlei vreemde en ongehoorde begrippen in te prenten en hen dus zo nog dommer en bijgeloviger te maken dan ze al zijn.’ ”

Kwasi Boachi hecht grote waarde aan intelligentie. Aanvankelijk bestond zijn visie op het leven uit het geloof dat (zijn eigen) intellect verschillen die allereerst onoverkomelijk lijken ze uiteindelijk overkomelijk maakt.
Later komt hij erachter dat het feit dat hij zwart is voor altijd een obstakel is, het meest duidelijk wordt dit wanneer hij na zoveel jaar van Drunen weer ziet. Het belang dat Kwasi er altijd in zag intelligent te zijn is afgenomen naar mate hij ouder werd. Er valt zelfs zeggen dat hij als oude man op Java verbitterd is geraakt en van veel dingen het positieve niet meer in kan zien.
Wel is duidelijk te zien dat hij aan het eind van zijn leven meer waarde is gaan hechten aan het land waar hij écht vandaan komt, de gebruiken en tradities van de Ashanti verkettert hij niet meer en hij doet ontzettend zijn best oude herinneringen te laten herleven. Het volk waar hij jaren lang bij heeft willen horen, de Nederlanders, maakt hij meer en meer verwijten, en het land wat hij lang heeft geprobeerd te vergeten, het land waarvan zijn vader koning was, daarvan probeert hij de herinneringen in stand te houden.

De verhouding van het hoofdpersonage ten opzichte van de andere personages in het verhaal

Het hoofdpersonage Kwasi heeft in de roman ‘de Zwarte met het Witte Hart’ met veel verschillende personages verschillende relaties. De belangrijkste relaties worden hieronder beschreven. Hoewel er eigenlijk meteen al deels antwoord gegeven moet worden op de deelvraag, er is namelijk één grote overeenkomst in hoe Kwasi zich verhoudt tot vrijwel alle andere personen in het verhaal. Hij is anders, namelijk zwart en dit ziet men gelijk terug in zijn relaties tot andere personages.

De relaties van Kwasi met zijn neef Kwame en met zijn vader Kwaku verschillen van alle andere in het feit dat zij qua huidskleur aan hem gelijk zijn, en omdat Kwasi zijn vader na zijn 10e levensjaar niet meer gezien heeft, acht ik de relatie die hij met Kwame had als meest belangrijke van het hele verhaal.

De verhouding die de vriendschap van de twee neefjes heeft wordt in het begin al duidelijk, wanneer Kwasi, gebroken van verdriet om zijn broers, met Kwame in contact komt, wordt hij door hem gelijk getroost. Kwame lijkt stoerder, maar ook meer ingetogen. In Kumasi al worden de twee als onafscheidelijk gezien, en tijdens hun reis wordt hun band versterkt omdat ze slechts aan elkaar steun hebben. Toch lijdt hun vriendschap onder het verschil in de manier waarop zij Nederland leren kennen. Kwasi lijkt minder last te hebben van heimwee dan Kwame en de vele discussies die zij hebben leiden er uiteindelijk toe dat ze, na jaren lang iedere nacht samen te hebben geslapen, beide op andere kamers komen te liggen. Kwame lijkt meer waarde te hechten aan hun vriendschap dan Kwasi. Kwame ziet in Kwasi zijn lotgenoot waarmee hij zijn leed kan delen, terwijl Kwasi op dat moment probeert te vergeten wat hij heeft meegemaakt. Wanneer Kwame terug in Goudkust is en brieven aan Kwasi schrijft, lijkt het dat de twee elkaars verschillende karakters, wensen en ideeën eindelijk hebben leren accepteren. Ze missen elkaar.

Omdat Kwaku Dua, de vader van Kwasi, in het boek niet een heel grote rol speelt is er niet heel veel te zeggen over hoe precies de relatie tussen die twee was. Maar omdat Kwasi nooit naar Goudkust terugkeert en daardoor zijn vader nooit meer heeft teruggezien vond ik het belangrijk om te kijken naar de relatie die de twee hadden. Eenmaal in Nederland heeft Kwasi het namelijk niet vaak over hem. Maar in het begin van het boek wordt in meerdere dingen omschreven dat zijn vader van hem houdt. Dat zegt namelijk het feit hoe blij zijn vader was met de vriendschap die Kwasi met zijn neef Kwame had, nadat Kwasi zijn broers had moeten missen. Ook blijkt uit het volgende hoezeer zijn vader hem lief had:
“Zodra ik met hem alleen was veranderde zijn houding. Hij stond op en drukte me tegen zich aan, kuste me, maar ik vond geen kracht zijn omhelzing te beantwoorden. Ik was zoals de doden op het uur van hun eigen begrafenis, verbijsterd over de waarheid, maar niet meer in staat te handelen. ‘Kwasi, Kwasi…’ bleef hij maar herhalen, terwijl hij heen en weer begon te wiegen alsof hij me in slaap wilde sussen, ‘we zullen van je houden als je terugkomt. Zoals nu. Meer. Jij zal een belangrijk man zijn. Belangrijker dan ik. Kwasi…’ Na deze woorden werd hij weggeroepen om de Hollanders te ontvangen.”

Onderweg naar de kust wordt geschreven hoe ontzettend verontwaardigd Kwasi is over het feit dat zijn vader hem zomaar heeft kunnen laten gaan. In hem is sprake van een bepaalde boosheid richting de Asantehene. En wanneer het boek zich in Nederland, Weimar en Java afspeelt lijkt het of Kwasi zijn vader vergeten is. Op het eind van zijn leven komt hij er echter achter dat zijn vader, na de dood van zijn neef, nog een aantal keren het verzoek bij de Hollanders heeft ingewilligd om Kwasi te laten terugkeren naar Kumasi, omdat hij zijn zoon zo ontzettend mist. Het bericht heeft Kwasi, waarvan het lijkt of hij allang de conclusie heeft getrokken dat zijn vader hem ook vergeten is, nooit bereikt.

Van Moock, de leraar van Kwame en Kwasi, tevens eigenaar van de kostschool waar zij verblijven heeft een goede relatie met Kwasi, met name in de zin dat Kwasi erop gesteld is zijn leraar te verbazen en trots te maken met zijn leerprestaties. Vanaf het begin af aan was al duidelijk hoe snel de jongens leerden, ze kregen bijles om hun achterstand in te halen en dat ging voorspoedig.

“Voor mij werd het juist een spel mijn leermester versteld te doen staan, zodat ik mijn verworvenheden met opzet doseerde. Ik oogstte liever voor elke parel afzonderlijk bewondering dan voor het hele collier ineens.”

Kwasi en Kwame raken beiden erg goed bevriend met prinses Sophie, en waar het voor Kwame ophoudt bij vriendschap, ontwikkelt het zich bij Kwasi tot verliefdheid. Een aantal jaar later trouwt ze echter, en alle hoop vervliegt voor hem. Tussen de drie, en uiteindelijk de twee, blijft lange tijd een trouwe vriendschap bestaan. Ze schrijven elkaar vele brieven. Wanneer Kwasi na een aantal jaar in Nederlands-Indië te hebben gezeten tijdelijk teruggaat naar Nederland en daarbij een bezoek brengt aan Weimar kan hij nog altijd heel goed met Sophie overweg. Het bijzondere in de relatie die Sophie met Kwasi heeft is de verwondering over en de bewondering voor de neefjes die zij altijd gehad heeft. Ze was ontzettend nieuwsgierig naar ze, en nam ze altijd in vertrouwen.

Zoals in de andere deelvragen ook al naar voren is gekomen is het karakter van Kwasi Boachi met de jaren veranderd, zo is ook voor een groot deel veranderd hoe hij met mensen omgaat. Zijn bediende Ahim, waarin hij eerst een redelijke goede en lijkend op een vriendschappelijke relatie had, behandeld hij aan het eind van het boek slaafs. Maar hoezeer Kwasi Ahim ook afkeurt, hij heeft hem nodig. Ook Ahim ziet dat, en ik geloof dat hij daarom trouw aan zijn meester blijft.

Een oude man zijnde, wordt een nieuw personage in het boek geïntroduceerd, mevrouw Renselaar, zij en Kwasi schijnen elkaar al redelijk lange tijd te kennen, en mevrouw Renselaar lijkt zich over hem te ontfermen. Aan het eind van het boek zie je hoezeer zij zich zijn lot aantrekt, en helpt hem met het verduidelijken van de redenen waarom Kwasi in de situatie zit waarin hij zit. Kwasi schildert mevrouw Renselaar af als een dwaze oude dame, en hun vriendschap lijkt van één kant te komen. Toch is hij haar dankbaar voor al haar hulp, dat merk je wanneer hij zijn 50-jarige jubileum eigenlijk niet wil vieren, maar het toch door laat gaan omdat hij haar een verzetje gunt.

Op late leeftijd is Kwasi vader geworden en hij heeft drie kinderen bij twee Indische vrouwen. In tegenstelling tot andere Hollanders schaamde hij zich er niet voor openlijke relaties met hen te hebben.

“Ik vertelde haar van de festiviteiten en vroeg haar, met Wayeng, mijn eregast te willen zijn. Zij sloeg haar ogen neer en zei dat zij in gedachten zeker bij mij zou zijn. Toen ik aandrong, vroeg zij hoe zij zich als eenvoudige vrouw in een vooraanstaand Hollands gezelschap kon begeven. Ik gaf haar geld, genoeg om voor hen beide passende kledij te kopen, en zei ronduit dat ik zelf niet naar het feest zou gaan als zij niet aan mijn zijde zouden kunnen zijn.”

Een citaat uit het boek dat in één zin illustreert hoe de relatie met zijn kinderen was is het volgende:

“Ik voelde een enorme liefde voor haar en voor mijn andere kinderen, en het speet mij dat ik mijzelf al zo lang zulk vertrouwen niet meer toesta.”

Lees verder

© 2014 - 2019 Frerdinand, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
QI: Quiz van de VARAQI: Quiz van de VARAQI staat voor Quite Interesting. De VARA is op 27 december 2008 met het programma begonnen, maar het idee komt van de BB…
recensieEen schitterend gebrek versus de RomantiekDe Romantiek, wie kent deze periode niet. Een tijdperk van liefde, verlangen, droefgeestigheid, escapisme en voorliefde…
Maar buiten is het feest; Arthur JapinrecensieMaar buiten is het feest; Arthur JapinBegin oktober 2012 verscheen het nieuwe boek van Arthur Japin: Maar buiten is het feest. De succesvolle zangeres Zonne s…
Koning Arthur (Keltische legeraanvoerder)Koning Arthur was een Keltische legeraanvoerder die vermoedelijk regeerde tussen 454 en 470. Er is vrijwel niets over he…
President van Amerika, Chester Arthur 1881-1885President van Amerika, Chester Arthur 1881-1885Amerika heeft 3 uur zonder president gezeten voordat Chester Arthur werd beëdigd, nadat zijn voorganger overleed aan de…
Bronnen en referenties
  • Japin, A.V., de zwarte met het witte hart (1997) P370
  • Japin, A.V., de zwarte met het witte hart (1997) P371
  • Japin, A.V., de zwarte met het witte hart (1997) P58
  • Japin, A.V., de zwarte met het witte hart (1997) P105
  • Japin, A.V., de zwarte met het witte hart (1997) P218/220
  • http://www.dbnl.org/tekst/_ons003199801_01/_ons003199801_01_0089.php
  • Japin, A.V., de zwarte met het witte hart (1997) P27
  • Japin, A.V., de zwarte met het witte hart (1997) P29
  • Japin, A.V., de zwarte met het witte hart (1997) P222/223
  • Japin, A.V., de zwarte met het witte hart (1997) P73
  • Japin, A.V., de zwarte met het witte hart (1997) P18
  • Japin, A.V., de zwarte met het witte hart (1997) P36,
  • Japin, A.V., de zwarte met het witte hart (1997) P105
  • Japin, A.V., de zwarte met het witte hart (1997) P278,

Reageer op het artikel "Arthur Japin: de zwarte met het witte hart"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Frerdinand
Laatste update: 05-10-2014
Rubriek: Educatie en School
Subrubriek: Samenvattingen
Special: Arthur Japin
Bronnen en referenties: 14
Schrijf mee!