Eerlijkheid gevraagd
Eerlijk zijn doe je in goede en slechte tijden. Tegen je collega’s, tegen ouders, tegen je leidinggevende en tegen kinderen. Gewoon, omdat je weet dat als je eerlijk bent, je daarmee waardering oogst. Ook als je eerlijk bent over de dingen die niet goed gaan. Vanuit eerlijkheid kom je tot een echte ontmoeting met de kinderen.
Als leraar verwacht je dat de kinderen eerlijk zijn. Die eerlijkheid kun je alleen tegemoet zien als kinderen weten dat jij dat ook bent. Het is een kwestie van wederzijds vertrouwen opbouwen. Uiteraard stel je grenzen, maar liegen, dat doe je niet. Het kan zijn dat je uit zelfbescherming en uit bescherming van de kinderen de waarheid niet deelt, bijvoorbeeld als die waarheid meer schade toebrengt dan groei. Een kind dat trots vraag wat je van zijn nieuwe trui vindt, ga je natuurlijk niet vertellen dat het vreselijk staat. Met die waarheid help je niemand.
Eerlijkheid
Eerlijkheid kent grenzen, maar is en blijft een machtig wapen voor het leggen van contact. Eerlijk zijn tegen je kinderen is een lastige opdracht. Je stelt je immers kwetsbaar op als je eerlijk bent over je tekortkomingen. Eerlijk zijn tegen jezelf is echter nog veel lastiger. Toch is die eerlijkheid de beste oefening om eerlijk te zijn in je werk.
Sfeer
Als leraar moet je op zoek gaan naar werkelijk contact met de groep. Dat begint met het snel leren van de namen. Want als je de namen kent, is er al een eerste band, omdat het kind zich ‘gekend’ voelt. Creëer je een sfeer waarin iedereen eerlijk durft te zijn – ook tegen de kinderen – dan werk je aan een hechte band met de klas. Van daaruit kun je aan de klas vragen wat ze van je les en van jouw manier van werken vonden.
Rechtstreeks aanspreken
Rechtstreeks aanspreken is van groot belang. Zeg waar het op staat in een eerlijke sfeer. Spreek kinderen en collega’s rechtstreeks aan op goede punten, maar durf ook te benoemen waar beterschap mogelijk is. Draai niet om de waarheid heen, maar zoek naar leerpunten en durf daar vervolgens ook aan te werken.
Uitdagingen
- Vraag je af wat je zelf anders had kunnen doen tijdens de lessen die je de afgelopen week gegeven hebt. Vertel dit eerlijk aan de betreffende klas en vraag hun mening. Doe het de eerstvolgende les daadwerkelijk anders en vraag dan aan de kinderen wat ze van jou en van de les vonden. Vraag ook naar suggesties.
- Vertel aan je moeilijkste klas eerlijk wat je zo moeilijk vindt aan lesgeven aan deze klas. Vraag dan aan de klas wat zij als moeilijk ervaren in de omgang met jou.
- Vraag een collega om een les van je te bezoeken. Geef les zoals je dat altijd doet en vraag vervolgens eerlijke feedback. Begin de nabespreking door zelf dingen te noemen waar je tevreden over bent. Vraag vervolgens aan je collega wat deze vond en sluit af met de vraag of hij tips voor je heeft om dingen te veranderen.
- Schrijf voor jezelf op wat je drie meest kwetsbare kanten zijn in het werk als leraar. Deel deze kwetsbaarheid met je klas.
- Vertel aan de klas drie van je jeugdherinneringen. Een van die herinneringen is waar gebeurd. Zorg ervoor dat het een bekentenis betreft. Vertel uitgebreid over de gebeurtenis. Vraag dan aan de kinderen om groepjes ook drie verhalen te vertellen. Op deze manier nodig je de groep uit om een eerlijk verhaal te delen met anderen.