InfoNu.nl > Educatie en School > Taal > Lidwoord weglaten - Wanneer en waarom?

Lidwoord weglaten - Wanneer en waarom?

In een aantal gevallen mag of moet het lidwoord in het Nederlands worden weggelaten. Wie van huis uit Nederlands spreekt, maakt daarbij weinig fouten. Maar voor wie Nederlands moet leren is het een hele opgave erachter te komen wanneer het lidwoord wel en wanneer niet moet worden gebruikt. Er bestaat ook niet één regel daarvoor; er zijn er minstens 27. Een beknopt overzicht.

Inleiding

Traditioneel kennen we in het Nederlands drie lidwoorden: de, het en een. Binnen de taalkunde zijn er ook goede argumenten genoemd voor vier lidwoorden, of voor minder dan drie, maar die discussie is hier nu niet aan de orde. Van oudsher gebruiken we de en het voor zogenaamde "bepaalde" begrippen en een voor zogenaamde "onbepaalde" begrippen. "Bepaald" betekent dat de spreker denkt dat de hoorder weet waarover het gaat; "onbepaald" betekent dat de spreker ervan uitgaat dat de genoemde zaak of het genoemde ding (taalkundigen noemen een zaak of ding een entiteit) nieuw is in het gesprek en tot dan toe voor de hoorder nog niet bekend was.

Mannelijke en vrouwelijke bepaalde entiteiten krijgen de in het enkelvoud en het meervoud voor zich; onzijdige bepaalde entiteiten krijgen het in het enkelvoud en de in het meervoud. Onbepaalde entiteiten (mannelijk, vrouwelijk of onzijdig) krijgen een in het enkelvoud en niks in het meervoud voor zich.

Dat zijn in het kort de regels voor het gebruik van het lidwoord. Maar wat is er aan de hand wanneer we het lidwoord helemaal weglaten, zoals bijvoorbeeld in de uitdrukking met hart en ziel, waarbij je echt niet kunt zeggen *met het hart en de ziel ? (Een * voor een zin of groep woorden betekent dat we die niet welgevormd vinden.)

Hieronder volgen 27 gevallen waarin het lidwoord in het Nederlands achterwege kan of moet blijven. Misschien is de lijst nog wel niet eens helemaal compleet. Onderaan dit artikel staat welke bronnen ik heb gebruikt bij het samenstellen van deze lijst.

27 gevallen

1. Bij een niet-telbaar substantief (=zelfstandig naamwoord):
  • Er is onrust ontstaan.
  • Aan water is hier geen gebrek.

2. Bij een telbaar, onbepaald substantief in het meervoud:
  • Er liepen koeien in de wei.
  • Eten we nu alweer spruitjes?

3. Bij gebruik van een demonstratief (aanwijzend) of possessief (bezittelijk) voornaamwoord:
  • Waar heb je dat doosje gelaten?
  • Ik heb mijn sleutels vergeten.

4. In krantenkoppen, onderschriften, titels:
  • Einde kabinetscrisis nog niet in zicht.
  • Man bijt hond.

5. Bij opsommingen van min of meer bij elkaar horende zaken:
  • Met naald en draad voor u paraat.
  • Hij slaagde met vlag en wimpel.

6. Bij opsommingen die tevoren zijn genoemd en waartussen verband bestaat:
  • Bij het afrekenen vergat zij zowel het pakje rozijnen als het zakje amandelen in haar boodschappentas te doen. Toen ze na een paar minuten bij de kassa terugkwam, waren rozijnen en amandelen verdwenen.
  • Jarenlang hebben Talpa en RTL de uitzendingen verzorgd van wedstrijden van de eredivisie, de Europacup en van het Nederlands elftal. Sinds enige tijd zitten eredivisie en Nederlands elftal weer gewoon bij de NOS.

7. In woordgroepen die met zonder beginnen:
  • Met dit weer moet je niet zonder jas naar buiten gaan.
  • Zonder pc kan ik thuis niet werken.

8. In woordgroepen die beginnen met met waarin dat contrasteert met zonder:
  • Als er weinig licht is, kan ik even weinig zien zonder als met bril.
  • Ik ga liever op vakantie met reisverzekering dan zonder.

9. In woordgroepen die beginnen met met die een specificatie inhouden in de technische of commerciële sfeer:
  • Ik kies toch liever voor een auto met open dak.
  • Er bestaan geen tandenborstels met afstandsbediening.

10. In woordgroepen die beginnen met buitenlandse (meest Franse of Latijnse) voorzetsels:
  • Zij reisden per schip naar Amerika.
  • De ploeg speelde technisch goed, maar qua instelling waardeloos.
De zo goed als complete lijst van deze 54 voorzetsels is: @, a, à, à la, ab, absque, ad, alias, annex, anno, ante, anti, après, chez, con, conform, contra, coram, cum, de (Fr.), de (Lat.), en, entre, ex, extra, hors, in, infra, inter, into, intra, junctis, juncto, medio, minus, n'importe, par, per, plus, post, pour, pro, qua, retour, salva, salvis, sans, secundum, sine, sub, super, versus, via, vis-à-vis.

11. In woordgroepen die beginnen met de voorzetsels de of het in de betekenis "per":
  • De snijbonen kosten momenteel bijna € 3,00 de kilo. (= per kilo; = voor een kilo)
  • Kan ik alleen de hele set kopen, of verkoopt u die bordjes ook het stuk? (= per stuk)

12. Na voorzetsels in min of meer vaste verbindingen, waarbij het gaat om een abstracte entiteit:
  • Ik ga naar school. (school als instelling, tegenover school als gebouw: Dit grindpad loopt naar de school.)
  • Hij stond al langer onder verdenking.

13. Ook na andere voorzetsels in min of meer formeel (journalistiek, ambtelijk, juridisch,...) taalbegruik:
  • Er waren naar schatting meer dan honderd toeschouwers.
  • De treinen rijden weer volgens dienstregeling..
  • De werkzaamheden zijn conform plan uitgevoerd.
  • Bij twijfel niet inhalen.
  • Zo ook: In staat van...; Krachtens staande regelgeving...; Op straffe van... enz.

14. Voor een aanduiding van beroep, hoedanigheid, rol of functie, als naamwoordelijk deel:
  • Ik word later tramconducteur.
  • Wat is onderwerp van de zin "Hier mag niet worden gedanst" ?
  • Ik ben vanmorgen vader geworden!

15. In wat meer journalistieke stijl aan het begin van een zin met een naamwoordelijk gezegde:
  • Feit is dat je nu alweer je boek niet bij je hebt.
  • Doel van de regeling blijft het terugdringen van de werkloosheid.

16. Bij gebruik van een substantief dat wordt voorafgegaan door een comparatief (vergrotende trap), terwijl de zin een ontkenning bevat:
  • Meer eer viel er niet te behalen.
  • Dieper belediging kon je haar niet aandoen.

17. Voor de zgn. genitivus partitivus (waar soms van tussen past, of in het Frans: de):
  • Een verzameling vrouwvolk; niet veel soeps; een heleboel herrie; een hoop ongenoegen.

18. Bij eigennamen/aardrijkskundige namen die ook wel met lidwoord kunnen voorkomen:
  • Hij wachtte geduldig tot Magere Hein hem kwam halen.
  • Dronken zwalkten zij door donker Amsterdam.

19. Bij aardrijkskundige namen van streken of koloniën die nu een zelfstandige natie zijn geworden:
  • De Ukraine (deel van de Sovjet-Unie) -> Ukraine (zelfstandige staat)
  • De Kongo (Belgische kolonie) -> Kongo (zelfstandige staat)
  • De Libanon (Frans protectoraat) -> Libanon (zelfstandige staat)

20. Bij aanduidingen van week- en maanddagen en van bijzondere dagen of gelegenheden:
  • Maandag kom ik bij je langs.
  • Dit jaar was februari de koudste maand.
  • Komend weekend is het kermis. (het is hier geen lidwoord!)
  • Als je slaagt, houden wij open huis.

21. In een aantal zegswijzen of uitdrukkingen:
  • Dat is kat in het bakkie.
  • Daar kun je donder op zeggen.

22. Bij muziekinstrumenten, kinderspelen en sportbeoefening:
  • Ik speel klarinet.
  • Doktertje spelen.
  • Ik zit op voetbal, of zoals in Noord-Brabant: Ik zit onder voetbal.

23. Bij reduplicaties (=herhalingen):
  • Ik heb je keer op keer gewaarschuwd.
  • Hij miste kans na kans.
  • Het regende dag in dag uit.
  • Voetje voor voetje kwam zij dichterbij.

24. Bij aan- of uitroepen:
  • Wilt u allemaal even opzij gaan, mensen !
  • Jongen, wat ben jij gegroeid !

25. Bij substantieven die de functie van voorzetsel hebben aangenomen. Tot deze reeks horen ongeveer 17 Nederlandse zelfstandige naamwoorden, zoals:
  • Ze zijn gisteren vertrokken richting Italië.
  • Bij het tweede doelpunt stond Bruins randje buitenspel.
  • Klokslag twaalf kwam zij eindelijk aanzetten.
Verder ook nog: begin, bestemming, eind(e), halte, hartje, hoek, kantje, klokke, lank(e), midden, omgeving, punt, spijt, station.

26. Bij de meeste ziektes:
  • Hij heeft griep / mazelen / pokken / malaria / longontsteking / geelzucht / diarree / rode hond / tbc / syfilis / aids / kanker / bloederziekte / hemofilie / astma / suiker(ziekte) / buikpijn / kinkhoest / ...
  • maar: Hij heeft de bof / de pest / ... ; overigens is de mazelen / de pokken ook mogelijk.
  • Nepziektes krijgen altijd het; bijnamen van ziektes krijgen de: Krijg het leplazarus / het heen-en-weer / ... ; de sief / de tering / de schurft / de klere / ...

27. Bij tijdsbepalingen is er vaak keuze, maar die gaat dan wel met een subtiel betekenisverschil gepaard:
  • De komende week zit ik in het buitenland. (gedurende de hele week), tegenover:
  • Komende week zit ik in het buitenland. (tijdens een onbepaald deel van de week)
  • Het afgelopen uur had ik haar aan de telefoon. (het hele uur lang), tegenover:
  • Afgelopen uur had ik haar aan de telefoon. (tijdens een onbepaald deel van het afgelopen uur)
© 2008 - 2017 Elloo, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Frans grammatica: het lidwoordFrans grammatica: het lidwoordHet franse lidwoord lijkt moeilijk te begrijpen, maar als je je aan enkele simpele regels houdt is het vrij simpel. In l…
[Frans] Hoe gebruik je het lidwoord in het Frans?[Frans] Hoe gebruik je het lidwoord in het Frans?Het lidwoord in het Frans, l’article, wordt op verschillende manieren gebruikt en toegepast. De Franse grammatica kent m…
Franse grammatica "Het lidwoord"Franse grammatica "Het lidwoord"Heel vaak hoor ik: "Ik vind Frans een schitterende taal, maar ik heb het nooit begrepen". Vanaf deze plaats ga ik om de…
Melet (Hebreeuwse grammatica) – Arjeh GebhardMelet (Hebreeuwse grammatica) – Arjeh Gebhard'Melet', dat cement betekent, is een modern Hebreeuws grammatica boek voor beginners en gevorderden. Het boek is geschre…
Een kleine cursus DeensHet Deens is een taal die door maar weinig mensen wordt gesproken. Het Deens is voor Nederlanders vaak makkelijk te begr…
Bronnen en referenties
  • Algemene Nederlandse Spraakkunst, in het bijzonder §4.5 en §4.6 (blz.195-223)
  • W. Klooster, Grammatica van het hedendaags Nederlands, in het bijz. §4.1.2 en §4.1.3 (blz.64-69)
  • Eigen lesmateriaal

Reageer op het artikel "Lidwoord weglaten - Wanneer en waarom?"

Plaats een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Reacties

Melanie, 22-11-2013 14:18 #6
Ik ben ook wel benieuwd naar het antwoord op Maartens vraag.

Ik heb hieronder een voorbeeld:
Dit bedrag zal achteraf worden uitgekeerd aan de Broekhuis Holding te Harderwijk.

Mijn voorkeur heeft het weglaten van "DE" voor Broekhuis…
Wat wel kan is "Broekhuis" weg laten. We hebben het immers over DE holding.

Bovengenoemde voorbeeldzin is volgens mij niet juist. Wie kan mij helpen? Reactie infoteur, 14-04-2014
Tja, ik denk dat "Broekhuis" een voorbepaling is bij "Holding", en dat DE dus niet op Broekhuis slaat, maar op Holding. Zo ook: Je bestelt een vrachtwagen ofwel bij DAF, ofwel bij DE DAF-fabrieken; en je kocht vroeger je Friendship bij ofwel Fokker, ofwel DE Fokker-fabriek. Daar doet zich een zelfde geval voor.
Waterdicht is het allemaal niet: je zet je geld niet weg bij RABO, maar altijd bij DE RABO, ook al heb je een rekening bij ING (zonder lidwoord), die vroeger gewoon DE Postbank heette. En bij (DE) ASN en (DE) ABN-Amro lijken we nog keus te hebben, wat het lidwoord betreft.

Maarten, 09-09-2013 09:56 #5
Hoe ga je om met het gebruik van lidwoorden als er ook in lidwoord in de naam van het bedrijf of product zit. Een voorbeeld. De bedrijfsnaam is De Supermarkt. Zeg je: 'Ik ga naar de De Supermarkt' of 'Ik ga naar De Supermarkt'. Je zegt wel: 'Ik ga naar de HEMA' en niet "Ik ga naar HEMA'. Reactie infoteur, 14-04-2014
Allereerst sorry voor de late beantwoording.
Er lijkt enige willekeur te zitten in het al dan niet gebruiken van een lidwoord voor een bedrijfsnaam: je vliegt wel met DE KLM maar niet met DE Air France, laat staan met DE Ryanair of DE Easyjet; je koopt je worsten wel bij DE Hema, maar niet bij DE AH, en de paracetamol is verkrijgbaar bij HET Kruidvat, maar ook bij DE Etos.
Hoort het lidwoord bij de bedrijfs-/merknaam, dan blijft het wel bewaard, dunkt mij; zie bv. De Gruyter.
Het idee dat het lidwoord wordt toegevoegd wanneer het bedrijf grote naamsbekendheid geniet, of op een of andere wijze appeleert aan "knussigheid" of "gezelligheid", is niet houdbaar, als je de Hema en AH met elkaar vergelijkt, of de KLM en Air France. De leden van die koppels ontlopen elkaar toch niet zo veel.
Eerder vermoed ik dat er in het spraakgebruik een zekere gewenning of traditie is ontstaan met of juist zonder lidwoord, waarbij een aspect van toevalligheid niet ontbreekt.
Maar pas op: vroeger kochten wij van alles bij DE melkboer, groenteboer, sigarenboer, kruidenier. Daar diende het lidwoord om de winkel te onderscheiden van het beroep: "Ik word later melkboer" enz. En bovendien: als we die winkels laten voorafgaan door "zonder", dan valt het lidwoord opeens weer wel weg: "Zonder melkboer in het dorp zijn we op DE SRV en DE super om de hoek aangewezen". Allemaal even vreemd als boeiend.

David, 11-03-2012 10:51 #4
Beste Elloo,

Dat is een heel mooi overzicht van de regels voor wel of geen lidwoord. Ik wil het graag gebruiken voor mijn lessen aan anderstalige HBO-studenten. Dit is voor hen namelijk een van de meest ongrijpbare en tevens veel voorkomende problemen in het Nederlands. Ik wordt door dit lesgeven elke dag dankbaarder dat ik een taal zo goed ken als mijn eigen Nederlands. Zeker als ik door jouw artikel begrijp wat ik allemaal vanzelf goed doe. Maar het is nog leuker om het aan anderen te kunnen leren.

Waar komt al deze kennis vandaan?


Vriendelijke groet,

David Cassuto Reactie infoteur, 14-08-2012
David,

Het is allemaal opgebouwde kennis en gebruikservaring tijdens en na 34 jaar Nederlands geven op middelbare scholen en HBO-lerarenopleidingen. En natuurlijk veel interesse in "vreemde" taalverschijnselen.
Ik ben nu bezig met een artikel over woorden als geboefte en gebladerte, ook zo'n typisch Nederlandse eigenaardigheid. Verschijnt binnenkort bij Infonu.nl onder het trefwoord "collectiva".

Groeten,

Nard.

Jessy, 26-01-2012 16:49 #3
Moet er een lidwoord staan voor 'auteur' in een zin als: "Het enige wat mij hinderde was dat auteur constant “het hondje” laat volgen door een vrouwelijk persoonlijk voornaamwoord"? Reactie infoteur, 14-08-2012
Jessy,

Jouw voorbeeldzin lijkt een beetje op de gevallen die ik onder 14 heb genoemd ("Feit is dat je… "); alleen betreft het in jouw geval geen naamwoordelijk gezegde. We kennen ook wendingen als "Schrijver dezes wil benadrukken dat… ". Daar lijkt jouw zin ook wel op. Ik zal nog eens nadenken of ik dat onder geval 14 wil scharen, of er een 27e geval van maak.
Dank voor de tip in ieder geval.
En wat jouw vraag betreft: het Nederlands kent een beschrijvende, geen voorschrijvende grammatica. Er moet dus niks; de grammatica past zich aan aan het algemene taalgebruik, dus jouw zin is wat mij betreft volstrekt acceptabel.

Groeten,

Nard.

Bregt de Wit, 18-01-2011 12:20 #2
Ik wil graag weten waarom we in het Nederlands zeggen: Ik kijk tv (zonder lidwoord), maar ik luister naar de radio (met lidwoord). Hoe leg ik dit uit? Ik neem aan dat we zeggen Ik kijk tv. omdat we niet het apparaat bedoelen maar een programma. Maar hoe zit dat bij radio? Kun je zeggen: Ik luister radio? Reactie infoteur, 25-06-2011
(Sorry voor mijn late reactie).
Ik moet een beetje gokken, en ik vermoed dat per landstreek en in de loop van de tijd er wel verschillen zullen optreden in wat wel en wat niet wordt gezegd.
"Ik luister naar de radio" doet mij toch denken aan de tijd dat men het radio-ontvangsttoestel aanzette, en als de lampen dan waren opgewarmd ging het hele gezin rond dat apparaat zitten om ernaar te luisteren. Men luisterde dus naar het toestel, niet zozeer naar het programma, net als bij een pick up of grammofoon: nooit hebben we kunnen zeggen: "Ik luister pick-up" of "Ik luister grammofoon". Het toestel stond voorop, niet de afgespeelde muziek.
Zo zal er in de begintijd van de tv ook wel een situatie zijn geweest dat men "naar de tv keek", dus naar het toestel als zodanig, inclusief wat er op de beeldbuis werd vertoond. Maar dat zeg je nu zo niet meer.
"Ik kijk tv" slaat inderdaad op de uitzending, niet op het apparaat.
"Ik luister radio" is nog niet zo onmogelijk. Ik kan bijvoorbeeld zeggen: "In de auto luister ik geen radio, maar zet ik een cd op".
Misschien vergelijkbaar: als je naar de bioscoop gaat (het "toestel" dus), zeg je: "Ik ga naar de film". Huur je bij de videotheek een speelfilm, dan ga je "film kijken" (het product).

Ik zal er nog eens verder over gaan nadenken.

Groet,

Elloo.

Princessfiona (infoteur), 08-01-2009 17:28 #1
Duidelijk artikel! Ik heb hier een vraag over: is het ook uw ervaring dat er vroeger meer lidwoorden werden gebruikt dan tegenwoordig? Als je een ouderwetse Bijbel of een ander boek bekijkt, zie je dat daar veel meer liwoorden gebruikt worden dan wij nu zouden doen. Klopt dat? Reactie infoteur, 30-05-2009
Allereerst sorry dat ik nu pas reageer; ik check mijn Infonu-mailbox niet zo vaak…

Het zou best eens kunnen dat je gelijk hebt. Om dat na te gaan zou je bv. het al dan niet voorkomen van mijn 26 gevallen eens moeten nalezen bij Multatuli's Max Havelaar of bij de Tachtigers. Ik heb dat nooit gedaan.
Wel schat ik dat na de Tweede Wereldoorlog ons taalgebruik, zowel mondeling als schriftelijk, is gaan "versnellen", meer flitsend is geworden. Ik heb dat ook gemerkt bij de sterk toenemende tendens om voorzetsels weg te laten, of meerwoordige voorzetseluitdrukkingen (bv. ter gelegenheid van; omwille van) te vervangen door enkelwoordige voorzetsels (bij resp. voor). Dat is overigens een proces dat al kort na de middeleeuwen is gestart.
Of dit allemaal typisch Nederlands is, of ook in Frans, Duits, Engels, Italiaans is te bespeuren, heb ik nooit onderzocht. Ik heb het vermoeden dat het in het Frans en Italiaans ook gebeurt.

Ik hoop dat je hier wat mee kunt.

Groeten,

Elloo

Infoteur: Elloo
Laatste update: 06-05-2015
Rubriek: Educatie en School
Subrubriek: Taal
Bronnen en referenties: 3
Reacties: 6
Schrijf mee!