InfoNu.nl > Educatie en School > Samenvattingen > Cognitieve psychologie (H5 Palet van de psychologie)

Cognitieve psychologie (H5 Palet van de psychologie)

Cognitieve psychologie (H5 Palet van de psychologie) De cognitieve psychologie is een stroming binnen de psychologie die zich bezighoudt met informatieverwerking. Hieronder is een samenvatting van hoofdstuk 5 van de Palet van de psychologie te lezen. Hier zullen de basisuitgangspunten, model van de werkelijkheid, sociaal constructivisme, cognitie, de waarnemingscyclus, stadia van piaget, attributiestijlen en het ABC-schema nader toegelicht worden.

Basis uitgangspunten

  • Cognitief-psychologen nemen de inhoud van de black box (de binnenkant van het organisme) als uitgangspunt bij het verklaren van menselijk gedrag.
  • De cognitief psycholoog wil begrijpen hoe gedrag tot stand komt. Hij vraagt zich af waarom iemand iets doet, anders gezegd wat zijn motivaties zijn.
  • Bij het begrijpen van menselijk gedrag staat het begrip informatie verwerking centraal. Een mens wordt niet meer opgevat als een robot die reageert op van buiten komende prikkels, maar als een machine die binnenkomende informatie verwerkt en daar al of niet op reageert.
  • Mensen worden binnen de cognitieve psychologie opgevat als wezens die zelfstandig richting kunnen geven aan hun leven. Volgens de cognitief psychologen komen delen van het menselijk gedrag tot stand zonder dat er aanwijsbare prikkels zijn die het gedrag uitlokken. De mens wordt opgevat als een actief en creatief wezen dat zelf zijn gedrag veroorzaakt.
  • Hoewel dieren cognitieve processen kennen, wordt in de cognitieve psychologie uitgegaan van een essentieel verschil tussen dieren en mensen. Mensen hebben de beschikken over taal, dat wil zeggen ze maken gebruik van symbolen om de werkelijkheid te ordenen. Dit cognitieve vermogen kennen dieren niet.

Verschillende uitgangspunten van de cognitieve psychologie en het behaviorisme, humanisme en psychoanalyse

Cognitieve psychologie is een reactie op het behaviorisme, de cognitieve psychologie werd niet alleen door deze kritiek gestimuleerd maar vooral door maatschappelijke ontwikkelingen.

Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog ontstond er aandacht voor communicatie processen tussen mensen. Ervaringen uit de oorlog riepen vragen op zoals hoe lang kan iemand een bericht onthouden, hoe houd je de aandacht scherp. Dit is nog steeds het geval in de huidige maatschappij bestaat grote behoefte aan cognitieve theorieën. De introspectieve methode, waarbij werd uitgegaan van wat mensen zelf vertellen, werd in de begin periode van de cognitieve psychologie als onwetenschappelijk van de hand gewezen. Deze manier van werken is nog steeds erg dominant in cognitieve psychologie, deze benadering zet zich af tegen de psychoanalyse en de humanistische psychologie waar juist wel gebruik wordt gemaakt van wat mensen zelf te melden hebben.

Model van de werkelijkheid

Een andere ontwikkeling die van invloed is geweest op het ontstaan van de cognitieve psychologie is de taalkunde geweest. De doodklap aan het behaviorisme werd door de taalkundige Chomsky toegediend. Het behaviorisme ging uit van de veronderstelling dat een kind blanco ter wereld komt en dat het een zin gehoord moet hebben voordat hij het zelf kan verwoorden. Al snel bleek dat taalontwikkeling anders loopt, taalontwikkeling bij kinderen gaat veel sneller dan je op voorgrond van imitatie processen kunt veronderstellen. Kinderen en volwassenen produceren zelf zinnen die ze nog nooit gehoord hebben.

Sociaal constructivisme

Zoals de naam al aan geeft wordt in deze theorie vooral het sociale aspect van mensen benadrukt. Hoe je de wereld waarneemt, zo stelt deze theorie, word bepaald door de taal en de kennis die in een maatschappij voor handen zijn. Ook het geheugen wordt daarbij opgevat als een sociaal verschijnsel je kan samen met je broer of zus herinneringen ophalen van vroeger.

Cognitie

Cognitie is een moeilijk te definiëren begrip, het slaat op bewerking en ontwikkeling van kennis en informatie. Bij informatie verwerking spelen veel functies een rol. Je kunt dan denken aan: oriëntatie, geheugen, waarneming, psychomotoriek, aandacht, en concentratie. Vermogen tot probleem oplossen, beoordelen, sociale aanpassing, reactievermogen, leervermogen, en intelligentie.

Waarnemingscyclus

De hypothese fase kenmerkt zich door verwachtingen van de persoon. De verwachtingen vinden hun oorsprong in de eerder opgedane kennis en in emoties uitgedrukt in een cognitief schema. Bijvoorbeeld bij de hond de kennis dat het een vierpoter is en eventueel de emotie dat je er bang voor bent. In de tweede fase staat informatieverwerving centraal. De binnenkomende informatie wordt op grond van de hypothese relevant of irrelevant geacht. Er vindt een selectie plaats. In de confirmatiefase vindt toetsing van de informatie plaats. Voldoet de informatie wel of niet aan de hypothese. Het cognitieve schema (blz 191 van het palet van de psychologie) worden bijgesteld en kan de cyclus opnieuw doorlopen worden.

Voorbeeld, in Nederland kennen we namen die zowel bij mannen als vrouwen voorkomen zoals Chris en Rene, maar de meeste mensen hebben verwachtingen bij zo`n naam stel dat je een nieuwe collega krijgt die Chris heet, op grond van jouw cognitief schema zul je waarschijnlijk een man verwachten. De waarnemingscyclus kan dan als volgt lopen: tijdens de eerste kennismaking verwacht je een man(hypothese fase), Als jij uitkijkt naar een man (informatie fase) maar een vrouw met de naam Chris zich bekend maakt(confirmatie fase) zul je je hypothese moeten bijstellen je beseft dan oh ja, een Chris kan ook een vrouw zijn.

De stadia van Cognitieve ontwikkeling van Piaget

Sensomotorische fase

Het eerste stadium, wordt de sensomotorische fase genoemd (0-2 jaar). Waarnemen en motoriek staan in deze fase centraal, in deze fase leert het kind onderscheidt te maken tussen zichzelf en de wereld. Dit gebeurd op basis van het handelen (motoriek). Het kind grijpt naar iets en het grijpen heeft effect. Eerst komt het grijpen daarna het begrijpen, het kind leert hierdoor dat hij invloed kan uitoefenen op zijn omgeving. Tijdens deze fase leert het kind objectconstantie hij leert dat als hij een object niet meer ziet of hoort het object nog wel bestaat. Als het kind dit heeft, heeft het de mogelijkheid verworven om innerlijke beelden (cognitieve schema’s) van objecten vast te houden.

Preoperationele fase

Het tweede stadium wordt de preoperationele fase genoemd (2-7 jaar). Het denken van het kind tijdens deze fase is strikt waarnemingsgebonden. Het kind kent nog geen denkprocessen die los van de waarneming staan. Bovendien kan het kind zich bij de waarneming en het denken dat daarop gebaseerd is, slechts op 1 aspect richten. Bijvoorbeeld een stukje klei waar je een poppetje van maakt is een poppetje geen stukje klei meer. Het denken van het kind is egocentrisch. Hij ziet zichzelf als centraal en almachtig het kind kan daar door denken dat gebeurtenissen door hem worden veroorzaakt, wat tot schuldgevoel kan leiden.

Doordat het kind geleerd heeft dat het zelf invloed kan uitoefenen op zijn omgeving, gaat hij achter elke waargenomen gebeurtenis een oorzaak zoeken.

Concreet operationele fase

Het derde stadium wordt de concreet operationele fase genoemd (7-11 jaar) in deze fase kan het kind minder egocentrisch zijn, het ontdekt dat er verschillende manieren van kijken zijn, dat een ander kind een ander gezichtspunt kan hebben. Het magische denken van bijvoorbeeld geloven in Sinterklaas maakt plaats voor het meer logische redeneren. Het volgende experiment is beroemd als je vloeistof van een laag en breed glas overgiet in een hoog en smal glas, wordt het vloeistof peil hoger, een kind in de preoperationele fase zal zeggen dat er meer vloeistof in het hoge glas zit, een kind in de concreet operationele fase zal zeggen dat er evenveel vloeistof in de glazen zit.

Formeel operationele stadium

Als hoogste stadium van de cognitieve ontwikkeling noemde Piaget het formeel operationele stadium (vanaf 11 jaar tot en met volwassenheid). Het kind kan in deze fase logisch redeneren, kan uit zijn hoofd rekenen en bij het experiment met het overgieten van vloeistof weet het kind het juiste antwoord te geven zonder dat hij het experiment zelf heeft waargenomen.

Attributiestijlen

Attributie slaat op de manier waarop iemand de waargenomen werkelijkheid oorzakelijk verklaart. Als een kind valt dan kan hij de oorzaak van het vallen aan een straatsteen attribueren (toeschrijven) maar ook aan zichzelf. Dit voorbeeld laat zien dat mensen bij het maken van attributies de keuze hebben tussen een interne (ik deed het zelf) en een externe (iets of iemand anders is de oorzaak). Stel dat je iemand probeert te versieren en dat je een blauwtje loopt, je wordt afgewezen. Je kunt dan onderscheidt maken tussen interne en externe oorzaken van de afwijzing. Een interne attributie is ik ben onaantrekkelijk of ik heb het verkeerd aangepakt. Een externe attributie is hij had er geen zin in of contact leggen is moeilijk voor sommige mensen. Vervolgens kun je onderscheidt maken tussen oorzaken die stabiel en blijvend zijn en oorzaken die variabel zijn. Een stabiele attributie is ik ben onaantrekkelijk of contact leggen is moeilijk voor hem. Een variabele attributie is ik pakte het verkeerd aan. Ten slot is er een onderscheid te maken tussen algemene en specifieke attributies. Een algemene attributie is: Ik ben onaantrekkelijk, een specifieke attributie is voor hem ben ik onaantrekkelijk. (Voor meer duidelijkheid zie schema blz 204/205 het palet van de psychologie).

A.B.C. Schema

Met het A.B.C schema is het mogelijk om de invloed van gedachten op emotionele problematiek duidelijk te maken. De A staat voor Activating event een gebeurtenis die een gedachten uitlokt. B staat voor Belief system, een systeem dat bestaat uit rationele en irrationele gedachten. C staat voor emotionel and behavior consequences, het zijn de consequenties waar de persoon last van heeft. Bij de C kun je onderscheid maken tussen de emotie en het gedrag dat daar opvolgt. In het Nederlandse taalgebied wordt dan ook wel gesproken van de 4 G’s: gebeurtenis, gedachten, gevoel en gedrag. Het is belangrijk als hulpverlener deze aspecten te leren onderscheiden. De evaluatieve opvattingen van een persoon staan in het hulpverleningsproces centraal. De cliënt moet geleerd worden dat niet zozeer de gebeurtenissen of andere personen zijn emoties veroorzaken, maar de gedachten die hij er zelf bij heeft.
© 2007 - 2017 Sonisch, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
mijn kijk opWaardoor ontstaat stigmatisering?Ik verklaar het probleem, stigmatisering ten aanzien van mensen met een psychische stoornis door de samenleving dat uite…
Coaching: De cognitieve benaderingCoaching: De cognitieve benaderingDe cognitieve psychologie heeft een grote invloed gehad op coaching. Uit deze psychologische benadering is de cognitieve…
Cognitieve gedragstherapie, de therapie die werkt!Bij cognitieve gedragstherapie worden theorieën van de gedragstherapie en gesprekstherapie toegepast. Deze therapie word…
Jean Piaget en zijn conservatie van vloeibare volumeDe proef van conservatie van vloeibare volume laat zien hoe anders het kinderbrein het overschenken van vloeistof in een…
Cognitieve gedragstherapie bij paniekstoornis met agorafobieCognitieve gedragstherapie bij paniekstoornis met agorafobieVeelvuldig wetenschappelijk onderzoek wijst uit dat cognitieve gedragstherapie de meest effectieve vorm van psychotherap…

Reageer op het artikel "Cognitieve psychologie (H5 Palet van de psychologie)"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Sonisch
Gepubliceerd: 21-11-2007
Rubriek: Educatie en School
Subrubriek: Samenvattingen
Schrijf mee!