Gedicht analyse van het gedicht 'Buitenkant'
Het gedicht Buitenkant is geschreven door Marieke Jonkman. In het gedicht komen verschillende vormaspecten en een achterliggende gedachte naar voren.Buitenkant
We kijken samen naar de buitenkantvan dit gebouw; ramen, deuren, geen gevaar.
Maar jij gaat dieper, je glipt mijn vensters
in en onderzoekt nerveus de binnenkant.
Wat wil je weten, wat wil je voor de donder
vinden? De opslagplaats van stuifboleten,
opgevouwen huiden, een kist vol glaswerk
en kristal? Het kastje van bewegen?
Er is geen kamer met een vrome monnik,
geen aula met een opgebaarde vriend.
Er zijn alleen maar glazen gangen
die uitzien op een beeldenrijk gazon.
Een deur ontbreekt, nooit zit ik op de witte
stoeltjes in de zon. Kom te voorschijn en rijd
een vrolijk blokje in de wagen rond.
Inhoud
In het gedicht staat beschreven hoe twee personen naar een gebouw kijken. Het is het gebouw van de ik-persoon. De andere persoon gaat op zoek naar dingen in het gebouw. De ik-persoon vraagt zich af wat hij probeert te vinden. In de derde strofe vertelt de ik-persoon wat er wel en wat er niet in het gebouw is. In de laatste strofe zegt de ik-persoon in plaats van gebouw opeens wagen. Het gaat dus niet per se om een huis, maar om iets dat wanden heeft, een vloer en een dak. Een object waar van alles in kanVormaspecten
Er komen een paar enjambementen in voor: regel 1 en 2, 3 en 4, 5 en 6, 7 en 8, 11 en 12, 14 en 15, 15 en 16.In de eerste strofe is een asyndetische opsomming te zien. De tweede strofe is eigenlijk ook een opsomming, net als de derde strofe, deze zijn ook zonder voegwoorden. Opvallend is dat er geen gebruik wordt gemaakt van rijm. Leestekens daarentegen worden op de normale manier gebruikt.
Achterliggende gedachte
Dit gebouw in de tweede regel is een metafoor voor het lichaam van de schrijfster. In de eerste strofe vertelt ze dan ook dat wij (een vriend, misschien nu nog een oppervlakkige vriend en de schrijfster) kijken naar hoe ze er uit ziet. Alleen hij kijkt verder hij bekijkt en ontdekt haar innerlijk.In de tweede strofe vraagt ze zich af waar hij achter probeert te komen. Alles dat ze opnoemt: stuifboleten, opgevouwen huiden, een kist vol glaswerk en kristal daar bedoelt ze ervaringen mee, haar geschiedenis die ze met zich mee draagt in haar herinneringen.
In de derde strofe verklaart ze dat er geen vrome monnik is, ze is dus niet onschuldig op het gebied van de liefde, ze heeft op zich wel wat mee gemaakt. Er is ook geen opgebaarde vriend ze heeft dus geen groot verlies geleden, niet veel verdriet. Ze heeft glazen gangen en een beeldenrijk gazon dit staat er volgens mij voor dat ze makkelijk denkt, best leeg is, dingen snel vergeet en alleen de goede herinneringen bewaart.
Toch zegt ze in de laatste strofe dat ze nooit op de witte stoeltjes zit daarmee bedoelt ze volgens mij dat ze de goede dingen wel onthoud maar er verder niets meer mee kan, ze geniet er niet van. Met de laatste zin kom te voorschijn en rijd een vrolijk blokje in de wagen rond bedoelt ze dat ze hem uitnodigt om even in haar leven te zijn, het wordt een makkelijke, luchtige, oppervlakkige vriend voor eventjes. Daarna gaat zij weer zonder hem verder.