Ontstaansgeschiedenis Hebreeuwse Universiteit Jeruzalem
De Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem, opgericht in 1918, is één van de meest vooraanstaande universiteiten van Israël. Zij speelde een belangrijke rol in de beginjaren van de staat Israël, als centrum van Joodse cultuur in Israël. Wel moesten er veel hordes genomen worden voor de universiteit kon uitgroeien tot wat zij vandaag de dag is.Vroegste geschiedenis van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem
Het idee voor een Joodse universiteit in Jeruzalem ontstond al in de tweede helft van de 19e eeuw in Joodse Europese gemeenschappen, als deel van de Zionistische droom. Rabbijn en professor in de wiskunde Zvi Hermann Shapira publiceerde artikelen waarin hij pleitte voor een Joodse universiteit in Jeruzalem. Hij presenteerde zijn ideeën ook op het eerste Internationale Zionisten Congres in 1897. Hier werd echter nog geen beslissing genomen. Wel gingen ook anderen met het idee aan de slag, waaronder invloedrijke personen zoals Chaim Weizmann, een scheikundige die later de eerste President van Israël zou worden. Samen met Martin Buber en Berthold Feivel publiceerde hij een pamflet met het idee voor een Joodse universiteit, zelfs voordat Weizmann zelf Jeruzalem bezocht had. Uiteindelijk werd in 1913, op het elfde Internationale Zionisten Congres, besloten dat er een Joodse universiteit opgericht zou worden in Jeruzalem, met Hebreeuws als spreektaal. Dit laatste was van belang, aangezien rond die tijd de 'strijd tussen de talen' uitbrak, die ging over de vraag of Duits of Hebreeuws de spreektaal zou worden in het nieuw op te richten Joodse thuisland. Er werd een universiteitscommissie samengesteld onder leiding van Weizmann. Deze commissie legde contact met Joodse wetenschappers wereldwijd en kocht grond aan op Mount Scopus, de plaats waar de eerste campus zou komen.De Universiteit tijdens het Brits Mandaat
De opening van de Hebreeuwse Universiteit
1918 markeerde voor de Joden in Palestina (op dat moment rond de 70.000) niet alleen het einde van de Eerste Wereldoorlog, het luidde ook een nieuwe periode in voor de bewoners van Palestina: die van het Brits Mandaat. Met de ondergang van het Ottomaanse Rijk, waar Palestina tot dan toe deel van uitmaakte, kwam het gebied onder Brits gezag. 1 juli van hetzelfde jaar was een belangrijke dag; de eerste stenen van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem werden gelegd. Nog bijna zeven jaar later was het dan echt zover: de officiële opening van de universiteit, onder toeziend oog van hoge Britse ambtenaren, waaronder Lord Balfour.De eerste jaren, een moeizaam begin
De jaren na de opening van de universiteit worden gekenmerkt door verschillende problemen. In de eerste plaats was er sprake van een doorlopend tekort aan geld. De universiteit was grotendeels afhankelijk van giften uit de Joodse Diaspora. Door verschillende factoren, zoals de economische crisis die de wereld in 1930 raakte en de opkomst van het Nazisme, werd de universiteit financieel hard geraakt.Samenhangend met het bovengenoemde punt, veroorzaakten de financiële zorgen ook een bepaalde druk om tegemoet te komen aan donors. Dit had als gevolg dat de universiteit onder leiding van Yehuda Leib Magnes zwaar beïnvloed werd door geldschieters uit de Verenigde Staten. In 1935 werd de koers volledig omgegooid en kregen academici meer inspraak.
Logischerwijs had de universiteit geen makkelijke taak in het werven van zowel studenten als personeel. De staat Israël bestond nog niet en de Joodse gemeenschap werd gekenmerkt door haar pioniersmentaliteit. Het land bewerken was voor veel Joodse immigranten de ultieme droom in Eretz Yisrael. Veel studenten werkten naast hun studie aan de bouw van de universiteit en volgden daarna hun lessen. Goed academisch personeel vinden dat in deze moeilijke omstandigheden wilde werken, bleek ook niet makkelijk.
Tenslotte woedde er een strijd over de inhoud van het onderwijs. Enerzijds was er het kamp dat van mening was dat Joodse Studies geconcentreerd moest zijn rond het rabbinale Jodendom en dat voor deze studie een belangrijke rol weggelegd moest worden. De tegenstanders van deze groep wezen op het gevaar dat het gewenste academische niveau hiermee niet gehaald kon worden. Deze groep pleitte voor een bescheidener plaats van Joodse Studies, en wilden meer aandacht voor algemene onderwerpen.