InfoNu.nl > Educatie en School > Werkstuk > Invloed van overzeese bedrijven op economie van de Republiek

Invloed van overzeese bedrijven op economie van de Republiek

In de Gouden Eeuw van de Nederlanden (in die tijd 'de Republiek') was Nederland enorm welvarend. Maar de economische groei van de Republiek kwam niet zomaar. Vooral door handel werd de welvaart flink verbeterd. Een grote invloed hierin hadden de overzeese bedrijven, waarvan de VOC en de WIC de grootste waren. De VOC hield zich vooral bezig met de handel in Azië, die vooral bestond uit specerijenhandel. De Portugezen hadden een groot gedeelte van deze handel in handen, maar de VOC slaagde erin om op veel producten een monopolie te bemachtigen. In dit artikel wordt verder onderzoek uitgewerkt en wordt duidelijk wat de invloed van deze omvangrijke bedrijven was in de economische groei van de Republiek. Dit artikel behandelt verschillende deelonderwerpen/deelvragen over hoe het kwam dat de overzeese bedrijven in de tijd van De Republiek zo winstgevend waren.

Hoe ontstonden de twee belangrijkste overzeese bedrijven, de VOC en de WIC?

De Republiek had in de periode tussen 1602 en 1672 een toppositie in de wereldhandel, wat een gigantische groei van de welvaart met zich mee bracht. Mede verantwoordelijk hiervoor waren de overzeese bedrijven, waarvan de VOC en de WIC de belangrijkste twee waren.

Verenigde Oost-Indische Compagnie

De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) was in de zeventiende en achttiende eeuw de grootste handels- en scheepvaartonderneming ter wereld. Het bedrijf runde in die twee eeuwen ruim vijfhonderd schepen en verschafte werk aan meer dan een miljoen mensen, in Nederland en in Azië. Dit bedrijf was ontstaan aan het einde van de zestiende eeuw. Nederlandse kooplieden mochten toen niet meer profiteren van de winsten die de Portugese overzeese bedrijven, voornamelijk verdiend aan de handelen in peper. In 1595 waagden een groepje Amsterdammers een poging een soortgelijk bedrijf op te zetten. Zij stichtte een onderneming (een compagnie), wat in die tijd gebruikelijk was. Samen zonden zij vier schepen naar Azië. De reis ging volgens verwachting en meer Nederlandse kooplieden wilden dit kunstje nadoen. In vijf jaar tijd zeilden er al vijftien Nederlandse vloten naar Azië, wat de nodige concurrentiestrijd met zich mee bracht. Dat was niet gunstig voor de totale winst, want Azië zag kans de prijs omhoog te gooien en in Europa werd de verkoopprijs steeds lager. Dus moest er iets gebeuren, vond de Staten Generaal. Deze dwong kooplieden samen te gaan werken. In 1602 werd officieel de VOC opgericht. Dit bedrijf kreeg hiermee het monopolie op alle Nederlandse handel en scheepvaart op Azië. De VOC kreeg zelfs toestemming om namens de Staten Generaal oorlog te voeren en verdragen te sluiten met Aziatische vorsten, in Azië forten en handelsposten te bouwen, soldaten te legeren en bestuurders aan te stellen. Dit was een heel bijzonder recht, wat in een octrooi vast werd gesteld, dat geldig was tot 1623. Daarna werd het octrooi verschillende keren verlengd.

De VOC aandeelhouders waren afkomstig uit alle lagen van de bevolking, zoals kooplieden, werklieden en weduwen. Zij moesten hun geld voor minimaal tien jaar inleggen, dus konden het niet na een mislukte expeditie terugvragen. Je kan dus zeggen dat de VOC een naamloze vennootschap was. De Compagnie had Kamers (vestigingen) in Amsterdam, Middelburg, Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen. Directeuren van de Kamers regelden alles in die regio, van het bouwen van schepen tot het inkopen en veilen van goederen. Het centrale bestuur van de VOC werd ‘Heren Zeventien’ genoemd, wat bestond uit alle directeuren van de verschillende Kamers. Amsterdam was de belangrijkste Kamer, zij namen de helft van alle taken op zich. Ook lag in Amsterdam de grootste scheepswerf.

De Kamers wierven ook de bemanning, wat in die tijd geen makkelijke opgave was. De arbeidsomstandigheden waren bij de Compagnie slecht, in vergelijking met andere Europese havens. Ook de voorwaarden werkten niet echt mee, omdat werknemers een contract moesten tekenen van minimaal 5 jaar. Hoewel het schip goed onderhouden werd, ook tijdens de reis, was het altijd een puinhoop. Ziektes waren onvermijdelijk, en omdat er tot wel 300 zeelieden en soldaten op een schip zaten werden deze ziektes snel verspreid. Ook het eten op de schepen was niet goed, het bevatte genoeg calorieën, maar had een tekort aan vetten en vitaminen. ’s Ochtends kreeg de bemanning in boter gekookte gort. Het middagmaal bestond uit grauwe erwten met gezouten vlees, stokvis of spek in botersaus. ’s Avonds at de bemanning het overgebleven eten.

Tegenover al deze ontberingen stond het voordeel dat de vaste contractperiode de zeeman voor lange tijd zowel werk als kost en inwoning bood. Het gaf bovendien zijn familie enige zekerheid en verzorging, omdat de Compagnie op verzoek van de zeeman een deel van zijn loon aan de achterblijvers in Nederland uitbetaalde.

De VOC kon haar zeelieden dus niet uitkiezen en moest genoegen nemen met wie zich aanmeldde, vaak ongezond en ongetraind volk. Velen waren geboren in de laagste sociale milieus of opgegroeid in weeshuizen en hadden in het geheel geen zeebenen. Een groot aantal van hen, een kwart tot de helft, was afkomstig uit het buitenland, Scandinavië of Duitsland. Noodgedwongen werden dus deze mensen aangenomen.

De schepen die vertrokken uit Nederland hadden verschillende producten bij zich, waarvan goud en zilver de belangrijkste waren. Daarvan werden de producten uit Azië gekocht, om die op de Europese markt te verkopen. Andere goederen, zoals textiel, wijnen, materiaal voor het repareren van schepen, kleding voor de zeelieden en soldaten en bouwmateriaal voor Nederlandse huizen en forten in Azië.

De schepen begonnen hun reis in Texel, Rammekens of Goeree. Zij voeren naar open zee, door Het Kanaal richting Portugal. Wind en zeestromen bepaalden de verdere route. Vaak langs de Braziliaanse kust koersten de schepen naar Kaap de Goede Hoop. Daar had de Compagnie een verplicht verversingsstation ingericht. De VOC schepen haalden er vers water aan boord, en verse groenten en vlees. Zieke bemanningsleden werden voor hun herstel naar een speciaal Compagnieziekenhuis gebracht. De meeste schepen bleven vier weken aan de Kaap liggen, daarna zeilden zij volgens de voorschriften eerst in zuidelijke richting tot ongeveer de veertigste breedtegraad. Daar waaide permanent de wind in de juiste richting, waardoor de schepen snel in oostelijke richting hun tocht over de Indische Oceaan voort konden brengen. Wanneer de schippers hun koers naar het noorden in moesten zetten, ging in die tijd op gevoel. Op slechts vier van de achtenveertighonderd tochten kwam voor dat een schipper te laat naar het noorden voer. Dat benadrukt de vakkundigheid van de schippers.

Na een reis van vijftienduizend zeemijl, die doorgaans 8 maanden duurde, kwam het VOC schip aan op Batavia, tegenwoordig Jakarta. De stad was in 1619 gesticht als bestuurscentrum van de VOC, als verzamelplaats voor haar schepen en als overslaghaven. Ook zetelde hier de Hoge Regering, in het Kasteel Batavia. Dit college coördineerde alle VOC activiteiten in Azië. Omdat de orders vanuit Nederland vaak maanden onderweg waren, bestuurde deze Regering grotendeels alleen.

Overal langs de oude en belangrijke Aziatische handelsroutes werden kantoren gesticht om eenvoudiger producten voor Europa te kunnen verzamelen. Europese producten waren vaak te duur voor de Aziatische markt, of er was simpelweg geen vraag naar. Daarom kocht de Compagnie met het zilver dat zij uit Europa aanvoerde bijvoorbeeld in China ruwe zijde voor de Japanse markt. In Japan verhandelden de kooplieden de zijde tegen goud en koper. Die goederen werden naar India geëxporteerd, waar zij het goud en koper ruilde voor textiel, en de Indiase stoffen verhandelden de Nederlanders ten slotte in de Indonesische archipel tegen specerijen voor de Europese markt. Zo steeg de winst steeds verder.

De VOC stichtte het handelsnetwerk met een combinatie van militair geweld, commerciële contacten en diplomatiek overleg. Allereerst verdreven de Nederlanders met harde hand de Portugezen en andere Europese concurrenten uit de Molukken, destijds het enige productiegebied van kruidnagel, foelie en nootmuskaat ter wereld. Door de lokale bevolking en inheemse bestuurders met contracten aan zich te binden, te onderwerpen of uit te moorden kreeg de Compagnie het monopolie in de specerijenhandel. Later veroverde de VOC op deze wijze het kaneeleiland Ceylon.

Westindische Compagnie

Scheepvaart en handel in het Atlantisch gebied buiten Europa waren oorspronkelijk in handen van Spanjaarden en Portugezen. Grote afwezigen in het Atlantisch gebied waren de zeevaarders uit de Noordelijke Nederlanden, die daar nog niet actief waren.
Ideeën rond de stichting van een compagnie die de totale handel en scheepvaart in het Atlantisch gebied onder haar hoede zou moeten nemen, bestonden al heel lang. De eerste die dit voorstelde was Willem Usselincx, een in Antwerpen geboren koopman. Voor hij naar de Republiek trok had hij veel geld verdiend met de handel op het Iberisch schiereiland en de Azoren. Hij onderhield goede contacten met invloedrijke burgers, waardoor hij een imposante achterban creëerde. Die achterban juichte de oprichting van een Westindische Compagnie toe (WIC), als wapen in de strijd tegen Spanje. Maar Usselincx wilde meer dan alleen strijd, hij wilde
koloniën stichten. Volgens het plan zouden de koloniën Nederland van grondstoffen voorzien, terwijl de Republiek de benodigde producten zou leveren.

Dat Spanje het stichten van koloniën niet zouden toejuichen, was natuurlijk logisch. Toch had de Republiek voordelen, het strijdtoneel zou zich naar de verre gewesten verplaatsen, de Spaanse heerschappij zou afnemen, terwijl de welvaart van de Republiek zou toenemen. De plannen van Usselincx waren toentertijd nog onhaalbaar. De handel in de gewesten moest
nog opgebouwd worden en het was nog maar de vraag of het het gewenste resultaat zou opleveren. Ook waren de redenen tot oprichting niet duidelijk, zoals dat het geval was bij de VOC.

Wel was de concurrentie in de handel op het Atlantisch gebied veel minder dan in Azië. De vaart op Afrika en Amerika bood voldoende ruimte. Wel varen de Staten van Holland en Zeeland bereid particuliere initiatieven te ondersteunen. De compagnie die Usselincx voor ogen had, moest zich vooral bezighouden met het stichten en beheren van landbouwkoloniën.
Zijn plan viel in de smaak in Zeeland en Holland, waar veel geld te investeren was. De Staten-Generaal was nog niet overtuigd en zond een expeditie uit ter oriëntatie. Deze kwam terug met kisten vol suiker en enig goud en zilver terug, maar was er niet in geslaagd een fort te bouwen, wat het doel was. De plannen van de compagnie werden bijgesteld en zou zich volledig richten op de handel en scheepvaart in het Atlantisch gebied. De Westindische Compagnie zou het monopolie verkrijgen voor de vaart op Afrika en op Amerika. Verder zou zij, evenals de VOC, over juridische en militaire bevoegdheid beschikken.

De tachtigjarige oorlog werd door de Noordelijke Nederlanden aangegrepen om de Spaanse koloniën in Amerika binnen te dringen. Directe aanleiding daartoe was het sluiten van de Spaanse havens voor Nederlandse kooplui, waardoor een gebrek aan zout ontstond. De visserij had het hier erg moeilijk mee. Zeelui staken de Atlantische Oceaan over en gingen op zoek naar zout langs de kust van Venezuela en in het Caribische gebied. Na het twaalfjarig bestand (de langdurige wapenstilstand) was het doel grote winsten te halen. Zo werd in 1621 de Westindische Compagnie opgericht. De redenen om naar Amerika te trekken waren uiteenlopend. Sommigen probeerde Spaanse zilvervloten te onderscheppen, wat totdat Piet Hein het probeerde als kansloos werd gezien. Kolonisten wilde plantages gaan leiden en avonturiers richtte handelsposten op voor de kooplieden, die succesvol gingen handelen. Nederlanders vestigden zich onder meer in Brazilië, Noord-Amerika, Guyana en het Caribische gebied. De meeste plannen mislukte, velen kwamen om ten gevolge van honger of tropische ziekten. Kooplui gingen failliet, veroveraars werden weggejaagd.

Het meest winstgevend was de WIC in de handel in slaven. Een onderneming die was begonnen met het halen van zout wist zichzelf door de slavenhandel moeizaam in stand te houden.

De organisatie van de WIC was vrij eenvoudig, in de deelnemende gewesten zaten Kamers, net zo als bij de VOC. Deze Kamers zaten in Amsterdam, Middelburg, Groningen en Friesland, Rotterdam en Hoorn. Van daaruit werd alles geregeld.

Hoe gingen de overzeese bedrijven te werk in hun handelsgebied?

VOC

Een uitgestrekt netwerk van handelsposten maakte de VOC in Azië tot een machtig bedrijf. Geen enkele Aziatisch bedrijf was in staat om zo’n netwerk van contacten op te bouwen. Ook Europese bedrijven konden de successen van de VOC niet evenaren. In de kruitnagel- of foeliehandel was alleen geld te verdienen als het aanbod op de Europese markt niet te groot was. De VOC liet de teelt van de gewassen over aan de inheemse bevolking, die verplicht werd de hele oogst af te geven. Ondanks dat werd niet alles zomaar afgegeven. De VOC had weinig zicht op wat er allemaal geplukt werd. Vaak verdween een deel van de oogst. Alleen de foelie- en nootmuskaatteelt was in handen van de Nederlanders. In de peperhandel werd het op een andere manier aangepakt. Lokale vorsten beloofden hun peper tegen een lage vaste prijs te verkopen, in ruil voor militaire bescherming tegen elke vijand. In zulke landen was de steun van de VOC heel belangrijk, dus de hoeveelheden peper werd steeds groter.

Jan Pieterszoon Coen was een Nederlandse koopman, die in dienst was van de VOC. In zowel Nederland als in Azië is Coen het symbool van alles wat bruut, slecht en fout was aan De Republiek. Hij maakte de havenplaats Jakarta met de grond gelijk om Batavia te kunnen bouwen en hij trad genadeloos op in de Molukken. Sinds de oprichting van de VOC hadden ze contact met de leiders van Banda, een eilandengroep in Azië. De bevolking zou alle foelie en nootmuskaat aan de Nederlanders leveren. Zij weigerde dit echter te leveren, omdat de VOC de beloofde kleding en voedsel niet kon leveren. Noodgedwongen voerden zij handel met andere Europese en Aziatische bedrijven.

In 1621 arriveerde Coen met een grote vloot en zo’n twaalfhonderd man op Banda. Zonder waarschuwing gingen zij aan land en begonnen de grootste moordpartij ui de geschiedenis van de VOC, ruim vijftienduizend Bandanezen werden vermoord, verdreven of gevangen genomen. Naar zijn idee kon de VOC alleen winstgevend zijn als bepaalde plaatsen in Azië in handen waren van Nederland, zo ook Banda.

De muskaatteelt op Banda moest weer worden hersteld en werd volledig opgebouwd. Er werden ongeveer achtenzestig tuinen aangelegd, die werden onderhouden door slaven uit onder andere Java. Een kleine groep Bandanezen leerde de slaven hoe ze moesten werken. Deze manier van werken was binnen de VOC uniek. Nergens in Azië legden zij zelf de plantages aan voor de teelt van gewassen. Zij liet de productie over aan de inheemse volken die de noodzakelijke kennis en ervaring bezat. Pas aan het einde van de achttiende eeuw begon de VOC op Ceylon kaneeltuinen aan te leggen en op Java peper- en koffieplantages. De Compagnie wilde op deze manier de winsten verhogen. Banda was eeuwenlang de enige plaats ter wereld waar muskaat groeide.

Bantam, op de kust van Java, was in de zeventiende eeuw een bruisende haven waar kooplieden uit alle delen van de wereld peper kwamen kopen. Chinezen domineerde de handel, omdat er in China een grote vraag naar peper bestond. Maar ook Engelsen en Deense kooplieden waren belangrijke handelaren. De drukte rond dat eiland was niet in het voordeel van de VOC. Zij lagen in de weg voor de peperhandel van de VOC en bedreigde de positie van Batavia, er waren al een aantal pogingen gedaan om de VOC van het eiland te verdrijven. VOC soldaten landden op de kust van Java en onderwierpen de haven met geweld.

De VOC sloot met de nieuwe sultan een contract dat hem verplichtte alle peper voor een lage prijs aan de Compagnie te leveren. Ook werd de haven afgesloten voor Europese concurrenten. In ruil hiervoor kreeg de sultan militaire bescherming en kreeg hij goed betaald voor de peper. Door de bezetting van Bantam kreeg de Compagnie de best mogelijke positie op de pepermarkt. Een monopolie was niet mogelijk omdat de gebieden waar peper werd verhandeld veel te uitgebreid waren. Peper was, naast dat het enorme winsten opleverde, een handig ruilmiddel om binnen de Aziatische markt andere producten te kopen, zoals Indiase stoffen en Chinese thee.

Ook de handel in kaneel, wat van het eiland Ceylon af kwam, was volledig in handen van de Portugezen. Van Spilbergen was de eerste Nederlander die naar het eiland voer. Hij bezocht daar de belangrijke mensen en maakte belangrijke contacten. Een paar jaar later vroeg de vorst van dit eiland de Nederlanders om hulp. Hij wilde dat de Portugezen van zijn eiland verdwenen, en vroeg de Nederlanders om hen te verdrijven. Omdat de vorst zijn schulden aan de Nederlanders niet af kon betalen, bezette zij de Portugese forten en dwongen zo een handelsmonopolie af. Zo had de VOC weer een monopolie afgedwongen.

Ook waren de Portugezen als eerst in Japan. Toen de VOC ook in Japan arriveerde, gaf Japan toestemming handelsposten te bouwen en te onderhouden. Rond 1640 werden de Portugezen verboden naar Japan te reizen. Zij hadden grote groepen Japanners bekeerd tot het christendom, wat werd gezien als iets slechts. De handelsposten van de VOC werden onder gebracht op een klein eiland aan de kunst van Nagasaki, waar de overheid deze posten goed kon controleren. Het belangrijkste handelsproduct was zilver, daar kon de VOC overal in Azië handel mee drijven. Zo had de VOC een grote voorsprong op andere Europese handelsbedrijven, zij moesten hun zilver mee uit Europa nemen, wat meer tijd en ruimte kostte. Toen een aantal jaar later de zilvermijnen leeg begonnen te raken, beperkte Japan de handel. Daarentegen ging de VOC voornamelijk in koper (goed voor de handel met India), lakwerk en porselein handelen.

In China waren alle Europese handelsposten naast elkaar aan de oever van de Parelrivier. De Nederlanders hadden veel profijt van hun uitgestrekte handelsnetwerken in Azië, zij konden gemakkelijker met China handelen dan Europese concurrenten. Zij betaalde voor hun Chinese thee met elders in Azië aangekochte peper en tin. De concurrenten uit andere Europese landen moesten betalen met zilver, wat zij meevoeren uit Europa. Zo waren de Nederlanders beter voorbereid en was het voor China gunstiger om te handelen met Nederland.

De Nederlanders hadden al snel door dat niet alleen China liever betaald kreeg in Indiase stoffen dan met Europees zilvergeld. Daarom besloot de VOC in India handelsposten op te zetten. Ook andere Europese compagnieën kwamen naar India. De activiteiten van Portugese of Deense kooplieden vormden echter nauwelijks een bedreiging. Alleen de Engelsen waren grote concurrenten. Omdat andere Engelse compagnieën niet succesvol waren, concentreerden zij zich volledig op de handel in Indiase producten. De VOC was lange tijd de machtigste koopman in India. Dankzij hun monopoliepositie in de Molukken en Japan konden worden verkocht. Ook had alleen de Compagnie dankzij het uitgestrekte handelsnetwerk in Azië een grote afzetmarkt voor de stoffen uit India die vrijwel overal gevraagd waren. Voor Aziatische landen was Nederland dus een aantrekkelijke klant geworden.

WIC

De Spaanse koning, Filips II werd aangeraden de Hollanders kort te houden en geen enkele vorm van handel toe te staan. Dus werden de meeste Hollandse schepen in Spaanse havens in beslag genomen. De zouthandel werd verboden. Maar, zouthandel was van levensbelang voor veel vissers, een van de pijlers van de welvaart in de Noordelijke Nederlanden. Een schipper voer Spanje voorbij en keerde terug met een flinke lading zout, afkomstig van de Kaapverdische eilanden. Reizen naar het zuiden volgden en ten slotte werd de Atlantische Oceaan overgestoken met het doel de kust van Brazilië te bereiken, waar veel zout te vinden was. Na verdere speurtochten ontdekte men Punta de Arya, aan de noordkust van Venezuela waar volop zou te winnen was. Ondanks herhaalde Spaanse aanvallen nam het aantal zouthalers gestaag toe, langs de kust van Venezuela ontstonden handelsposten.

Op de plantages in Brazilië werkten duizenden negerslaven. De Portugezen waren evenals de Spanjaarden vertrouwd met de slavernij. In die tijd was het gebruikelijk slaven te hebben. De slavernij in Noord- en Zuid Amerika ging gepaard met mensenhandel.

Toen Spanje en Portugal in Midden- en Zuid Amerika actief begonnen te worden, werden de Indianen vaker en vaker beroofd van hun goud en zilver en vervolgens gedwongen op plantages te werken. Tienduizenden Indianen stierven daar, onder barre omstandigheden. Het werk was vaak te zwaar, ze kregen niet genoeg te eten en kregen niet genoeg slaap. Ondanks afkeurende blikken van grote leiders ging de slavernij door. Steeds groter werd de handel daarin. Inmiddels werden hele streken uitgeroeid. In het Caribische gebied waren op een aantal plaatsen de oorspronkelijke inwoners uitgestorven. Zwarte slaven konden beter tegen het klimaat dan de oorspronkelijke Indianen. Spaanse handelaren gingen dus zwarte slaven gebruiken, om de Indianen te sparen. Echter hadden de Spanjaarden een probleem. Ze konden zelf geen slaven uit Afrika halen, omdat dat gebied volgens het verdrag van Tordesillas Portugees gebied was. Om dit probleem op te lossen werden er verdragen gesloten met asientos. Later, in omstreeks 1640, werden lange tijd geen contracten meer afgesloten en van die omstandigheden maakte de WIC dankbaar gebruik.

De eerste confrontatie met slavernij vond in Nederland plaats in 1596. Een schiplading vol mensen moest als slaaf worden verkocht. Echter, dit ging niet door en de zwarten werden vrijgelaten. Die houding veranderde toen de WIC koloniën begon te stichten. Na de successen in Brazilië kwam men er al snel achter dat de suikerplantages alleen rendabel zouden kunnen zijn als er slaven werden ingezet. ‘Zonder negers en ossen komt er van Pernambuco niets terecht.’

Het was voor de WIC natuurlijk het voordeligst als zij zelf de slaven zou halen. Als de WIC in de slavenhandel zou gaan, konden de vrachtschepen voortaan de aan de driehoekshandel deelnemen.

De WIC probeerde de monopolie op de slavenhandel te behouden, maar in 1675 moest dit idee worden losgelaten. Voortaan konden particulieren slaven kopen op Curaçao. Vanaf 1734 werd de slavenhandel volledig vrijgegeven met als voorwaarde dat er per slaaf een vergoeding aan de Compagnie werd betaald. Naast steden met een Kamer waren vooral de Zeeuwen die een groot aandeel in de slavenhandel hadden, tot soms wel 6300 slaven per seizoen. De WIC had voortduren last van illegale handelaars die slaven opkochten, vaak tegen een hogere prijs dan de WIC betaalde. Die zogenaamde lorrendraaiers voeren met hun lading de havens van Spaanse koloniën in, en verkochten daar een aantal van de slaven. Vervolgens werd de rest van de lading verkocht, vaak tegen grote winsten. Dat er op plantages steeds weer nieuwe slaven nodig waren, was wel duidelijk. ‘It is cheaper to buy than to breed.’, zeiden de Engelsen. De winsten die erop konden worden gemaakt trok de meeste handelaren wel aan. Ondanks de gevaren die men liep op het hoge aantal sterfgevallen onderweg.

Om greep te krijgen moest er dus wat gebeuren. Daarom legde de WIC een slavendepot aan de westkust van Afrika aan. Daarmee begaf de WIC zich op Portugees grondgebied, met als belangrijkste fort Elmina. Verschillende pogingen werden er ondernomen om het fort te veroveren. Een mislukte aanval vond bijvoorbeeld 1626 plaats, waarbij de Portugese gouverneur neger in had gezet tegen de Nederlanders. Zij werden in een hinderlaag verrast door de negers. Omdat de negers de uniformen van de Nederlanders netjes in handen wilden krijgen, moesten zij zich eerst uitkleden voor ze werden onthoofd. Daardoor zagen een aantal kans te ontsnappen. Het verlies bleef daardoor beperkt, ruim 400 man kwamen om. In 1637 had een aanval met kanonnen vanaf een hoog punt meer succes. Heel gemakkelijk werd Elmina ingenomen. Ook daar was de drive om handel te drijven aanwezig. Ze begonnen met het verbouwen van sla, sinaasappels, bananen, suikerriet en kool. Deze producten zouden een grote rol blijven spelen in de Afrikaanse economie.

Bij het inkopen van slaven kwam het vooral aan op goede contacten met inlandse vorsten. De Portugezen hadden het wel op andere manieren geprobeerd, bijvoorbeeld door het overvallen van dorpen en slaven buit te maken. Maar de risico’s hierbij bleken te groot. Dus werden gespecialiseerde handelaren in het leven geroepen. Zij haalden hun slaven overal vandaan. Als er oorlogen waren werden gevangenen als slaven gezien. Daarom had de WIC er baat bij dat er regelmatig onrust heerste. In het begin konden slavenhandelaars nog betaald worden met kralen en afgedankte uniformen. Maar als snel veranderde dat. Zoals een Franse koopman ook merkte:
‘De zwarten aan de Goudkust zijn heel goed op de hoogte van de aard van de Europese waren en artikelen die hier worden verkocht. Ze zijn zelfs heel kieskeurig, omdat ze zo dikwijls door Europeanen zijn bedrogen.’
De lorrendraaiers betaalden de inheemse vorsten met drank, kruit en wapens.

De aangevoerde slaven werden eerst gekeurd door chirurgijns, die stevige eisen stelde. Men wilde geen ‘verckenslubbers of kattensnyders met een Hardewijksche kackbulle’. Als de slaven aan de eisen voldoen worden ze gebrandmerkt en overgebracht naar een depot. Later werden zij vervoerd in grote schepen, waar de slaven dicht op elkaar geplaatst werden. De toestanden op zo’n schip waren verschrikkelijk. De slaven werden aan elkaar geketend, als er een opstand uitbrak hoefde de ketting slechts worden aangetrokken en sloegen alle slaven tegen de muur. Om de slaven in conditie te houden werden ze in gedeelten gelucht en gedwongen te dansen en te zingen. De bemanning hield boordkanonnen in de aanslag om opstanden te voorkomen. De slaven probeerde uit wanhoop over boord te springen of een eind aan hun leven te maken door in hongerstaking te gaan, hun tong in te slikken. De hitte binnen het schip was soms zo groot dat slaven stikten.

De bemanning op zulke schepen waren wreed. Ze misbruikte slavinnen en zeelui dat ziek of zwak was werd zonder pardon in een vreemde haven achtergelaten.

Welke invloed hadden overzeese bedrijven op de economische groei van de Republiek?

Lang werd gedacht dat de Republiek haar economische bloei te danken had aan de handel. Echter speelden ook landbouw en nijverheid hierin een belangrijke rol. De handel die de Republiek kende was ondenkbaar zonder de scheepvaart. De twee grootste overzeese bedrijven waren de VOC en de WIC.

Na 1585 breidde de handel en de scheepvaart zich snel uit. Amsterdam speelde hierin een belangrijke rol. Antwerpen was voorheen het onomstreden centrum als het om Europese handel ging. Door de gigantische groei in Amsterdam was dat als snel voorbij. Antwerpen werd lastiger te bereiken en Amsterdam had heel wat voordelen. Al snel had Nederland de grootste afzet. Contacten over de hele wereld zorgen ervoor dat handel drijven makkelijker werd.

De overzeese handel werd beschouwd als hoeksteen van de economie van de Republiek. De handel werd steeds groter en als snel werd er verder gekeken dan alleen Europa. Handelsroutes naar Azië werden uitgestippeld en verschillende testroutes werden gevaren. Om de risico’s zo klein mogelijk te maken gingen bedrijven samen werken in compagnieën.

De Republiek genoot van de successen van de overzeese bedrijven. Door de internationale handelscontacten ontstond in Amsterdam een stapelmarkt waar de producten samen kwamen. Dit verschafte veel werk voor de inwoners van Holland. Bemanningsleden voor de overzeese tochten werden veelvuldig uit Holland gehaald en vooral de activiteiten in de havens verschafte veel werkgelegenheid. Holland liep economisch flink voor op de rest van de Nederlanden. Er waren grote verschillen tussen regio’s. Holland en Zeeland waren de provincies met de grootste economische groei. Voor de hand ligt dan natuurlijk om te zeggen dat dit ten gevolge van de overzeese bedrijven was. Toch waren er nog andere oorzaken te noemen.

Een groot deel van de beroepsbevolking in het oosten was werkzaam als boer. Zij waren vaak zelfvoorzienend en dus was er, op dat gebied, geen handel nodig. Deze boeren waren niet geïnteresseerd in handel, met een uitzondering daar gelaten. Bijvoorbeeld in Arnhem waren de boeren, mede door de goede verbinding met Amsterdam, wel geïnteresseerd in handel. Vooral tabak werd door deze boeren veel geëxporteerd. Ook lag de nijverheid in deze gebieden flink achter op Holland en Zeeland.

De verkoop van Aziatische goederen heeft tussen 1602 en 1795 ongeveer 2,2 miljard gulden opgebracht, dat werd verdeeld onder meer dan een miljoen werknemers, duizenden aandeelhouders en bewindhebbers. Vele bedrijven, winkels en particulieren hebben gedurende twee eeuwen aan de VOC verdiend, ook in de jaren dat de Compagnie een wat mindere periode kende. De economie van de Republiek heeft hier dus zeker een flinke duw in de goede richting van gekregen. Je kan dus wel stellen dat zonder de overzeese bedrijven de economische groei een stuk minder zou zijn geweest. Handel zou dan in veel kleinere mate mogelijk zijn geweest.

Welke invloed had de val van de VOC op de Republiek?

Het enorme verlies aan mankracht was voor de VOC een steeds groter probleem. Het werd steeds moeilijker om in de Republiek aan mankracht te komen. Rond 1790 konden veel schepen door personeelsgebrek niet vertrekken. Dit was niet goed voor de financiële gesteldheid van de VOC. Uiteindelijk ging het grootste bedrijf ter wereld in 1799 failliet. Ook andere factoren speelde daarin een rol.

De ondergang van de VOC heeft vanaf de 18e eeuw veel speculaties gebracht. De werkelijke reden blijft tot nu toe onbekend. Kwam het door het slechte bestuur, de gebrekkige boekhouding of toch door de groeiende kosten? De meeste historici vinden dat het bedrijf uiteindelijk te groot werd om goed te besturen. De leiders onderschatte de grootte van het bedrijf en de leiding die het nodig had.

Anderen zeggen dat de smalle financiële basis het zwakste punt was. Het oorspronkelijke aandelenkapitaal van 6.5 miljoen gulden is nooit uitgebreid. Zij financierden de handelsactiviteit van de Compagnie hoofdzakelijk met kortlopende leningen tot een bedrag van soms wel 20 miljoen gulden. De vierde Engelse oorlog, die begin jaren 1780 de Nederlandse handel twee jaar stillegde, bracht de VOC in de problemen. De aanvoer verkleinde drastisch, doordat de Engelsen veel zaken controleerden. De kortlopende leningen konden niet worden betaald en er moest uitstel van betaling worden aangevraagd. Na de oorlog werd er alles aan gedaan om de miljoenenschulden weg te werken.

Ten gevolge van deze oorlog kampte de VOC met een flink geldgebrek en was de handelspositie in Azië ingrijpend veranderd. De Nederlanders moesten hun voordelige positie handhaven en tegenover Europese concurrenten en hun bezittingen verdedigen. De kosten stegen hiermee aanzienlijk, wat de schuld natuurlijk niet ten goede kwam. Door burgeroorlogen veranderde de prijs, en vooral omzet, van de monopolistische producten van de VOC. De invloed op gebieden als Ceylon kromp en andere Europese handelaars namen ook een kijkje op de markt.

Conclusie

Bijna twee eeuwen lang heeft de Verenigde Oost-Indische Compagnie haar monopolie kunnen benutten en handel kunnen drijven op Azië. De nauwe banden tussen bewindhebbers en regenten zorgde ervoor dat de overheid het Compagniebelang scherp in de gaten hield en er politieke beslissingen werden genomen in het voordeel van de VOC. De VOC kon veelal de prijzen dirigeren, zo waren de winsten maximaal.

Het aandeel van de handel van de VOC in de economie van de Republiek viel tegen. De indrukwekkende handelscijfers kon de economie van de VOC niet domineren. Naarmate de 18e eeuw vorderde, nam het belang van de VOC voor de internationale economie toe, de handel van de Compagnie bleef op een hoog pijl. Die toegenomen invloed bleek uit het effect van de Aziatische handel op de arbeidsmarkt van zeelieden en soldaten, groepen die voorheen nauwelijks profiteerden.

De ondergang van de VOC heeft al vanaf de 18e eeuw veel speculaties opgebracht. De werkelijke reden blijft tot nu toe onbekend. Kwam het door het slechte bestuur, de gebrekkige boekhouding of toch door de groeiende kosten? Een eenduidige oorzaak is er dus niet. Het ligt voor de hand dat een combinatie van deze gebeurtenissen de VOC de kop heeft gekost. Tijdens de Engelse oorlog kampte de VOC met een tekort aan mankracht. Mede daardoor nam de invloed van de VOC sterk af. Door een slechte timing van alle gebeurtenissen versterkte de ene gebeurtenis de ander.

Tabel met belangrijkste handelsproducten van de VOC:

Land/plaats Producten(en)
AmbonKruidnagel
ArabiëKoffie
BandaFoelie en nootmuskaat
BengalenOpium, salpeter, textiel en zijde
CeylonKaneel
ChinaThee en zijde
IndiaTextiel en peper
JapanGoud, koper en zilver
IndonesiëKoffie en suiker
PerzieZijde en goud

De WIC daarentegen richtte zich op het westen. Wat begon als een bedrijf dat zout nodig had ontwikkelde zich goed. Op basis van het gebruik maken van een gigantische hoeveelheid slaven werden flinke winsten behaald. De zogenaamde driehoekshandel werd in die tijd toegepast. De enorme winsten die de overzeese bedrijven maakten hielpen de Republiek aan de enorme economische groei die het land kende.  
© 2012 - 2019 Sjoerdvo, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Antwerpen: Gouden Eeuw 1490-1530 eerste groeifaseDe ontwikkleing van de stad Antwerpen in de 16e Eeuw was grandioos. Na Parijs was Antwerpen de grootste stad ten noorden…
Antwerpen: Gouden Eeuw, 2de groeifase: 1535-1565De stad Antwerpen gaat rond 1535 voor de tweede keer groeien na de groeivertraging rond 1520 van de Gouden Eeuw van Antw…
De West-Indische Compagnie; Europa gaat verderIn de achttiende eeuw begonnen de landen uit Europa over de hele wereld te varen, ze beperkten zich niet alleen maar tot…
In oorlog en vreêIn oorlog en vreêNa de beroemde Gouden Eeuw zakte de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden langzaam weg als wereldmacht. Na de Franse…
Oudheid: Byzantijnse munten kopen en verkopenOudheid: Byzantijnse munten kopen en verkopenEr wordt veel gehandeld in Byzantijnse munten. Met de koop en verkoop van deze munten kan er goed geld worden verdiend.…

Reageer op het artikel "Invloed van overzeese bedrijven op economie van de Republiek"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Sjoerdvo
Gepubliceerd: 03-10-2012
Rubriek: Educatie en School
Subrubriek: Werkstuk
Schrijf mee!