InfoNu.nl > Educatie en School > Werkstuk > Consultatie binnen een Head Start Program

Consultatie binnen een Head Start Program

Consultatie binnen een Head Start Program Dit artikel is een verslag voor het derdejaars vak Regressiemodellen (Statistiek 3) van de bacheloropleiding Psychologie. Hierin wordt een onderzoek besproken naar verschillen in effectiviteit van consultatie tussen verschillende programma’s van het Head Start Program en de predictoren voor de effectiviteit van consultatie binnen een Head Start Program.

Inleiding

Het Head Start Program is een programma georganiseerd door de United States Department of Health and Human Services dat een totaalpakket van onderwijs-, gezondheids-, voedings-, en ouderparticipatie diensten aanbiedt aan kansarme kinderen en gezinnen. Wanneer er zich problemen voordoen met het gedrag van een specifiek kind (of kinderen) wordt er tevens samengewerkt met psycho-pedagogisch consulenten. Uit onderzoek (Green, Simpson, Everhart, Vale, & Gettman, 2004) bleek dat het hebben van consulenten die betrokken zijn bij het functioneren van het programma op programmaniveau voordelen opleveren.

Om na te gaan welke aspecten bijdragen aan de voordelen van deze psycho-pedagogisch consultaties in Head Start programma’s werd er in het huidige onderzoek een vragenlijst afgenomen bij een random getrokken steekproef van 66 Head Start Programma’s. Binnen elk programma zijn verschillende leerkrachten tewerkgesteld. In totaal namen 559 leerkrachten deel aan het onderzoek. In het huidige onderzoek werd informatie verzameld over: De mate waarin de consultatie effectief was in het reduceren van het aangemelde probleemgedrag (‘Effectiviteit van de consultatie’), de mate waarin de leerkracht het eens is met de aanpak van de psycho-pedagogisch consulent (‘Overeenstemming in aanpak), de deskundigheid van de consulent in het aansluiten bij de culturele achtergrond van het kind en het gezin beoordeeld door de leerkracht (‘Culturele competentie’) en het beschikbare budget (‘Budget’).

De eerste onderzoeksvraag was: “Verschilt de effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie tussen de programma’s?” Uit eerder onderzoek (Green et al., 2004) is gebleken dat programma’s met een geïntegreerd geestelijke gezondheidsmodel met consulenten in vergelijking met programma’s met een meer traditioneel consulenten model effectiever zijn. Aangezien de programma’s van het Head Start Program variëren in het type contact en de kwaliteit van de relatie tussen de leerkracht en de consulent (Green et al., 2004), wordt verwacht dat de programma’s van het Head Start Program van elkaar verschillen in effectiviteit. Met betrekking tot de eerste onderzoeksvraag was de hypothese: “Er bestaan verschillen in effectiviteit van psycho-pedagogische consultaties tussen de programma’s”. Dit zou betekenen dat een model met twee niveaus nodig is.

De tweede onderzoeksvraag was: “Welke leerkrachtpredictoren bepalen de effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie binnen een Head Start Program?”. De leerkrachtpredictoren waar in het huidige onderzoek naar gekeken is zijn de mate waarin de leerkracht het eens is met de aanpak van de psycho-pedagogisch consulent (‘Overeenstemming in aanpak’) en de deskundigheid van de consulent in het aansluiten bij de culturele achtergrond van het kind en het gezin (‘Culturele competentie’). Met betrekking tot de mate waarin de leerkracht het eens is met de aanpak van de psycho-pedagogisch consulent bleek uit eerder onderzoek (Green et al., 2004) dat het hebben van een duidelijke visie en aanpak van geestelijke gezondheidszorg die goed begrepen wordt door alle medewerkers (zowel de leerkrachten als de consulent) van belang is voor de effectiviteit van geestelijke gezondheidszorg. In hetzelfde onderzoek (Green et al., 2004) werd de vraag met betrekking tot de culturele competentie geschrapt. Dit werd gedaan omdat bijna alle antwoorden van de leerkrachten exclusief gefocust waren op problemen met betrekking tot taalbarrières en de vertaling van materiaal. Hierdoor is nog geen eerder onderzoek gedaan naar deze factor. Er moet onderzoek gedaan worden naar de bijdrage van deze factor aan de effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie binnen een Head Start Program. Met betrekking tot de tweede onderzoeksvraag waren de hypothesen: “Er wordt een positief verband verwacht tussen overeenstemming in aanpak en de effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie binnen een Head Start Program wanneer andere predictoren constant gehouden worden.”” en “Er wordt een verband verwacht tussen culturele competentie en de effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie binnen een Head Start Program wanneer andere predictoren constant gehouden worden.”

De derde onderzoeksvraag was: “Welke programmapredictoren bepalen de effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie binnen een Head Start Program?”. Met betrekking tot de invloed van het beschikbare budget op de effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie binnen een Head Start Program is tevens nog geen onderzoek gedaan. De hypothese met betrekking tot de derde onderzoeksvraag was: “Er wordt geen verband verwacht tussen het beschikbare budget van een programma en de effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie binnen een Head Start Program wanneer andere predictoren constant gehouden worden.”

Methoden

Er werden bij 559 leerkrachten vragenlijsten afgenomen over in totaal 66 programma’s. Het aantal leerkrachten per programma was ongelijk. De vragen op de vragenlijst hadden betrekking op de Effectiviteit van de consultatie (hoge score betekent dat de consultant zeer effectief was in het reduceren van het aangemelde probleemgedrag); Overeenstemming in aanpak (de mate waarin de leerkracht het eens is met de aanpak van de psycho-pedagogisch consulent; gescoord op een 4 puntenschaal); Culturele competentie (hoge score betekent dat leerkrachten vinden dat de consulent zeer deskundig is in het aanpassen van de begeleiding aan de culture achtergrond van het kind en het gezin); Budget (Aantal dollars dat binnen een Head Start programma besteedt wordt aan psycho-pedagogische consultatie). ‘Effectiviteit van de consultatie’ was de afhankelijke variabele. In het huidige onderzoek werd deze variabele aangegeven met de term ‘helped’ in SPSS en met label: ‘whether problem behaviors helped by MH consultation’. Overeenstemming in aanpak, culturele competentie en het beschikbare budget waren de onafhankelijke variabelen (predictoren). In het huidige onderzoek werden deze variabelen aangegeven met de termen ‘Share’, ‘Cultcomp’ en ‘Money’. Omdat de data een hiërarchische structuur hebben werd gebruik gemaakt van multilevel analyse om de onderzoeksvragen te beantwoorden. Het hoogste niveau waren de programma’s. Het laagste niveau waren de leerkrachten.

De eerste onderzoeksvraag

Met betrekking tot de eerste onderzoeksvraag (“In hoeverre verschilt de effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie tussen de programma’s?”) is een ‘Linear Mixed Models’ procedure gebruikt. Een leeg model met één niveau werd voor deze onderzoeksvraag vergeleken met een leeg model met twee niveaus. Voor het lege één-niveau model zijn de volgende stappen in SPSS uitgevoerd: Analyze > Mixed models > Lineair > Subject: Program > Continue > Dependent: ‘helped’ > Random > ‘Include intecept’ uitvinken > Combinations: program > Continue > Estimation > ‘Maximum Likelihood (ML)’ aanvinken > Continue > Statistics > ‘Parameter estimates’ en ‘tests for covariance parameters’ aanvinken > Continue > OK. Vervolgens is de -2 Log Likelihood van het lege één-niveau model genoteerd. Daarna is er een tweede analyse uitgevoerd met betrekking tot het lege twee-niveau model. In SPSS zijn dezelfde stappen als voor het lege één-niveau model uitgevoerd. Echter, bij de optie ‘Random’ moet de optie ‘include intercept’ aangevinkt worden. Vervolgens is de -2 Log Likelihood van het lege twee-niveau model genoteerd. Om het lege één-niveau model met het lege twee-niveau model te vergelijken is de -2 Log Likelihood van het lege één-niveau model vergeleken met die van het lege twee-niveau model (een deviantie-toets). Tot slot zijn ook de Wald-toets en de intra-groep correlatie berekend.

De tweede onderzoeksvraag

Om de tweede onderzoeksvraag (“Welke leerkrachtfactoren bepalen effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie binnen een Head Start Program?”) te kunnen beantwoorden wordt geprobeerd om de verschillen in de afhankelijke variabele te verklaren door leerkrachtpredictoren aan het lege twee-niveau model toe te voegen. Dit zijn de predictoren ‘Cultcomp’ en ‘Share’. Om de continue variabele ‘Cultcomp’ betekenisvol te maken werd deze variabele eerst aan de hand van het algemene gemiddelde gecentreerd. De volgende stappen zijn in SPSS uitgevoerd: Analyze > Descriptive Statistics > Descriptives > Variable(s): ‘Cultcomp’ > Options > ‘Mean’ aanvinken > Continue > OK. Het gemiddelde van de variabele ‘Cultcomp’(M = 3.34) werd genoteerd. Vervolgens werden de volgende stappen in SPSS uitgevoerd: Transform > Compute Variabel > Target Variable: ‘cCultcomp > Numeric Expression: cultcomp-3.34 > OK. De nieuwe gecentreerde variabele kreeg de naam ‘cCultcomp’ (c voor ‘centered’). Voor het eerste twee-niveau model met de leerkrachtpredictoren ‘cCultcomp’ en ‘Share’ zijn vervolgens de volgende stappen in SPSS uitgevoerd: Analyze > Mixed Models > Linear > Subjects: Program > Continue > Dependent Variable: ‘Helped’ > Covariates: ‘cCultcomp’ en ‘Share’ > Fixed > Model: ‘cCultcomp’ en ‘Share’ > Continue > Random > ‘Include intercept’ aanvinken > Combinations: ‘Program’ > Continue > Estimation > ‘Maximum Likelihood’ aanvinken > Continue > Statistics >‘Parameter estimates’ aanvinken > Continue > OK. Vervolgens is de -2 Log Likelihood van dit eerste twee-niveau model genoteerd. Om dit twee-niveau model met het lege twee-niveau model te vergelijken is de -2 Log Likelihood van het lege één-niveau model vergeleken met die van het lege twee-niveau model (een deviantie-toets).

De derde onderzoeksvraag

Om de derde onderzoeksvraag (“Welke programmafactoren bepalen effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie binnen een Head Start Program?”) te kunnen beantwoorden wordt geprobeerd om de verschillen in de afhankelijke variabele te verklaren door programmakrachtpredictoren aan het lege twee-niveau model toe te voegen. De enige programmapredictor is de variabele ‘Money’. Om de continue variabele ‘Money’ (M = 25869.27) betekenisvol te maken werd deze variabele eerst aan de hand van het algemene gemiddelde gecentreerd. De stappen die in SPSS werden uitgevoerd zijn dezelfde stappen als die bij het centreren van de variabele ‘Cultcomp’. De nieuwe gecentreerde variabele kreeg de naam ‘cMoney’. Voor het tweede twee-niveau model zijn vervolgens dezelfde stappen in SPSS uitgevoerd als de stappen voor het eerste twee-niveau model met de predictoren ‘cCultcomp’ en ‘Share’. Echter, na de stap ‘Fixed’ is bij ‘Model’ nu ‘cMoney’ aan het voorgaande model toegevoegd waardoor dit twee twee-niveau model uit de volgende drie onderdelen bestaat: cCultcomp’, ‘Share’ en ‘cMoney’. Vervolgens is de -2 Log Likelihood van dit tweede twee-niveau model genoteerd. Om dit tweede twee-niveau model met het eerste twee-niveau model te vergelijken is de -2 Log Likelihood van het eerste twee-niveau model vergeleken met die van het tweede twee-niveau model (een deviantie-toets).

Tot slot wilden we naast de bijdragen van de individuele predictoren ook inzicht verwerven in het percentage van de oorspronkelijke variantie dat werd verklaard door het toevoegen van deze predictoren. Dit is gedaan door de variantiecomponenten van het twee-niveau model met de predictoren ‘cCultcomp’ en ‘Share’ te vergelijken met deze van het lege twee-niveau model. Hier zijn de volgende formules voor gebruikt:

Voor microniveau (leerkrachten):

Voor macroniveau (programma):

In beide formules verwijst b naar het basismodel (lege twee-niveau model) en m naar het twee-niveau model met predictoren.

Resultaten

Met betrekking tot de eerste onderzoeksvraag (“In hoeverre verschilt de effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie tussen de programma’s?”) is een ‘Linear Mixed Models’ procedure gebruikt. Uit de deviantie-toets blijkt dat in vergelijking met het lege één-niveau model (χ2 = 1196.65) het lege twee-niveau model (χ2 = 1183.62) een significant beter model is, χ2verschil (1) = 13.04, p < 0.001. Dit resultaat is significant. Hetzelfde bleek aan de hand van de Wald-toets met betrekking tot de tussenprogramma variantie, Z = 2.53, p = .0057. Dit resultaat is significant. Aan de hand van de intra-groep correlatie (ρ = 0.09) van het lege twee-niveau model blijkt dat 9% van de variantie in scores op de variabele ‘helped’ is gesitueerd op programmaniveau. De richtlijn hierbij is: Indien ICC < .05 dan leidt het gebruik van het één-niveau model niet tot uitgesproken bias. In dit geval zou een één-niveau model wel tot uitgesproken bias leiden.

Met betrekking tot de tweede onderzoeksvraag (“Welke leerkracht- en programmapredictoren bepalen de effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie binnen een Head Start Program?”) zijn twee modellen met elkaar vergeleken. Het lege twee-niveau model is vergeleken met het twee-niveau model met de leerkrachtpredictoren ‘cCultcomp’ en ‘Share’. Uit de deviantie-toets blijkt dat het twee-niveau model met de leerkrachtpredictoren ‘cCultcomp’ en ‘Share’ een significant beter model is dan het lege twee-niveau model, χ2verschil (2) = 85.12, p < .001. Dit resultaat is significant.

Met betrekking tot de derde onderzoeksvraag is twee-niveau model met de leerkrachtpredictoren ‘cCultcomp’ en ‘Share’ vergeleken met het twee-niveau model met de leerkrachtpredictoren ‘cCultcomp’ en ‘Share’ en de programmapredictor ‘cMoney’. Uit de deviantie-toets blijkt dat in vergelijking met het twee-niveau model met de variabelen ‘cCultcomp’, ‘Share’ en ‘cMoney’ (χ2 = 1098.47) het twee-niveau model met de variabelen cCultcomp’ en ‘Share’ (χ2 = 1098.50) een beter model is, χ2verschil (1) = 0.03, p = .86. Echter, dit resultaat was niet significant.

Geconcludeerd kan worden dat het twee-niveau model met de leerkrachtpredictoren ‘cCultcomp’ en ‘Share’ het beste model is voor het voorspellen van de afhankelijke variabele ‘Effectiviteit’. Met betrekking tot de bijdrage van elke variabele kan geconcludeerd worden dat zowel de leerkrachtpredictor ‘cCultcomp’ (β = .36, t (242,92) = 7.12, p < .001) als de leerkrachtpredictor ‘Share’ (β =.21, t (553.78) = 5.03, p < .001) een significante bijdrage levert aan het voorspellen van de afhankelijke variabele. Verder kan geconcludeerd worden dat 18 procent van de variantie op leerkracht niveau verklaard wordt door toevoegen van de twee leerkrachtpredictoren ‘Share’ en ‘cCultcomp’ (R12 = 0.18) en dat 2 procent van de variantie op programmaniveau verklaard wordt door toevoegen van de twee leerkrachtpredictoren ‘Share’ en ‘cCultcomp’ (R22 = 0.02).

Discussie

Uit de resultaten kan geconcludeerd worden dat het lege één-niveau model geen geschikt model is voor de huidige data. Een één-niveau model zou tot uitgesproken bias leiden. Hierdoor is een twee-niveau model nodig. Verder kan geconcludeerd worden dat het twee-niveau model met de leerkrachtpredictoren een beter model is dan het twee-niveau model met de leerkrachtpredictoren én de programmapredictor. Beide leerkrachtpredictoren leveren een significante bijdrage aan het voorspellen van de afhankelijke variabele. Al met al kan geconcludeerd worden dat het twee-niveau model met de leerkrachtpredictoren ‘cCultcomp’ en ‘Share’ het beste model is voor het voorspellen van de afhankelijke variabele ‘Effectiviteit’.

De onderzoeksvragen van het huidige onderzoek waren: “Verschilt de effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie tussen de programma’s?”, “Welke leerkrachtpredictoren bepalen de effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie binnen een Head Start Program?” en “Welke programmapredictoren bepalen de effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie binnen een Head Start Program?”. De hypothese bij de eerste onderzoeksvraag was: “Er bestaan verschillen in effectiviteit van psycho-pedagogische consultaties tussen de programma’s”. Met betrekking tot de tweede onderzoeksvraag waren de hypothesen: “Er wordt een positief verband verwacht tussen overeenstemming in aanpak en de effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie binnen een Head Start Program wanneer andere predictoren constant gehouden worden” en “Er wordt een verband verwacht tussen culturele competentie en de effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie binnen een Head Start Program wanneer andere predictoren constant gehouden worden”. De hypothese met betrekking tot de derde onderzoeksvraag was: “Er wordt geen verband verwacht tussen het beschikbare budget van een programma en de effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie binnen een Head Start Program wanneer andere predictoren constant gehouden worden.”

Met betrekking tot de eerste onderzoeksvraag kan geconcludeerd worden dat er verschillen tussen programma’s zijn. Het complexe model voor de benadering van de effectiviteit van de consultatie is beter dan het eenvoudige model. Een multilevel model is nodig. Negen procent van de variantie in effectiviteit van de consultatie is gesitueerd op het hoogste niveau (programmaniveau). Met betrekking tot de tweede onderzoeksvraag kan geconcludeerd worden dat zowel de mate waarin de leerkracht het eens is met de aanpak van de psycho-pedagogisch consulent als de deskundigheid van de consulent in het aansluiten bij de culturele achtergrond van het kind en het gezin de effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie binnen een Head Start Program bepalen. Met betrekking tot de derde onderzoeksvraag kan geconcludeerd worden dat het beschikbare budget géén invloed heeft op de effectiviteit van psycho-pedagogische consultatie binnen een Head Start Program. Dus: zowel de mate waarin de leerkracht het eens is met de aanpak van de psycho-pedagogisch consulent als de deskundigheid van de consulent in het aansluiten bij de culturele achtergrond van het kind en het gezin beoordeeld door de leerkracht hebben invloed op de mate waarin de consultatie effectief is in het reduceren van het aangemelde probleemgedrag in een Head Start Program.

N.B.

Het huidige onderzoek was geen echt wetenschappelijk onderzoek, maar een opdracht voor het derdejaars vak Regressiemodellen (Statistiek 3) van de bacheloropleiding Psychologie aan de Vrije Universiteit, Amsterdam. De proefpersonen in het huidige onderzoek zijn geen echte proefpersonen. De data van het huidige onderzoek zijn verzonnen door de docenten van het vak. De resultaten van het huidige onderzoek zijn dus niet betrouwbaar en niet valide en hieraan kunnen geen conclusies verbonden worden.
© 2012 - 2019 Cst1991, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Psychologie studeren, UniversiteitPsychologie studeren, UniversiteitVeel studenten kiezen ervoor om psychologie te gaan studeren. Meer kennis over de beweegredenen van mensen is vaak de re…
Positieve psychologiePositieve psychologieGeluk? Wanneer ben je nu precies gelukkig? Komt dit door wat je meemaakt, wat je voelt, hoe je denkt of wat je bezit? Di…
Propedeuse WO Psychologie in LeidenPropedeuse WO Psychologie in LeidenDe Universiteit van Leiden heeft diverse opleidingen waarvan de opleiding Psychologie er één van is. Deze opleiding gaat…
Hilton Head Island – Eiland van HeavyHilton Head Island – Eiland van HeavyHilton Head Island staat vol met resorts, sport- en watersportfaciliteiten. Niet alleen rond, maar ook op het eiland is…
De mate van ervaren stress door onderzoekersDe mate van ervaren stress door onderzoekersDit artikel is een verslag voor het derdejaars vak Regressiemodellen (Statistiek 3) van de bacheloropleiding Psychologie…

Reageer op het artikel "Consultatie binnen een Head Start Program"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Cst1991
Gepubliceerd: 25-06-2012
Rubriek: Educatie en School
Subrubriek: Werkstuk
Schrijf mee!