InfoNu.nl > Educatie en School > Taal > Oude Arabische kalligrafie

Oude Arabische kalligrafie

Naast de ruim 300 miljoen Arabieren voor wie het Arabisch de moedertaal is, bedienen nog enkele honderden miljoenen anderstalige moslims zich van het Arabische schrift, onder andere in Iran, Pakistan en Afghanistan. Ook het Ottomaans-Turks werd in dit schrift geschreven. In de islamitische wereld heeft het Arabische schrift een bijzondere betekenis, omdat de Koran – het woord van God – hierin geschreven is. Hervormingen van het schrift ondervonden dan ook weerstand van theologische zijde. Direct na de dood van de profeet Mohammed in 632 begonnen vanuit het Arabisch schiereiland de islamitisch-Arabische veroveringen. Met de legers verspreidden het islamitische geloof en het Arabische schrift zich over een gebied dat zich op zijn hoogtepunt uitstrekte van Spanje via Noord-Afrika en het Midden-Oosten tot ver in Azië. Het bestuur over de door de Arabieren veroverde gebieden werd al spoedig verarabiseerd.

Aan het Arabische schrift werd – en wordt – in de islamitische wereld een bijzondere betekenis toegekend, omdat de Koran hierin is geschreven. En omdat de Koran het woord van God is, mocht het heilige boek niet worden vertaald. De gelovigen moesten Arabisch leren om hun gebeden te kunnen zeggen. Het Arabische schrift werd op den duur toegepast in uiteenlopende talen als het Perzisch, Ottomaans-Turks en Urdu, een tijdlang zelfs ook in het Spaans en Portugees.

Het woord als visuele expressie

Gezien de heiligheid van de Koran en gezien het feit dat deze in Arabisch schrift is geschreven – zij het pas enige decennia na de dood van Mohammed voor het eerst – nam en neemt het Arabische schrift een uitzonderlijke plaats in binnen de islamitische samenlevingen. Omdat religieuze afbeeldingen verboden waren, werd het geschreven woord een vorm van visuele expressie en kreeg het een esthetische betekenis, die elders door de schilder- en beeldhouwkunst werd vervuld. De vormgeving van de verschillende schriftvormen geldt daarom bijna als een religieuze handeling. Het Arabische woord khatt betekent zowel schrift als kalligrafie.

Kalligrafie wordt bij uitstek toegepast in Korans, maar komt voor op alle vormen van islamitische kunst, van keramiek tot architectonische decoraties.

Hijazi

Het oudste Arabische schrift, dat in westelijk Arabië werd gebruikt, staat bekend als het hijazi. Dit schrifttype werd in de 6e/7e eeuw ontwikkeld, met als belangrijkste kenmerk een lichte helling naar rechts. Er zijn weinig teksten bewaard gebleven die in dit schrifttype zijn geschreven. Uit de paar voorbeelden die beschikbaar zijn voor onderzoek, leiden geleerden af dat er vermoedelijk geen standaardschrijfwijze was.

Koefi

Al vanaf de 8e eeuw werd het hijazi vervangen door het koefi. Dit is een hoekig schrifttype waarbij horizontale en verticale delen duidelijk worden onderscheiden. Vanwege zijn hoekige vormen was het koefi bij uitstek geschikt om in steen te worden uitgehouwen. Het werd dan ook veelvuldig toegepast voor architectonische decoraties, zoals ook mozaïeken.

Daarnaast werd het koefi toegepast voor bijzondere doeleinden, zoals het kopiëren van de Korans – de oudst bewaard gebleven Korans dateren vermoedelijk uit de 8e eeuw. Het ‘officiële’ karakter van de letters werd benadrukt door ze in goud uit te voeren op blauw perkament (iets wat de Byzantijnen toepasten voor staatsdocumenten). De gekalligrafeerde tekst is meestal verfraaid met verschillende geometrische patronen en plantenmotieven.

Versieringen

Het Arabische schrift heeft eenvoudige basisvormen, maar is proportioneel ongelijkmatig. Een geschreven regel wordt gekenmerkt door een ongelijke verdeling tussen een ‘leeg’ bovendeel en een ‘vol’ onderdeel. Vroege kalligrafen probeerden een zeker evenwicht aan te brengen door de bovenste uiteinden van de letters te verbreden tot bladvormen en zij lieten de onderste halen en bogen van de letters in fraaie lijnen weer naar boven lopen om vervolgens ook in blad- of bloemvormen uit te lopen.

In andere gekalligrafeerde teksten dan de Koran werden de letters niet alleen met plantenmotieven (‘bloeiend schrift’) maar ook met mensen- of dierenmotieven (‘sprekend schrift’) verbonden. Zodoende kon het schrift zich ontwikkelen tot een kunstvorm die overal kon worden aangebracht, zoals op gebouwen, munten en in boeken.

Opvolgers van het koefi

De naam koefi verwijst naar de Zuid-Iraakse stad Kufa. De naam voor het schrifttype werd voor het eerst gebruikt door de geestelijke J.G.C. Adler (1756-1834) bij de samenstelling van een catalogus van de verzameling Korans van de Koninklijke Bibliotheek van Kopenhagen. Wat Adler toen onder koefi schaarde, wordt vandaag de dag als te ruim gezien. Uit het eigenlijke koefi (ook wel ‘vroeg-Abbasidisch’ genoemd) ontstonden namelijk verschillende lokale stijlen die van het eigenlijke koefi moeten worden onderscheiden.

Een van die stijlen is de ‘Nieuwe Stijl’ die in de oostelijke islamitische gebieden tot ontwikkeling kwam (veelal 'Oost-Koefisch' genoemd). Doordat men in Perzië en de andere oostelijke islamitische landen de voorkeur gaf aan papier boven perkament om Korans te kopiëren, kon hier een fijner, dunner schrift tot ontwikkeling komen. Dit Oost-Koefisch werd van de 10e tot de 13e eeuw het meest gebruikt, ook in vele andere kunstgenres, zoals keramiek en architectonische versieringen.

In dezelfde stijl werden de belangrijkste lopend-schriftstijlen in de oostelijke islamitische landen ontwikkeld, met name naskhi, thuluth, muhaqqaq en rayhani. Riqa en tawqi dienden voornamelijk als kanselarijschrift en voor andere niet-religieuze teksten. Ook de schriftstijlen die in Noord-Afrika en Spanje tot ontwikkeling kwamen (maghribi, sudani en andalusi), verschillen aanzienlijk van het oorspronkelijke koefi.

Het probleem van eenduidigheid

Het Arabische alfabet kent 25 medeklinkers en drie semiklinkers (medeklinkers die ook dienst doen als lange klinker). Binnen woorden worden alle letters vanaf de rechterkant aan elkaar vastgeschreven; de letters worden altijd met elkaar verbonden, zowel in handgeschreven als in gedrukte teksten. Er zijn echter zes letters die niet naar links met de volgende letter worden verbonden, zodat er als het ware hiaten in de woorden kunnen ontstaan.

In de vroegste tijd werd het eenduidig lezen van in het Arabisch geschreven teksten bemoeilijkt doordat korte klinkers niet werden geschreven. Omdat de basisvorm van een flink aantal letters gelijk was, was ook lang niet altijd duidelijk welke medeklinker bedoeld werd. Lees- en interpretatiefouten waren hiervan het gevolg.

Bron: Baba66 / Wikimedia CommonsBron: Baba66 / Wikimedia Commons
Het ontbreken van korte klinkers in geschreven teksten, leidde al spoedig tot de noodzaak om deze klinkers aan te geven met speciale hulptekens. Hiertoe ontwikkelde Abu al-Aswad Du’ali (gestorven in 688) in de tweede helft van de 7e eeuw een systeem van klinkertekens, bestaande uit rode en gele punten. al-Hadjad Ibn Yoesoef at-Thaqafi (gestorven in 714) en later Khalil Ibn Ahmed al-Farahidi (gestorven in 786) breidden dit systeem uit en verbeterden het door een, twee of drie punten boven of onder 15 van de 28 letters toe te voegen om verschil te maken tussen lettertekens met dezelfde basisvorm, en door de klinkertekens van Abu al-Aswad te vervangen door nieuwe, duidelijker tekens.

De bestuurlijke hervormingen van kalief Abd al-Malik bin Marwan (685-705), die het Arabisch tot officiële kanselarijtaal van het Umayyaden-rijk maakte, speelden ongetwijfeld een rol bij de eerste hervormingen van het schrift. De conservatieve stemmen tegen de hervorming van het door God gegeven schrift drukte Abd al-Malik effectief de kop in. En na de latere hervormingen kon eenieder de Koran zonder lees- en interpretatiefouten tot zich nemen. Dit ging echter wel van de gedachte uit dat de weergave met punten de juiste weergave was van de oudere versies …

Ibn Muqla (886-940)

Toch bleek de leesbaarheid van het schrift nog niet altijd eenduidig. Doordat de letters aan elkaar werden geschreven, bestond er een veelheid aan verbindingsstreepjes en haaltjes. De onderlinge verhoudingen tussen de verschillende letters was vaak onduidelijk.

Het was Abu Ali Ibn Muqla – vizier onder drie Abbasidische kaliefen in Bagdad – die een grote invloed op het Arabische schrift zou hebben. Ibn Muqla was een van de grootste kalligrafen van het Arabische schrift. In het begin van de tiende eeuw ontwikkelde en verbeterde hij verschillende schriftstijlen en hij ontwikkelde een systeem van interne verhoudingen voor de schriftstijlen. Dit verhoudingensysteem geldt tot op de dag van vandaag.

Het systeem dat Ibn Muqla ontwikkelde, was gebaseerd op een punt ter breedte van het uiteinde van de schrijfpen (rietpen, qalam) en op de eerste letter van het Arabische alfabet, de verticale ‘alif.

Ibn Muqla koos de ‘alif als maat voor alle andere letters. De hoogte van deze letter legde hij vast op zeven punten. Deze punt heeft de vorm van een ruit. De grootte daarvan hangt af van de gebruikte pen. De punt/ruit ontstaat, wanneer de pen op het papier wordt gedrukt. Door de pen schuin te snijden kan de kalligraaf, wanneer hij de hoek van zijn hand en arm met het papier varieert, dikke en dunne lijnen schrijven.

Alle andere letters hebben een grootte die door Ibn Muqla is berekend en in een vast aantal punten is vastgelegd. Ook gebogen letters beschreef hij in termen van de ‘alif. Omdat de grootte van alle letters is afgeleid van de ‘alif en de breedte van de lijnen van de gebruikte pen (dus van de daarmee geproduceerde punt/ruit), wordt Ibn Muqla’s systeem het proportionele systeem genoemd.

Sinds het systeem van Ibn Muqla legt elke kalligraaf voor zijn schriftstijl aan het begin de lengte van de ‘alif vast. Op basis van het systeem kan ook worden gecontroleerd of iets ‘goede’ of ‘slechte’ kalligrafie is.

Soennieten vs sji’ieten

Het was Ibn Muqla’s doel het Arabische schrift zo eenduidig vorm te geven dat het lezen van het Arabisch volledig ondubbelzinnig zou worden. De eerdere hervormingen in de 8e eeuw hadden al veel problemen opgelost, maar het verhoudingensysteem van Ibn Muqla ging nog een stap verder.

Met zijn hervormingen had Ibn Muqla, onbedoeld, de soennitische machthebbers een wapen in handen gegeven in hun strijd tegen hun sji’itische tegenstanders. De meer extreme sji’ieten hadden in de Koran altijd een tekst gezien met verscheidene betekenislagen. Sommigen gingen zelfs zover dat zij beweerden dat wat ‘het gewone volk’ uit de Koran las, niet meer was dan de oppervlakte die een belangrijker maar moeilijk toegankelijk binnenste verborg.

Volgens de (extreme) sji’ieten zou elk woord van de Koran een dubbele betekenis hebben. Met een schrift zonder verduidelijkende punten was dat ook niet zo moeilijk vol te houden. In de opvatting van de soennieten kon er echter geen sprake zijn van dubbelzinnigheden in de taal van God. De kalief, zijn adviseurs en (soennitische) theologen waren dan ook erg blij met het door Ibn Muqla ontwikkelde systeem. Met het uit zijn werkzaamheden voortgekomen naskhi-schrift konden de Koran-kopiïsten het heilige boek snel en eenduidig kopiëren.

Ibn Muqla gaat te ver

Noch de kalief, noch diens entourage wisten dat Ibn Muqla het Arabische schrift nog verder wilde hervormen. De kalligraaf wilde het Arabische schrift zodanig omvormen dat alle toentertijd bekende talen erin zouden kunnen worden geschreven. Het Arabische schrift werd ook in andere talen gebruikt, zoals het Perzisch, Urdu en het Ottomaans-Turks, maar het miste lettertekens waarmee klanken konden worden weergegeven die alleen in die talen voorkwamen. Ibn Muqla wilde hier verandering in aanbrengen vanuit de opvatting dat het Arabische schrift niet van goddelijke – zoals de islamgeleerden verkondigden – maar van menselijke makelij was.

Eerdere ervaringen, zoals de schrifthervormingen ten tijde en na Abd al-Malik, hadden Ibn Muqla het inzicht gegeven dat hij een machtige beschermer nodig zou hebben om zijn grote hervorming van het schrift mogelijk te maken. Dat was voor hem de kalief – Ibn Muqla was vizier onder drie kaliefen. Bij hun vond hij het geld dat hij nodig had, ook om zijn luxueuze levensstijl te bekostigen.

Maar aan het begin van de tiende eeuw was het Abbasidische kalifaat al enige tijd over zijn absolute hoogtepunt heen. Het rijk had al geregeld te maken met afscheidingen van lokale vorsten en opstanden en ook Bagdad zelf bleef niet verschoond van geweld. In deze atmosfeer was de kalief vaak een speelbal van verschillende duistere en minder duistere machten. Het kwam niet zelden voor dat hij door de ene factie werd afgezet om enige tijd later door een andere factie weer in zijn oude ambt te worden hersteld. Feitelijk had hij buiten zijn eigen paleis weinig te zeggen, en zelfs daarbinnen vaak ook niet alles. Desondanks was Bagdad in cultureel opzicht nog steeds een hoogontwikkelde stad.

Ibn Muqla was zo bezeten van de door hem gewenste schrifthervormingen dat hij deze omgeving van intriges niet wilde verlaten. Zonder beschermer zouden de hervormingen hoe dan ook niet kunnen worden doorgevoerd. Als vizier hoopte Ibn Muqla meer voor zijn geliefde schrift te kunnen betekenen dan als kalligraaf.

Het lijkt erop dat hij het voor lief nam dat hij tegelijkertijd en juist hierdoor vele vijanden maakte, zoals de tegenstanders van de kalief en de theologen die hem ervan beschuldigden de heilige taal van de Koran te willen veranderen – niet alleen maar verduidelijken. Daarnaast zette Ibn Muqla’s luxueuze levensstijl bij velen kwaad bloed.

Ibn Muqla’s vrienden konden hem er niet van overtuigen zich in een rustiger omgeving aan de kalligrafie te wijden. Hun vriend onderschatte in het machtsspel tussen kalief, prinsen, theologen en vele anderen zijn vijanden en overschatte de invloed van de kalief.

Het liep slecht af met Ibn Muqla. Hij werd verraden en zonder ingrijpen van de kalief ernstig mishandeld. Na een kortstondig eerherstel werd hij verbannen, onder het uitdrukkelijke bevel dat niemand ooit zijn geheim – hoe het Arabische schrift verder te hervormen – te weten zou komen. Hij eindigde zijn leven in 940 zonder rechterhand en tong in eenzaamheid en armoede aan de rand van de woestijn.

Het Ottomaanse Rijk

In het Bagdad van de Abbasidische kaliefen reikte de kunst van de kalligrafie tot grote hoogte, met name in de periode van de 9e tot de 12e eeuw. Later werd deze positie overgenomen door het Ottomaanse Rijk, waar de kalligrafie een grote mate van verfijning bereikte.

Een van de meest vooraanstaande vroege Ottomaanse kalligrafen was Shaykh Hamdullah (1429-1520). Deze is vooral bekend om zijn naskhi en thuluth. Kalligrafie maakte deel uit van het onderwijs dat Ottomaanse sultans genoten. Zo kreeg Bayezit II les van Shaykh Hamdullah.

Een beroemd Ottomaans genre kalligrafie is de inmiddels uitgestorven tuğra. Hiermee werd het monogram van de sultan gemaakt. Het resultaat doet enigszins denken aan een vingerafdruk. Het monogram bestond aanvankelijk uit de naam van de sultan en die van zijn vader, de traditionele titel khan en later ook de woorden ‘altijd overwinnaar’. In later tijd werden er aan de tuğra ook religieuze spreuken toegevoegd. Aan het eind van de 16e eeuw waren de tuğra’s bijzonder ingewikkeld geworden.

Ook in de tuğra’s was de schrijfrichting van rechts naar links, hoewel de eisen die de afbeelding stelde, hier nogal eens verandering in aanbrachten.

Tuğra van Bayezit I / Bron: Onbekend / Wikimedia CommonsTuğra van Bayezit I / Bron: Onbekend / Wikimedia Commons
Rafik Schami verhaalt de volgende anekdote over het ontstaan van de tuğra. In de tijd van de vijandelijkheden tussen het Ottomaanse Rijk onder sultan Bayezit I en de Mongoolse vorst Timur Lenk aan het einde van de 14e en het begin van de 15e eeuw (zie Van Turks stammenvorstendom naar het vroege Ottomaanse Rijk en Heropbouw van het Ottomaanse Rijk), had de ongeletterde Timur een brief laten schrijven aan Bayezit die hij met een duimafdruk had gewaarmerkt. Bayezit voorzag zijn antwoord van een ingewikkelde, gekalligrafeerde, op een vingerafdruk gelijkende ondertekening – de tuğra – waarmee hij Timur het hoge niveau van de Ottomaanse beschaving showde.

Helemaal waar zal deze anekdote niet zijn, omdat de oudst bewaard gebleven tuğra die van Orhan I is en dateert uit de eerste helft van de 14e eeuw.

Zwartboek

Om te oefenen en zijn vaardigheden verder te vervolmaken gebruikte de kalligraaf oefenbladen. Het woord dat voor deze oefenbladen werd gebruikt, is in het Arabisch, het Ottomaans-Turks en het Perzisch afgeleid van het woord voor ‘zwart maken’. Het oefenblad werd namelijk zoveel mogelijk bedekt met de oefeningen. De kalligraaf concentreerde zich volledig op de vorm van de letters, de inhoud van wat hij schreef, deed nauwelijks ter zake.

Albums of oefenboeken waarin de losse letters van het alfabet waren gekalligrafeerd, evenals alle combinaties van die letters met de andere letters van het alfabet, werden niet alleen door leerlingen samengesteld, maar ook door meesterkalligrafen. Zij streefden immers altijd naar een nog grotere perfectie.
© 2010 - 2017 Dreus, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
De Arabische taalArabisch wordt wereldwijd door vele miljoenen mensen gesproken en is daarnaast de taal van de Koran, waardoor de taal oo…
Taalcursus: cursus Arabisch volgenTaalcursus: cursus Arabisch volgenEr zijn verschillende mogelijkheden voor mensen die de Arabische taal willen leren spreken. Er worden door zowel het LOI…
De heilige KoranDe Koran is het heilige boek van moslims. Voor hen is het het directe woord van God zoals die het aan de profeet Mohamme…
De kunst van de kalligrafieDe kunst van de kalligrafieKalligrafie of schoonschrijven is een ontspannende activiteit waarbij uw creativiteit gestimuleerd wordt. Met de handen…
Rafik Schami, Duits-Syrische schrijver en verhalenvertellerDe Duits-Syrische schrijver Rafik Schami (1946) wijdde zich al vroeg aan de literatuur. In 1965 richtte hij in zijn gebo…
Bronnen en referenties

Reageer op het artikel "Oude Arabische kalligrafie"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Infoteur: Dreus
Gepubliceerd: 21-02-2010
Rubriek: Educatie en School
Subrubriek: Taal
Bronnen en referenties: 3
Schrijf mee!