Werkstuk en Museumbeleid

De Nieuwe Nederlander: nieuwe doelgroep Nederlandse musea

De Nieuwe Nederlander: nieuwe doelgroep Nederlandse musea

Een essay over Nieuwe Nederlanders in musea. Met het oog op het nieuwe museumbeleid van staatsecretaris Medu van der Laan.


‘Kijk jongen, daar heeft pappa vroeger gewoond. En de opa, van de opa, van de heel verre opa, was zo’n Egyptenaar zoals je hier ziet.’ Dit hoorde ik zeggen in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Ik keek de man aan en realiseerde me dat deze man van Egyptische afkomst was, een Nieuwe Nederlander, die zijn zoontje had meegenomen naar het museum.

In de nota ’Bewaren om teweeg te brengen’, laat staatssecretaris Medy van der Laan zich uit over het museumbeleid. Ze heeft het daarin onder andere over het belang van het doelgroepgericht werken en nieuwe subsidieregelingen. Ze wil de musea naar een hoger plan brengen, waarbij meer doelgroepen worden bereikt, met minder staatsgeld. Bedragen worden echter niet genoemd.
Natuurlijk is het van belang dat in musea doelgroepgericht tentoonstellingen worden gemaakt. Dit gebeurt meestal ook, al is de doelgroep niet altijd even goed beschreven. Echter door de verandering van de culturele samenstelling van onze gemêleerde bevolking is er sinds enkele jaren ook sprake van een nieuwe doelgroep: de Nieuwe Nederlanders. Sinds 16 jaar, minister Hedy d’Ancona, worden musea al opgeroepen om zich ook te richten op deze doelgroep. In musea blijken dit vaak mensen uit Noord-Afrika en Zuidoost Azië te zijn (ongeveer 25% van de Nieuwe Nederlanders). Sinds het jaar 2005 uitgeroepen werd tot een jaar, dat in het teken stond van de banden tussen Marokko en Nederland, is dit idee nog versterkt. Dat we ook 76.100 Joegoslaven, 43.900 mensen uit de voormalige Sovjet Unie, en 39.500 Polen als onze landgenoten hebben (deze aantallen zijn hoger dan die van mensen afkomstig uit Irak, Iran en Afghanistan), lijkt daarbij vergeten te zijn, maar ook deze mensen zien we niet in musea. Waarom wordt er dan toch zo de nadruk gelegd op de Islamitische Nieuwe Nederlanders?

Museumteksten zijn sinds jaren niet alleen in het Nederlands te vinden, maar in verscheidene musea, vooral voor toeristen van belang, ook in het Engels. In een aantal musea in onze hoofdstad zijn er zelfs teksten in het Duits, Frans of Spaans. Sinds kort worden er ook teksten vertaald in het Arabisch.
Maar met het vertalen van de teksten komen de beoogde mensen van de doelgroep nog niet het museum binnen. Om deze reden zijn er stemmen opgegaan om museumbezoeken toe te voegen aan de inburgeringcursussen. Dit heeft vele voordelen, want behalve dat het drempelverlagend werkt, zodat de ingeburgerden later wellicht nog eens naar een museum gaan, kunnen we de nieuwe bevolking ook onze cultuur laten zien. Deze cultuur is ook op straat te vinden, maar in een museum wordt cultuur expliciet getoond, is deze beter te doorgronden, is er ook een context aan gegeven en wordt deze vaak in historisch verband getoond, zodat de Nieuwe Nederlanders onze cultuur beter kunnen begrijpen. Om deze reden is het integreren van een museumbezoek ook op scholen al een feit met positieve uitwerking (het bezoekersaantal van vooral Marokkanen en Turken is hierdoor licht gestegen sinds 1995). Hiermee wordt de jonge nieuwe bevolking (en tevens de jonge autochtone mensen) veel bijgeleerd.

In praktijk blijkt echter dat de Nieuwe Nederlanders, met een andere cultuur, niet veel in musea te vinden zijn (slechts één procent van het totale aantal bezoekers). Zelfs niet in musea waar het gaat om hun eigen cultuur (musea met een Mohammedaanse, Egyptische of Griekse collectie, het Afrika-museum, enz.). Op zich kun je niet concluderen dat musea geen onderdeel uitmaken van de cultuur waar de nieuwe mensen vandaan komen. Want in hun land van herkomst zijn vaak ook musea of vergelijkbare instellingen te vinden. We kunnen ook niet concluderen dat men geen interesse heeft in het Cultureel Erfgoed van Nederland, want in de meeste gevallen komt de Nieuwe Nederlander niet eens op het idee om alledaagse cultuur te combineren met een museumbezoek. Waarom West-Europeanen dan toch meer in musea te vinden zijn, dan andere Europeanen of Islamieten, is niet helemaal duidelijk. Misschien is dat doordat musea nog steeds worden gezien als ‘voor de elite’, waar deze Nieuwe Nederlander zich niet toe voelt behoren. Daarom proberen musea verschillende methoden toe te passen om de mensen toch hun museum in te krijgen. Dit gebeurt zoals eerder genoemd door de vertalingen van teksten. Maar tegenwoordig zijn er ook steeds meer musea die tentoonstellingen en kijkwijzers maken voor de Nieuwe Nederlanders. Andere initiatieven zijn het verwerken van musea in televisieprogramma’s zoals de Museumbende, Museumgasten en PREMtime, intensieve marketing, organisatie van groepsreizen voor de doelgroep, tv-spotjes tijdens de Ramadan, audiotouren in het Arabisch en Berbers en het aanstellen van museumpersoneel met allochtonen afkomst. Deze dingen lijken enig effect te hebben, maar helaas kunnen ze hun doelgroep toch moeilijk bereiken, zodat het alsnog een druppel op een gloeiende plaat is. En ook de uitgeschreven prijsvraag van de Mondriaanstichting (namens Van der Laan), met een prijsgeld van 500.000 euro, voor het museum met het beste plan om culturele diversiteit onder de bezoekers te creëren, lijkt niet het gewenste effect te hebben (de deelnemers doen het meer om het geld, wat ze zo hard nodig hebben).

Daarom lijkt het van belang om minder in hokjes te gaan denken en meer onderzoek te doen naar hoe het imago voor deze doelgroep veranderd kan worden, en hoe het komt dat de eerder genoemde Egyptenaar met zijn zoontje, wel in een museum te vinden waren. Bovendien komen de Nieuwe Nederlanders overal vandaan, en moeten we ze dus ook allemaal proberen te bereiken. Het zijn niet alleen de Islamieten die we onze cultuur moeten leren kennen; getracht moet worden iedereen die in dit land woont te bereiken.
Om ervoor te zorgen dat de plannen van Medy van der Laan slagen, om de Nieuwe Nederlanders meer naar musea te krijgen, zodat ze kunnen profiteren van de educatieve functie ervan, is echter veel geld nodig: voor onderzoek, voor het realiseren van een specifiek doelgroepgerichte tentoonstelling door middel van specifieke collecties, als ook voor promotie en samenwerkingsprojecten (met scholen en instanties die zich bezig houden met inburgering). Dat dit niet alleen lukt met het prijzengeld van de prijsvraag van de Mondriaanstichting, mag duidelijk zijn. Dit geld moeten de musea vooral zelf bij elkaar gaan krijgen door als bedrijven te gaan functioneren, onder andere door zelf sponsors te werven en dus minder afhankelijk te worden van de overheidssubsidies. Echter is een andere wens van Medy van der Laan om rijksmusea gratis te maken voor de bezoekers. Terwijl sponsors vaak niet eens inzien welk nut het voor hen heeft om te subsidiëren, en waar bovendien al dat geld voor nodig is. Dit alles zorgt steeds meer voor het wegsaneren van banen in musea, waardoor steeds meer taken bij één werknemer komen te liggen. Waar wil Van der Laan dus de mankracht en het geld vandaan halen om al haar mooie plannen te realiseren?
© 2007 - 2010 Marileen, gepubliceerd in Werkstuk (Educatie en School) op 15-02-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Marileen is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "De Nieuwe Nederlander: nieuwe doelgroep Nederlandse musea"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.