Werkstuk en Alfred Kwak

Alfred Jodocus Kwak (deel 1)

Alfred Jodocus Kwak (deel 1)

Dit is een werkstuk van de middelbare school over Alfred Jodocus Kwak en zijn bedenker Herman van Veen. Bij het werkstuk is niet uit gegaan van alle verhalen van Alfred maar alleen van de delen 1 t/m 32 van het totaal aan 52 afleveringen. Wellicht is het artikel interessant voor middelbare scholieren of docenten om te zien hoe Alfred kan helpen bij het onderwijs. Uit eigen ervaring weet ik dat de verhalen van Alfred voor veel meer inzicht en begrip kunnen zorgen bij verschillende onderwerpen.


Alfred Jodocus Kwak


Inleiding

Alfred Jodocus Kwak is een eend die ik al ken zolang ik me kan heugen. Het is echt een eendje waarmee ik ben opgegroeid. Ik heb veel van hem, of misschien dan beter gezegd, van Herman van Veen, geleerd. Natuurlijk proberen ze je op school en thuis dingen te leren, maar spelenderwijze leer je toch ook machtig veel. Ikzelf heb thuis alle bandjes van Alfred J. Kwak die er zijn en beluister ze nog af en toe. Vooral als ik bijvoorbeeld geschiedenis moet leren komen ze soms best van pas. Zo hadden we het twee jaar geleden over de Middeleeuwen en luisterde ik nog eens naarhet bandje van Alfred ‘Op school / De kater’. Daarin waant Alfred zich in de Middeleeuwen. Door het verhaaltje kon ik me het uiterlijk van een stad van toen beter inbeelden. In het proefwerk over dat hoofdstuk kwam ook de vraag: beschrijf een Middeleeuwse stad. Ik dacht toen aan het verhaal van Alfred en haalde voor die vraag het hoogst mogelijk aantal punten. Nu wil ik niet zeggen dat ik dat allemaal aan Alfred heb te danken, maar het heeft me wel geholpen. Als ik luister naar de toespraak van Dolf in de verhalen van de Kraaienpartij, dan kan ik me best inbeelden dat Adolf Hitler ook op zo’n manier zou hebben gepraat. Dan voel je ook een beetje wat Hitler toen heeft proberen uit te stralen. En voor degene voor wie dit allemaal gezwam is, is er natuurlijk ook nog gewoon dat lieve eendje dat vlak na zijn geboorte zijn familie kwijt raakt, maar ondanks dat goed terecht komt. Een warm verhaal voor kleine kinderen.

Cultuur is het belang voor de beschaving om deze op een hoger punt te brengen. Als iedereen zou luisteren naar de educatieve en morele waarden van Alfred Jodocus Kwak, dan zou de wereld er misschien mooier uit zien. Dan zou onze beschaving misschien op een hoger punt gebracht worden. En om dat idee, om het op zijn Herman van Veens te zeggen, ‘met de wereld te delen’, heb ik besloten tot het maken van dit werkstuk, waarbij ik de lezer een kijkje gun achter en voor de schermen van Alfred Jodocus Kwak.

In dit werkstuk probeer ik duidelijk te maken welk doel Herman van Veen nastreeft met het bestaan van Alfred Jodocus Kwak. Hopelijk lukt het mij om daar een duidelijk beeld van te maken voor u…

Hoe Alfred Jodocus Kwak is ontstaan

Ongeveer 20 jaar geleden probeerde het Residentie Orkest de afstand tussen kinderen en een symfonisch orkest te verkleinen. Ze riepen hierbij de hulp in van Herman van Veen. Hij moest proberen het symfonieorkest en kinderen met elkaar in contact te brengen.

Om dit voor elkaar te krijgen moest er een soort symfonisch sprookje worden bedacht. Herman van Veen dacht in eerste instantie aan een bewerking van “het paard van Troje”. Hij wilde dan uit de buik van het paard een symfonieorkest laten komen. Dit bleek om praktische redenen niet uitvoerbaar te zijn en het was bovendien iets te gewelddadig en niet interessant genoeg voor kinderen van deze tijd. Daarom moest verder worden gedacht. Het volgende idee was een haan. Deze haan moest dan allemaal beesten in zich verstoppen. Herman van Veen vond deze haan echter te stoer. Maar vlak voor de meneer van het Residentie Orkest had gebeld had Herman van Veen een eendje aangeraden. Tijdens het telefoontje dacht Herman de hele tijd aan de eendjes en zo werd uiteindelijk gekozen voor een lieflijke eend. Deze voldeed wel aan alle wensen.

De naam van de eend was snel bedacht. De eerste naam was Alfred. Deze naam koos hij omdat een goede vriend van hem ook Alfred heette. De tweede naam is Jodocus. Omdat Herman in zijn leven veel als clown heeft gewerkt en ook veel in contact is geweest met andere clowns, was deze naam ook niet al te moeilijk. Een van de clowns waarmee hij veel omging heette namelijk Jodocus (Jodocus betekent grappenmaker). De naam Kwak haalde hij uit zijn vele ervaringen met het vallen (neerkwakken).

Het verhaal zou als volgt gaan: De eend Alfred Jodocus Kwak heeft geld ingezameld voor een land zonder water. Dat geld leent hij aan de koning, maar de koning betaalde hem niet terug. Daarom ging hij op weg naar de koning om het geld terug te vragen. Onderweg komt Alfred een vos tegen, die graag eens een kijkje wil nemen in het kippenhok. Alfred neemt hem dan mee en verbergt hem onder zijn vleugel. Dan komt Alfred François Ladder tegen, die heel graag voor de koning wil zingen. Ladder gaat dan onder de andere vleugel van Alfred mee. Daarop komt Alfred bij de vieze rivier. Deze rivier zou graag eens in bad willen om zichzelf te reinigen, en het schijnt zo te zijn dat de koning een heel groot bad heeft. De rivier gaat mee in Alfreds maag. Ten slotte komt Alfred nog een aantal bijen tegen. Deze zouden graag eens van de bloemen in de koninklijke tuin willen genieten. Zij gaan tenslotte mee op Alfreds staart. Als Alfred bij de koning komt, wil deze het geld niet terug betalen, maar hij wil Alfred ook niet doden. Hij besluit daarom Alfred in het kippenhok op te sluiten. Gelukkig weet de vos Alfred te helpen zodat Alfred uit het kippenhok kan ontsnappen. De koning wordt boos en gooit Alfred in een put. Maar Alfred komt via François de Ladder uit de put. Dan wordt de koning nog bozer en besluit Alfred in het vuur te gooien, maar de rivier redt hem deze keer. Tenslotte besluit de koning dat Alfred maar aan de strop moet, maar de bijen weten Alfred deze keer te redden. Dan moet de koning wel betalen, maar het blijkt dat hij geen geld meer heeft. Alfred zal dus weer helemaal opnieuw moeten beginnen met sparen. Elk dier (en de rivier) hebben hun eigen tonen en snelheid van muziek. Daarrdoor komen de kinderen op een speelse wijze in contact met het orkest.

Het verhaal van het Paard van Troje is hier nog wel in te herkennen. Alfred wordt door de dieren als list gebruikt, maar ook geholpen, net zoals Oddyseus het paard als list gebruikt om in Troje te komen. Dan komen op onverwachte momenten alle elementen uit Alfred, net zoals Oddyseus en zijn soldaten onverwacht uit de buik van het paard kwamen. In het verhaal van Oddyseus wil deze na de verovering naar huis, maar dat gaat niet zo makkelijk. Dat is een grote teleurstelling voor hem, ook al is het zijn eigen schuld, omdat hij de god Poseidon heeft beledigd. Ook dit is weer terug te vinden in het verhaal van Alfred. Alfred krijgt het geld uiteindelijk niet en gaat dus teleurgesteld weer naar huis. Ook in dit verhaal is sprake van een eigen schuld, want Alfred had het geld gewoon niet moeten uitlenen. Bij Oddyseus is de moraal dat je de goden niet moet beledigen en van je fouten moet leren; bij Alfred is de zin dat je je aan je afspraken moet houden en dat je moet leren van je fouten (later leent Alfred het geld namelijk niet meer uit).

Op deze manier is de eend Alfred Jodocus Kwak ontstaan. Deze eend heeft vervolgens een leven gekregen waarin hij van het ene avontuur in het andere rolt. Dit verhaal werd in eerste instantie een muziekvoorstelling voor in het theater. Al na enkele voorstellingen bleek het een groot succes te zijn. Daarom werd gekeken of het verhaal ook in boekvorm kon worden uitgebracht. Men ging op zoek naar een striptekenaar. De tekenaars werden gevonden in het Ruhrgebied in Duitsland. Hans Bacher en Harald Siepermann hebben daar in een jaar tijd een stripboek gemaakt. Deze strip kwam toevallig terecht in handen van een paar Japanners en deze hebben er toen 52 tekenfilms van gemaakt. Hierna is de bekendheid van Alfred Jodocus Kwak pas echt begonnen. De tekenfilmreeks werd over de gehele wereld op televisie uitgezonden, waardoor deze in vele miljoenen gezinnen werd bekeken.

Het leven van Alfred Jodocus Kwak

Het verhaal begint in het voorjaar. Henk de Mol heeft dan een afspraak met Johan Kwak. Henk en Johan zijn twee heel goede vrienden, die ieder jaar aan het begin van het voorjaar een afspraak maken, om elkaar weer eens op te zoeken na een lange winter. Tijdens deze afspraak worden ze ineens opgeschrikt door het lieve en mooie stemgeluid van een vrouwelijk eendje. Het blijkt de stem te zijn van Anna van de Polder. Johan wordt op slag verliefd op Anna. Na een paar dagen vraagt Johan aan Anna of zij met hem wil trouwen. Natuurlijk gebeurt dit en na een korte tijd kan Henk de Mol al op kraamvisite gaan. Er liggen dan zeven eieren in het nest. Uit een van deze eieren wordt Alfred Jodocus Kwak geboren. Hij krijgt deze naam van Henk de Mol. De naam Alfred krijgt hij, omdat de grootvader van Henk ook Alfred heette. Jodocus komt ook van die grootvader. Deze grootvader was namelijk een grappenmakker (clown), die voor de nodige onrust zorgde. Dit deed het kleine eendje ook. Voordat hij geboren was, zorgde hij al voor problemen. Het ei werd namelijk gestolen, waardoor Johan een spannende achtervolging moest maken om het ei terug te krijgen. Hierbij was het eendje Alfred Jodocus Kwak dus officieel geboren en is het verhaal begonnen. Vlak na de geboorte van de kleine eendjes werd de hele familie Kwak echter van hun woonplaats weggejaagd. Op die plaats wilde een aantal rijke figuren, zoals de burgemeester, een pretpark laten bouwen. Dat hiervoor een natuurgebied moest worden opgeofferd, kon de gemeente niets schelen. De familie Kwak is toen gevlucht naar een oude steenkolenmijn, waar de grootvader van Henk altijd had geleefd. Helaas heeft de familie, op Alfred na, deze kolenmijn nooit gehaald. Op weg naar de mijn zijn ze namelijk, bij het oversteken van een weg, doodgereden door een auto (van een van die rijke lui die hen ook al hadden verjaagd). Nu had Alfred dus geen vader, moeder, broers en zussen meer. Alleen Henk was nog over. Henk heeft toen de opvoeding van Alfred op zich genomen.

Op Alfreds eerste verjaardag krijgt hij van Henk, als cadeau, een bezoek aan het koninklijk paleis. Samen met al zijn vriendjes gaan ze een dagje naar het paleis. Daar gaat het echter niet helemaal zoals het had moeten gaan. Toen ze in de schatkamer van het paleis kwamen, heeft Pikkie de Ekster namelijk een robijn gestolen (zijn naam, Pikkie, staat dan ook in verband met zijn daden; als ekster wil hij alles hebben wat glinstert). Van deze diefstal krijgt Alfred echter de schuld, omdat hij met de robijn wordt gevonden. Tijdens de rechtzaak blijkt echter al snel, dat het de schuld van Pikkie is geweest. Hij probeert de robijn namelijk weer te stelen. Hierdoor wordt de onschuld van Alfred toch bewezen, zonder dat hij zijn vriendje hoeft te verraden.

Als hij voor het eerst naar school gaat, merkt hij al meteen dat Dolf de Kraai hem pest. Dolf vindt het niet normaal dat een mol een eend opvoedt en dat laat hij merken ook. Tijdens de lessen is Alfred wat dromerig en valt in slaap. Hij ziet voor zich hoe het in de Middeleeuwen zou zijn. Hij zou dan zeker verbannen worden omdat hij anders is. De meester is een beetje boos dat Alfred onder de geschiedenisles in slaap valt en vertelt het daarom aan Henk, als die op school komt. Ondertussen heeft Alfred na schooltijd weer ruzie gekregen met Dolf de Kraai. Hierdoor belanden beiden in een oude waterput, die in de middeleeuwen werd gebruikt door mensen die de stad waren uitgezet. Dolf zit Alfred extra bang te maken en als Henk hem dan komt zoeken, denkt Alfred dat hij een geest hoort roepen in plaats van Henk. Dan komt de voortvluchtige Krabnagel de Kat (ook wel Krab genoemd). Hij wil Dolf en Alfred wel uit de put halen, maar dan wel om ze op te eten. Gelukkig komt Henk net op tijd en kunnen Alfred en Henk ervoor zorgen, dat Krab in de put komt te zitten en dat Dolf eruit komt. Dolf heeft echter wel zijn vleugel gebroken en moet daarom naar het ziekenhuis. Alfred gaat samen met Henk naar huis.

Vlak voor de vakantie krijgt hij van de docent te horen, dat er vlak een Olympiade komt. Iedere leerling mag mee doen. Natuurlijk doet Alfred ook mee. Bij de wedstrijd, waar hij een van de grootste kanshebbers is, wordt hij toch verslagen door Wannes de Gans. Deze heeft namelijk een peppil (drugs) ingenomen. Na de wedstrijd blijkt dat deze peppil meer resultaten heeft, dan alleen het winnen van een wedstrijd. Het lichaam van Wannes verandert namelijk helemaal door de pil. Hij groeit heel erg en krijgt een slurf. Zo blijkt, dat het nemen van een pil toch ook negatieve consequenties kan hebben. Natuurlijk zien ook de toeschouwers dit gebeuren en omdat hij die peppil op heeft, moet hij zijn prijs weer afstaan. Alfred krijgt nu de prijs.

Dan wil Alfred graag in een circus spelen. Hij heeft al vaak gekeken en het lijkt hem leuk om clown te worden. Maar als hij eenmaal op moet, krijgt Alfred heel erge plankenkoorts. Hoewel hij die middag nog erg veel geleerd heeft, is hij alles vergeten. Uiteindelijk doet hij maar wat. De dieren, die zitten te kijken, vinden het niet leuk en beginnen ‘boe’ te roepen; hierdoor wordt Alfred nog zenuwachtiger. Maar dan opeens vinden de dieren het wel leuk. Alfred denkt dat hij veel succes heeft, maar weet niet dat het komt door ‘de Mens’ een vreselijk wezen dat zich uit zijn kooi heeft bevrijd en nu alles wat Alfred doet, nadoet, terwijl de Mens de koorddanseres in zijn armen heeft. Als Alfred erachter komt wat er werkelijk gebeurt, schrikt hij heel erg, maar is uiteindelijk wel zo dapper om de koorddanseres te redden. Zijn act is een vreselijk groot succes en de directeur van het circus wil dat hij blijft. Maar Alfred heeft nu geleerd dat hij niet geschikt is als clown en gaat weer naar huis.

Als Alfred weer wat ouder is, wordt hij voor de tweede keer vals beschuldigd. Dit keer is het bij de Zeeverkenners. Hij mag als jong matroos mee doen aan een zeilrace tussen Groot Waterland en Groot Musland. Tijdens deze race is er op de boot van Groot Waterland een kleine mus, Igor, aanwezig, die een spion is van Groot Musland. Deze spion werkte samen met een andere spion, Lispel de Kwal. Doordat Alfred bij toeval de zender van Igor vindt, wordt hij meteen verdacht van spionage en opgesloten.Wat hij ook probeert, niemand wil geloven dat hij onschuldig is, behalve zijn vriendjes. Maar dan ziet hij, vanuit de kamer waarin hij is opgesloten, de echte spion (Lispel). Alfred kan dan, met behulp van Igor, ontsnappen en de echte spion pakken. Meteen is Alfreds onschuld bewezen en is hij de held van de race. Hij krijgt hiervoor een eremedaille als prijs.

Natuurlijk wordt Alfred ook een keer volwassen, net als mensen. Dit is te merken als hij op zichzelf gaat wonen. Hij maakt samen met Henk en een paar vrienden een mooi huis voor zichzelf, in de vorm van een klomp. Op de dag dat het huisje af is en hij er in gaat wonen, geeft hij voor zijn vrienden een feestje. Op dit feestje krijgt hij van Ollie de Ooievaar een vreemde fles. In deze fles blijkt een geest te zitten. Deze geest heeft heel kwade bedoelingen en mag absoluut niet ontsnappen of worden vrijgelaten. In een ver land is sheik Alham de Grote ondertussen op zoek naar deze fles. De fles is namelijk de heilige fles van dat land en hij mocht het land absoluut niet verlaten. Sheik Alham de Grote wil de fles nu graag terug, om zo te voorkomen dat de geest kan ontsnappen. Hij stuurt twee van zijn dienaren naar Groot Waterland. Deze moeten voor middernacht de fles te pakken krijgen. Dit blijkt echter een groter probleem te zijn dan ze dachten. De fles was namelijk eerst in het bezit van een antiquair. Daar gaan ze eerst kijken. Deze antiquair heeft de fles namelijk aan Ollie verkocht, dus moeten de dienaren op zoek gaan naar Ollie. Als ze Ollie hebben gevonden, krijgen ze te horen dat Ollie de fles cadeau heeft gedaan aan Alfred. De dienaren gaan dan naar Alfred. Als ze daar aankomen, blijkt dat ze net te laat zijn. De geest is al vrij. Maar door een slimme list weet Alfred de geest toch weer in de fles op te sluiten. Dan is alles gelukkig toch goed afgelopen en kunnen de twee dienaren met een gesloten fles naar de sheik terug.

Het volgende avontuur gebeurt niet lang daarna. Alfred en Henk zijn twee figuren die regelmatig een potje schaak spelen. Tijdens een van deze partijtjes, waarbij Henk erg lang moet nadenken voor iedere zet, wordt Alfred een beetje slaperig en valt zelfs in slaap. Dan wordt hij opeens opgeschrikt door een stem. Het blijkt de stem te zijn van de witte schaakkoningin. Deze koningin begint ineens tegen Alfred te praten. Ze vraagt Alfred of hij haar een keer mee wil nemen naar zijn wereld. Het schaakbord wordt een beetje saai voor haar. Natuurlijk neemt Alfred haar mee en samen gaan ze een stukje vliegen boven de woonplaats van Alfred, Polderstad. Tijdens deze vlucht zijn ze getuige van een inbraak in een woning. De volgende dag gaat Alfred met Henk boodschappen doen. In de supermarkt komen ze Dolf de Kraai tegen. Dolf is een oude bekende van Alfred. Dolf heeft Alfred altijd al als zijn vijand beschouwd en deze relatie is nooit echt veranderd. Als ze aan de praat raken hebben ze het ook over de inbraak van die nacht. Daar was Dolf namelijk bij betrokken. Alfred weet heel zeker dat het echt is gebeurd, maar Dolf doet of hij van niets weet en Henk beweert dat het een droom was. Als ’s middags de politie langs komt bij Alfred en Henk, wordt het nog verwarrender. De politie beweert namelijk, dat een getuige Alfred heeft gezien met een witte dame in zijn gezelschap. Maar ook nu blijft Henk zeggen dat het een droom moet zijn geweest. De volgende avond, tijdens een spelletje schaak, wordt Alfred weer door de witte koningin gevraagd een stukje te gaan vliegen. Natuurlijk gaat Alfred weer mee. Dit keer gaan ze ook landen, om de stad eens wat beter te kunnen bekijken. Weer komen ze Dolf tegen. Dolf stelt aan de koningin voor samen een stukje te gaan lopen, zodat hij haar de stad kan laten zien. Alfred krijgt meteen argwaan. Dit blijkt niet onterecht te zijn, want al als ze de hoek van de straat om zijn, steelt Dolf de kroon van de koningin en gaat hij er vandoor. Natuurlijk gaat Alfred er achteraan, maar helaas krijgt hij Dolf niet te pakken. Daarom wordt de hulp ingeroepen van de rest van de schaakstukken. Met een heel leger aan schaakstukken gaan ze naar de schuilplaats van Dolf. Als ze het gebouw bestormen weet Dolf weer te ontsnappen. Alfred zet dan de achtervolging in en uiteindelijk weet hij de kroon toch te pakken te krijgen. De kroon brengt hij snel terug naar de koningin, maar het is al te laat. Doordat de zon opkomt zal de koningin nooit meer kunnen leven en altijd een saai schaakstuk blijven vanaf nu. Snel gaan ze terug naar Alfreds huis waar Henk net wakker wordt. Dan is ook dit avontuur weer goed afgelopen.

Na een lange winterslaap zoeken Henk en Alfred elkaar weer eens op. Bij dit weerzien laat Henk een foto zien van Alfred toen hij bij de Zeeverkenners zat. Door deze foto krijgen ze allebei weer zin om naar zee te gaan. Als ze een tijdje op het strand liggen wordt hun aandacht ineens getrokken door vuurwerk. Ze gaan kijken en zien dat er een nieuwe boot te water wordt gelaten. Het is een splinternieuwe vissersboot, waarmee in korte tijd heel veel vis gevangen kan wordenen die meteen ingeblikt kan worden. Het is op zich een geweldige boot, maar voor de haringen is het minder mooi. Ze raken met de haringen aan de praat en deze zijn erg bang voor de boot. Ze zullen in korte tijd namelijk allemaal worden uitgeroeid. Om de haringen een handje te helpen, gaan Alfred en Henk hulp zoeken bij een zaagvis. Als deze zaagvis de boot in tweeën zaagt, zal de boot zinken en kan hij dus geen vissen meer vangen. Als Wiedewiedewagen, de zaagvis, de boot laat ontploffen door een gat te zagen onder de machinekamer, lijkt het probleem opgelost. Maar helaas is dat niet waar. Professor Hannibal, die ook de eerste boot had ontworpen, heeft namelijk al weer een nieuwe boot ontworpen die nog beter is.

Deze zal ook gestopt moeten worden. Maar om ook deze boot op te blazen, of in tweeën te zagen, vinden Alfred en zijn vrienden geen goed idee. Dan zal er namelijk gewoon weer een nieuwe gemaakt worden. Ze zullen dus iets moeten bedenken, waardoor er nooit meer gevaren kan worden met dit soort boten. Een van de dieren die zich met het probleem bezig houdt, Parmesanides, heeft ineens het idee om de haven te gaan blokkeren, waardoor de boten niet meer kunnen uitvaren. Maar hoe kun je een haven blokkeren? Het idee is om een walvis vanaf de Zuidpool naar Groot Waterland te halen en die bij de uitgang van de haven te leggen. Dan kan er geen boot meer in of uit. Alle dieren vinden het een goed idee en daarom gaan Alfred en Henk met een rubber bootje op weg naar de Zuidpool.

Deze reis verloopt niet helemaal voorspoedig. In Groot Waterland zijn ze er namelijk achter gekomen (via Lispel de Kwal), dat Alfred en Henk op weg zijn naar de Zuidpool om die walvis te halen. Om te voorkomen dat de reis een succes wordt, wordt de hulp ingeroepen van Kolonel Rangpang. Dit is een kolonel, die ook op de boot aanwezig was, toen Alfred bij de zeeverkenners mee deed aan de race tegen Groot Musland. Kolonel Rang Pang krijgt de opdracht om bij de zeeëngte van Gibral het duo gevangen te nemen. Natuurlijk lukt dit. Maar al snel komt de kolonel erachter dat het om Alfred J. Kwak gaat. Omdat hij Alfred kent en hem niet in de weg wil staan bij zijn goede bedoelingen, laat hij Henk en Alfred bijna meteen weer vrij.
Hierna kunnen Alfred en Henk hun reis weer voortzetten, richting Zuidpool. Als ze enige dagen later in een storm terecht komen, raakt hun boot lek en spoelen ze aan op een onbewoond eiland. Helemaal onbewoond is dit eiland toch niet. Er zijn namelijk een paar buitenaardse wezens op. Deze wezens komen af en toe naar het eiland toe om Marbo’s te verzamelen. Marbo’s zijn paarse vruchten, die alleen op dat eiland groeien. Voor dieren als Alfred smaken de vruchten heel vies, maar ze hebben wel een heel sterke geur. Omdat de buitenaardse wezens niet kunnen ruiken is het voor hen erg moeilijk de vruchten te vinden. Alfred spreekt met de wezens af, dat als zij de boot maken, Alfred en Henk een grote hoeveelhied Marbo’s zullen verzamelen. Dit gebeurt natuurlijk zoals afgesproken. Maar als ze bijna klaar zijn, begint het eiland ineens hevig te beven en komt er een hard gerommel uit de grond. Het eiland blijkt een vulkaan te zijn en deze vulkaan kan ieder moment uitbarsten (daarom kwamen de ruimtewezens de laatste Marbo’s halen). In een race tegen de klok wordt de boot van Alfred en Henk gemaakt en kunnen ze nog net op tijd allemaal het eiland verlaten. Vlak voordat het hele eiland wordt weggevaagd door de vulkaanuitbarsting, zien Alfred en Henk vanuit de boot het ruimteschip nog net op tijd opstijgen. Als cadeautje krijgen ze van de vrienden uit de ruimte nog een klein doosje mee met bolletjes. Als deze bolletjes in het water worden gehouden, zetten ze uit en wordt het voedsel. Dit kan ze nog goed van pas komen op hun lange reis naar de Zuidpool. Als ze eindelijk op de Zuidpool aankomen, blijkt dat ze niet de enigen zijn die een walvis zoeken. Er varen daar ook walvisvaarders rond. Als ze met hun rubberbootje langs een walvisvaarder varen, gaat Alfred aan boord van de grote boot, om eens een kijkje op zo’n boot te nemen. Natuurlijk wordt hij niet met open armen ontvangen. Ze proberen hem zo snel mogelijk van de boot te krijgen. Maar als een van de matrozen een walvis ziet, is de aandacht al snel daarop gericht. Ze proberen met een harpoen de walvis te vangen. Maar dankzij Alfred mist de harpoen zijn doel. Bij het volgende schot, dat ook op de walvis is gericht, vliegt Alfred mee met de harpoen, die weer zijn doel mist. Alfred is nu dus van de boot, maar de walvis wordt nog steeds achterna gezeten. Gelukkig is er op het ijs, waarop Alfred is geland, op dat moment een professor bezig met zijn werk. Het is professor Paljas. Paljas test daar net zijn walvisvertaler. Door de val van Alfred is deze vertaler kapot gegaan. Maar hij is niet helemaal kapot. Hij maakt nog steeds geluid. Het enige geluid wat er nog uitkomt, is een heel hoge pieptoon. Ze zetten deze pieptoon zo hard, dat alles wat zich voor de luidspreker bevindt, kapot gaat door de geluidsgolven. Ze richten het apparaat op de walvisvaarders en de boot begint te zinken. Zelfs de kapitein verbrokkelt in kleine stukjes. Hierdoor is de walvis gered.

Nu de walvis weer veilig is, kan professor Paljas weer op zijn gemak gaan werken aan zijn walvisvertaler. Als deze weer werkt, kan Alfred met de walvissen praten. Hij vraagt dan een van de walvissen om mee te gaan naar Groot Waterland. Natuurlijk doet de walvis dit. Als ze in Groot Waterland aankomen, kunnen ze met de walvis de haven blokkeren. Bovendien kunnen alle vissers op de rug van de walvis gaan staan. Hierdoor kunnen zij ook protesteren tegen de boot. Uiteindelijk voorkomen ze door deze actie dat de boot zal uitvaren en dat er ooit een nieuwe wordt gebouwd. De haringen zijn dus gered en de vissers ook.

Als het probleem met de vissen is opgelost, gaat het leven van Alfred een tijdje vrij rustig, totdat hij een keer een vervelende droom krijgt. In de droom van Alfred ziet hij namelijk, dat er een land is dat helemaal geen water heeft. Alle kanalen zijn uitgedroogd en meren of een zee zijn er ook niet. Alfred vind dat hier iets aan gedaan moet worden. Daarom bedenkt hij samen met Henk een plan om een kanaal te graven naar dit Zonderwaterland. Om geld bij elkaar te sparen voor de graafwerkzaamheden, gaat Alfred waterkroos verzamelen en verkopen. Dit werkt vrij goed en al snel heeft hij erg veel geld bij elkaar. Op datzelfde moment gaat het ergens anders in het land minder goed met het geld. De schatkist van de koning is namelijk leeg. Toch hebben ze geld nodig. Daarom besluit de ministerraad om geld te gaan lenen bij Alfred. Onder voorwaarde dat hij het geld snel terug zal krijgen en met rente, geeft hij het geld mee voor de koning. Helaas blijkt al snel dat dit niet zo verstandig was. Het geld krijgt hij namelijk niet terug. Uiteindelijk besluit Alfred dan om het geld zelf te gaan halen. Hij gaat naar het paleis van de koning. Onderweg komt hij de familie Bij tegen. Deze zou best graag met Alfred mee willen, omdat de bloemen in de tuin van het paleis erg lekkere honing hebben. De bijen mogen met Alfred meereizen, als ze heel voorzichtig op zijn staart gaan zitten, vlak onder zijn veren. Zo worden ze niet gezien en kunnen ze onopgemerkt worden meegenomen. Bij het paleis aangekomen wordt Alfred bijna meteen in de gevangenis gegooid, omdat hij maar een lastige eend is. In de kerker komen de bijen in actie. Ze steken eerst de bewaker en gaan dan samen met Alfred naar de koning toe. Als deze het geld niet wil geven wordt ook hij gestoken. De koning vlucht samen met al zijn ministers het paleis uit. Als Alfred daarna op zoek gaat naar zijn geld, blijkt dat al het geld op is. Hij zal dus opnieuw moeten gaan sparen.

Als hij eindelijk weer een hoop geld bij elkaar heeft, komt de volgende al weer vragen of hij wat van het geld mag lenen. Het is Dolf de Kraai. Dolf belooft nog mooiere dingen dan de koning deed. Als het geld naar Dolf gaat, zou hij het binnen korte tijd terug krijgen en dan zou het twee of misschien wel drie keer zo veel zijn. Dolf wil met het geld een verkiezingscampagne beginnen. Hij heeft het idee dat de koning een nietsnut is en dat het land een president nodig heeft, die eens hard optreedt en een hoop dingen verandert om bijvoorbeeld de werkloosheid tegen te gaan. Dolf zelf zou daarvoor de aangewezen persoon zijn, denkt hij zelf. Alfred is natuurlijk niet van plan zijn geld nog eens uit te lenen. Maar toch wil Dolf het geld hebben en die campagne beginnen. Op een avond krijgt Dolf te horen dat hij een erfenis heeft gekregen van ene Vink, een beruchte figuur, die met allerlei vage handeltjes veel geld heeft verdiend. Dolblij kan Dolf dan toch aan zijn campagne beginnen.

Hij pakt het behoorlijk serieus aan. Iedereen die het niet met hem eens is, wordt in de gevangenis gezet. Verder belooft hij alle werklozen aan veel werk te helpen als ze zich aansluiten bij zijn Kraaienpartij. Hierdoor krijgt Dolf veel steun. Binnen zeer korte tijd heeft hij een groot deel van het volk achter zich. Als Alfred tegen zijn campagne in verzet komt en bij Dolf langs gaat, wordt ook hij in de gevangenis gezet. In de gevangenis zit hij opgesloten samen met jonkheer Poen van Kalekoen, kolonel Rang Pang en Ollie. Met z’n allen weten ze te ontsnappen en ze vluchten naar het buurland Breed Rietland. Daar willen ze de koning van dat land om hulp gaan vragen. Die hulp krijgen ze. Ze mogen vanuit dat land een plan uitvoeren om Dolf af te zetten. Ondertussen is de koning van zijn troon gezet en ook naar Breed Rietland gevlucht. Hier bedenken ze een plan om het geld van Dolf te stelen. Als hij namelijk geen geld meer heeft, zal hij macht verliezen en dus aanhang. Hierdoor zou zijn hele actie kunnen mislukken. Daarom gaan Alfred en kolonel Rang Pang terug naar Groot Waterland om uit te vissen waar Dolf zijn geld verborgen heeft, zodat het later op een veilige manier gestolen kan worden. In de tijd dat Alfred en Rang Pang op onderzoek zijn, weet Dolf via een grote gift aan de kerk de aartsbisschop aan zijn kant te krijgen. Hierdoor zal de partij op steun van de kerk kunnen rekenen als het wat minder goed gaat. Als Alfred en Rang Pang de plek hebben gevonden waar Dolf al het geld opslaat, bedenken ze een plan om het geld daar zo snel en onopvallend mogelijk weg te krijgen. Met behulp van ratten en muizen wordt het geld via een ondergronds doolhof naar buiten gebracht. Buiten wachten dan een heleboel vogels tot ze het geld in hun snavel kunnen nemen en het dan naar Breed Rietland kunnen brengen. Op die manier weten ze het voor elkaar te krijgen dat al het geld in één nacht wordt verplaatst. Als Dolf de volgende morgen krijgt te horen dat al zijn geld verdwenen is, wordt hij heel boos en niet lang daarna verdwijnt hij uit het paleis. Nu kan de koning weer terug naar zijn troon. Hij neemt zijn taak als koning weer op en zal vanaf nu alles veel serieuzer aanpakken. Hij zal voortaan altijd klaar staan voor het volk en niet meer alleen aan zichzelf denken. Door dit gebeuren is de koning een stuk volwassener geworden.

Maar helaas is dat ook maar van korte duur. Niet lang daarna wordt namelijk aan Alfred gevraagd of hij mee wil naar het Homeloyo-gebergte. Professor Paljas gaat daar onderzoeken of sneeuwmannen bestaan. Er doen namelijk geruchten de ronde dat daar grote sneeuwmannen leven. Professor Paljas wil weten of deze geruchten waar zijn. Maar omdat hij niet alleen wil, mag Alfred met hem mee. Ook dit keer zegt Alfred weer ja en samen gaan ze naar het Homeloyo-gebergte. Ze gaan met de helikopter van professor Paljas, die ook werkt als onderzeeër en raket. Als ze aankomen in het Homeloyo-gebergte stormt het erg hard en daarom moeten ze een noodlanding maken. Dit gaat niet helemaal goed en ze landen precies op het randje van een afgrond. Door de harde klap zijn ze een tijdje bewusteloos en de helikopter staat op het punt de afgrond in te vallen. Gelukkig worden ze door iemand uit de helikopter gehaald. Als ze bijkomen liggen ze in een grot en staat er een heel groot wit wezen vlak bij hen. Het blijkt de sneeuwman te zijn. Deze is echter helemaal niet zo gevaarlijk en angstaanjagend als werd beweerd. Deze sneeuwman heeft zelfs het leven van Alfred en Professor Paljas gered.

Samen met de sneeuwman trekken Alfred en Paljas de helikopter naar een veiliger plaats. Daarna willen ze wat meer weten van de sneeuwman. Deze sneeuwman leeft al een tijd in het Homeloyo-gebergte en een heleboel anderen wezens denken inderdaad heel negatief over sneeuwmannen, maar in werkelijkheid zijn het heel zachtaardige en lieve beesten. Ineens horen ze vanuit het niets een helikopter aankomen. Het blijkt de helikopter te zijn van de rijke stinkerd K. Rokodil, die daar van alles van plan is (K. Rokodil was ook de man achter de plannen voor het pretpark in Groot Waterland, waardoor Alfred met zijn ouders, broertjes en zusjes moest verhuizen en waardoor zijn ouders en broertjes en zusjes zijn doodgereden). Samen met zijn vrouw stapt K. Rokodil uit de helikopter om de omgeving te verkennen. Ze willen in dat gebied de hoogste en grootste skipiste ter wereld aanleggen. Volgens K. Rokodil is het een ideaal gebied, dat groot genoeg is en nog helemaal onbebouwd. Van het gerucht dat er eventueel sneeuwmannen leven, trekt hij zich niet veel aan. Hij besluit binnenkort terug te komen samen met de financieel adviseur. Meteen als de helikopter weer is opgestegen, komen Alfred, Paljas en de sneeuwman in actie. Ze moeten proberen te voorkomen dat daar een skiparadijs gebouwd gaat worden. Ze besluiten gebruik te maken van allerlei technische snufjes om zo te doen alsof het daar niet veilig is. Als K. Rokodil een paar dagen later, samen met zijn financieel adviseur, terug komt, hebben ze er niet lang plezier van. Er hangt een dikke mist, waardoor ze niet veel zien. Hiervan maken Alfred en de professor dankbaar gebruik. Als de vrouw van de adviseur even alleen een stukje gaat lopen, projecteren Alfred en de professor een hologram van een monster op de mist. Bovendien gaat Alfred door een microfoon staan gillen, waardoor het net lijkt alsof ze tegenover een verschrikkelijk monster staat. Ze rent terug naar de anderen, maar die geloven haar verhaal natuurlijk niet. Totdat het hologram in hun richting komt. Nu moeten ze het wel geloven. Ze rennen naar de helikopter en vliegen zo snel als ze kunnen terug naar Groot Waterland. Het is op die manier dus gelukt om te voorkomen, dat er een groot skiparadijs gebouwd wordt in het Homeloyo-gebergte. De sneeuwman is dus veilig en zal niet worden bedreigd en het schitterende landschap zal ook intact blijven. Na dit spannende avontuur gaan de twee terug naar huis en de sneeuwman mag daar in zijn eigen vertrouwde omgeving blijven genieten van het schitterende, onaangetaste landschap.

Als Alfred een paar maanden later op reis gaat, wordt hij in de trein ineens verrast door een paar vreemde zwarte eenden. Deze eenden zitten verstopt onder de banken in de trein. Het zijn illegale immigranten uit het Thuisland. De familie bestaat uit een vader, Qua, een moeder, Blanche een zoon, die Tom heet en een een dochter die Winnie heet. Op Winnie wordt Alfred meteen helemaal verliefd. De familie is gevlucht uit het Thuisland omdat witte ganzen daar de macht hebben overgenomen en deze alle zwarte eenden onderdrukken en discrimineren. Voor zwarte eenden is het geen veilig land meer om te leven. En aangezien Qua zich er bezig hield met het verzet, wordt hij nu gezocht en moest hij zijn land uit vluchten met zijn gezin. Meteen als Alfred weet wat er precies aan de hand is, biedt hij de familie hulp aan. Ze mogen een tijdje bij Alfred komen wonen, tot ze een verblijfsvergunning hebben gekregen.

Als ze in het huis van Alfred zitten, worden ze afgeluisterd door de spion Lispel de Kwal, en die gaat naar Wannes de Gans, een goede vriend van Dolf, toe om te vertellen dat er een paar illegale zwarte eenden bij Alfred logeren (Lispel en Wannes denken dat Dolf het wel leuk zal vinden als Alfred in de problemen komt). De politie wordt door Wannes ingeschakeld en de zwarte eenden worden gearresteerd. Alfred is het er niet mee eens. Want als ze worden teruggestuurd naar het Thuisland, is hij Winnie kwijt en natuurlijk is het niet goed als het gezin daar in de gevangenis zal komen omdat ze opkomen voor hun rechten als zwarte burger. Daarom gaat hij bij de koning vragen of ze een verblijfsvergunning kunnen krijgen. De koning maakt een brief voor de burgemeester en die geeft de familie dan een verblijfsvergunning. Toch willen de ouders van Winnie terug naar het Thuisland. Ze willen namelijk doorgaan met hun strijd voor vrijheid en gelijkheid. Alfred besluit met Qua en Blanche mee te gaan om te helpen. Op de boot naar Thuisland komen ze Wannes de Gans tegen. Deze gaat ook naar Thuisland. Hij zal er alles aan doen om het voor de zwarte eenden moeilijk te maken, want hij is voor de apartheid (hij hoort er goede dingen over van zijn neef die in het Thuisland woont). Hij stuurt dan ook een telegram naar de politie in Zwarterdam, om aan te geven dat ze op de boot zijn en voor die tijd illegaal het land waren uitgevlucht. Om te voorkomen dat Qua en Blanche worden opgepakt bij aankomst in de haven, gaan ze ’s nachts met een reddingsboot van boord en roeien ze naar Zwarterdam. Zo weten ze aan de politie te ontkomen. Als ook Alfred is aangekomen in Zwarterdam, krijgt hij te horen dat hij twee dagen in het land mag blijven omdat hij blank is, anders had hij helemaal niet mogen blijven, want hij is voor de zwarte eenden. In die twee dagen gaat Alfred natuurlijk proberen zo veel mogelijk te zien van de apartheid en discriminatie in het land en probeert hij te helpen zoveel hij kan. Hij gaat ook een keer langs bij Qua en Blanche, die op dat moment een bijeenkomst hebben van zwarte eenden, die willen vechten tegen de apartheid. Alfred houdt daar een korte toespraak, waarin hij vertelt dat hij vanuit zijn eigen land alles zal proberen om de apartheid in het Thuisland te laten verdwijnen. Na deze toespraak gaat hij nog een tijdje verder kijken in het land en als zijn twee dagen om zijn gaat hij terug naar Winnie en Tom, die nog steeds in Groot Waterland zijn.

Enige tijd later gaan ze met z’n drieën op vakantie naar Aloba. Dit is een klein tropisch eilandje. Op de boot op weg naar het eiland komen ze in contact met een professor. Deze professor gaat onderzoeken waarom het eiland beweegt. Het blijkt namelijk dat het eiland zich ieder jaar enkele meters verplaatst. Alfred komt dan op het idee dat het misschien komt, omdat het eiland op de rug van een enorme schildpad ligt. In eerste instantie moet de professor er heel hard om lachen. Maar als hij er beter over nadenkt, ziet hij in dat dat best wel mogelijk is. Daarom besluit de professor een keer met een onderzeeër te gaan duiken. Als het namelijk inderdaad een schildpad zou zijn, zou je er onderdoor kunnen varen en dan de onderkant van de schildpad moeten zien. Samen met Alfred gaat hij de diepte in en het blijkt nog waar te zijn ook. Ze kunnen inderdaad onder het eiland door varen en ze zien de onderkant van het schild van de schildpad. Omdat de professor een bioloog is, gaan ze eens wat beter kijken onder het eiland. Als het een schildpad is, moeten er aan de onderkant groeven zitten. Die zitten namelijk altijd op de buik van schildpad. Ze zien inderdaad de groeven. Ze weten dus genoeg en gaan terug naar het oppervlak. Maar als ze boven komen, zien ze dat er een heel grote tornado het eiland nadert. Deze tornado zou het hele eiland in een keer kunnen vernietigen. Daarom besluiten de professor en Alfred terug te gaan naar de diepte. Ze kunnen dan proberen de schildpad wakker te maken. Als de schildpad wakker is, kan hij namelijk weg zwemmen en zo kan hij voorkomen dat het eiland op zijn rug door de tornado wordt getroffen. Ze gaan weer naar de onderkant van het eiland en gaan daar opzoek naar een grote groef in de buik. Volgens de professor moet dit de gevoeligste plaats zijn in de buik. Ze halen eerst met een paar grijpers van de onderzeeër alle aangegroeide viezigheid en planten weg en varen dan heel hard de groef in. Dit zou de schildpad moeten voelen en dat gebeurt ook, want de schildpad wordt er wakker van. Er komen een enorme kop en vier verschrikkelijk grote poten uit het schild tevoorschijn. Als de schildpad zijn kop uit het water omhoog steekt en de tornado ziet aankomen, begint hij uit zichzelf meteen te zwemmen om de tornado te ontwijken. Hierdoor wordt dus voorkomen dat het hele eiland zal worden getroffen, hetgeen zou betekenen dat alle hotels, huizen, bewoners en gasten zouden worden weggevaagd. Dankzij de professor en Alfred is dus een ramp voorkomen.

Als ze weer terug zijn in Groot Waterland heeft Henk de hulp van Alfred nodig. Henk, die geoloog is, is namelijk gevraagd te komen helpen op een booreiland. Ze zijn daar aan het boren naar olie, maar ze zijn op een rotslaag terecht gekomen waar ze maar niet doorheen kunnen. Wat ze ook proberen, iedere keer breekt de boor af. Henk wil liever niet alleen gaan, omdat het weer de mensen blijken te zijn die er vroeger voor hebben gezorgd dat de familie Kwak moest verhuizen, waarbij de ouders van Alfred waren omgekomen. Daarom vraagt hij of Alfred mee wil. Natuurlijk gaat Alfred mee en samen gaan ze met de boot op weg naar het booreiland. Als ze daar aankomen wordt weer geprobeerd om door de harde rotslaag heen te boren. Dit keer hebben ze op de boorkop een heel grote diamant geplaatst. Deze is door een diamantdeskundige (Pikkie de Ekster) uitgekozen. Volgens Pikkie zou het hiermee moeten lukken, omdat deze diamant de hardste steensoort is die op aarde voorkomt. Maar ook deze poging mislukt en de gebruikte diamant is ook opeens verdwenen. Ze besluiten naar beneden te gaan om. Misschien vinden ze de diamant dan ook terug. Met een onderzeeër gaan Henk, Alfred en Pikkie naar beneden. Daar blijkt de diamant niet te vinden en het is ook moeilijk te bepalen wat voor laag het is. Als ze daar in de diepte rondvaren, wordt de onderzeeër ineens aangevallen door een haai. Deze bijt de zuurstofslang door. Ze raken allemaal buiten bewustzijn en boven wordt gevreesd dat ze het niet hebben overleefd. Onder zee blijkt het echter iets anders te lopen. Het drietal is namelijk gered door een vreemd volk dat onder water leeft. Als ze in het ziekenhuis bijkomen blijken ze in Atlantis te zijn. Dit is een land dat volgens allerlei legendes zou zijn gezonken en waar nooit meer iets van is teruggevonden. Atlantis blijkt dus nog steeds te bestaan en er wonen zelfs nog wezens. De bewoners van Atlantis leven daar in een heel grote luchtbel en ze zijn daar nu zo aan gewend, dat ze nooit meer boven de zeespiegel zouden kunnen leven. Dat is ook het grote probleem waar Henk, Pikkie en Alfred rekening mee moeten houden. Als ze daar te lang blijven, kunnen ze namelijk ook niet meer terug naar boven, omdat ze dan al te veel gewend zijn aan de atmosfeer daar.

Een ander groot probleem is dat Atlantis geheim moet blijven. Als ze terug worden gestuurd naar boven, bestaat de kans dat een van de drie een keer iets vertelt, waardoor Atlantis gevaar zou lopen. Daarom wordt er lang aan getwijfeld of ze Alfred, Henk en Pikkie wel terug laten gaan. In de tussentijd krijgen de drie wel een rondleiding door het land en krijgen ze allemaal heel mooie dingen te zien. Tijdens die rondleiding krijgen ze ook te horen wat nou het probleem is met die boorkop. Ze probeerden namelijk vanaf het booreiland door het dak van Atlantis te boren. Om te voorkomen dat dit zou lukken, werd iedere keer de boor kapot gemaakt door een van de wezens van Atlantis. Deze figuur had dus ook de diamant van de boor gezaagd bij de laatste boorpoging. Pikkie wil die diamant natuurlijk terug. Omdat ze in Atlantis hebben besloten dat ze terug mogen naar boven, krijgt Pikkie de diamant ook mee. Ze moeten natuurlijk wel beloven, dat ze het aan niemand zullen vertellen en dat het boren ook wordt gestopt. Dit beloven ze, en ze mogen daarna terug gaan naar hun eigen wereld. Ze krijgen wel een zender mee, zodat, als er tijdens de reis iets mis zou gaan, ze nog om hulp kunnen vragen. Als ze worden gelanceerd, in een grote glazen luchtbel, wordt nog een keer geprobeerd, door een van de mensen in Atlantis, om ze toch daar te houden, maar het is al te laat. Als ze boven water komen, zijn alle mensen van het booreiland en Winnie, die ook al was gekomen om te helpen zoeken, heel blij dat ze veilig terug zijn. Eenmaal op de boot gooit Alfred de zender terug de zee in en hij vertelt aan Winnie dat hij niet mag praten over wat er met ze is gebeurd. Zij heeft hier begrip voor en zal er ook nooit naar vragen.

Weer thuisgekomen gaat Winnie op zoek naar werk. Ze kan gaan werken als secretaresse bij Professor Ramses. Ramses is een egyptoloog, die les geeft aan een universiteit. Deze Ramses wordt ineens heel ziek. Hij vraagt of zijn goede vriend, professor Paljas, bij hem wil komen. Aan Paljas vertelt hij dan dat hij een heel erge ziekte heeft, die niet is te genezen, tenzij er een medicijn wordt gehaald uit de sarcofaag van Toet Kat Kammon. Maar volgens de verhalen kan alleen een heel moedig iemand deze sarcofaag binnen. Daarom besluiten professor Paljas en Alfred samen naar Egypte te gaan om daar op zoek te gaan naar het medicijn. De sarcofaag van Toet Kat Kammon zou te vinden zijn in de piramide van Ops. Dit is de grootste piramide van Egypte. Een vrouw werkt daar als gids. Zij vertelt dat ze niets weet van een zuidelijke ingang, die Paljas en Alfred moeten gebruiken, maar ze zegt wel dat ze misschien via de noordelijke ingang uiteindelijk op dezelfde plek kunnen uitkomen. Daarom gaan Alfred en Paljas mee met een expeditie door de piramide en halverwege verlaten ze het gezelschap om hun eigen weg te gaan.
Tijdens de tocht die ze dan maken, gebeuren er allerlei vreemde dingen. Eerst worden ze opgesloten in een klein kamertje. Als ze op zoek gaan naar een uitgang, komt er uit een klein gaatje in de muur ineens een slang tevoorschijn, die de hele kamer vol rook zet. Hierdoor raken Alfred en Paljas tijdelijk buiten bewustzijn. Als ze weer bijkomen, hypnotiseert Paljas de slang, om met het verstijfde lichaam ervan te proberen enkele stenen los te wrikken. Dit lukt niet, dus als de slang weer bijkomt, vragen ze aan hem hoe ze eruit moeten komen. De slang wil het na enige dreigementen van Paljas wel vertellen. Dan kunnen Alfred en Paljas eindelijk verder met hun tocht. Als ze weer iets verder zijn, wordt de trap waarop ze lopen ineens een glijbaan, doordat alle treden ineens wegklappen. Dan komt er vlak daarna een heel grote stenen bal aanrollen, die Alfred en de professor dreigt te verpletteren. Gelukkig weten ze ook dit keer te ontkomen. In de ruimte die ze daarna binnengaan, lijkt het of ze de hele tijd door grote blokken steen bijna worden geplet. Ze moeten steeds bovenop de stenen klauteren om te voorkomen dat ze ertussen worden verbrijzeld. Als ze ook dit avontuur overleven, worden ze wakker in de hoofdgang van de piramide.
Dit was dus ook niet de goede route naar de sarcofaag. Daarom gaan ze nog eens vragen aan de gids of zij iets weet. Ze vertelt dan dat er wel misschien iemand is die meer weet. Het is de waarzegger Onobola in een stadje vlakbij. Alfred en professor Paljas gaan naar hem toe en zien dan tot hun schrik, dat de waarzegger sprekend lijkt op professor Ramses. Van deze waarzegger krijgen ze te horen, dat ze toch de piramide binnen moeten via een opening aan de zuidkant. Om die ingang te vinden moeten ze volgens de kleindochter van de waarzegger om precies 8 uur 45 aan de zuidkant staan. Als ze dan langs de piramide kijken zien ze ergens een plekje glinsteren. Dat is de ingang. De volgende dag komen ze terug en inderdaad begint er om 8 uur 45 iets te glinsteren. Ze gaan erheen en via die ingang komen ze vrij snel bij de sarcofaag terecht. Daar omtmoeten ze de vrouwelijke Farao die daar huist. Deze blijkt de kleindochter te zijn van de waarzegger. Zij vertelt dat de waarzegger de neef is van Ramses. Omdat zij erg op Ramses gesteld is, krijgen ze het medicijn mee. Snel vliegen ze daarna naar Groot Waterland terug en dankzij dat medicijn knapt Ramses heel snel op en is hij al na een paar dagen helemaal de oude. Nu hebben Alfred en Winnie eindelijk weer tijd om samen leuke dingen te gaan doen.

Hierna beleeft Alfred natuurlijk nog veel meer avonturen, maar deze zijn niet op cassette, video of cd verschenen. Van nog enkele van zijn avonturen zijn wel tekenfilms gemaakt. Maar omdat dit werkstuk niet bedoeld is als biografie, laat ik de andere avonturen weg. De hiervóór behandelde verhalen zijn het belangrijkst om inzicht te krijgen in het leven van de eend Alfred Jodocus Kwak.

Het leven van een kunstenaar

Hermannus Jantinus van Veen werd op 14 maart 1945 in Utrecht geboren op de trappen van het ziekenhuis. Hij groeide op samen met zijn twee zussen Hanneke en Mary. Zijn vader was typograaf bij Het Parool, zijn moeder huisvrouw. Al op achtjarige leeftijd volgde hij, na schooltijd, zang- en vioolles. Op z’n zeventiende ging hij studeren aan het Utrechts conservatorium. Voor het eindexamenfeest verzorgde hij samen met zijn medestudenten Laurens van Rooyen, Erik van der Wurff en Marijke Bosma een cabaretavond. Het was een muzikale clowneske eenmansvertoning met de naam Chantant Harlekijn. De voorstelling zat vol parodieën op klassieke muziek, nonsens en abacadabrateksten. Het werd een enorm succes en de groep besloot na de diploma-uitreiking verder te gaan met Harlekijn. Het succes bleef en het gezelschap oogstte lovende kritieken in het theaterseizoen 1967-1968.

In 1968 richt Herman samen met pianist Laurens van Rooyen het bedrijf Harlekijn-Holland B.V. op, dat uitgroeit tot een soort Art Factory die andere jonge (klein)kunstenaars een helpende hand biedt. Herman maakt datzelfde jaar ook zijn filmdebuut in Princess, geregiseerd door Herman Wuyts en zijn debuutalbum, Herman van Veen I, verschijnt. De single Suzanne, een Nederlandse bewerking van de gelijknamige ballade van Leonard Cohen, bereikt in april 1969 de vierde plaats in de hitparade. De opvolgers Cirkels en Waar Ben Je Morgen doen het echter minder goed. Het album Herman van Veen II verschijnt, maar na drie tegenvallende televisieshows voor de VARA besluit hij zich voorlopig bij het theater te houden. Herman van Veen richt in 1970 het tijdschrift Harlekijn Nieuws op, dat vanaf 1980 ook in Duitsland wordt uitgebracht. Het tijdschrift richt zich op kunst en cultuur. In 1971 wordt Herman benoemd tot Nederlandse ambassadeur van Unicef, waarvoor hij een reeks voorstellingen in Carré geeft. De kritieken zijn alweer zeer lovend. Hij wordt ook wel een ontdekking, een godenkind, waanzinnig en briljant genoemd. Twee jaar later wordt het platenlabel Harlekijn Holland opgericht, dat de producties van Herman van Veen uitbrengt en daarnaast artiesten uit het klassieke en lichte repertoire contracteert.

Een succesvol optreden in 1974 in het Schauspielhaus in Hamburg markeert het begin van een internationale carričre, die hem naar Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk, Scandinavië, Engeland, de VS en Japan zal voeren. Hij schrijft vaak zijn eigen teksten, maar zingt daarnaast ook die van Willem Wilmink, Hans Dorrestijn of Rob Chrispijn. De teksten van hem zijn niet propagandistisch of polemisch en nooit cynisch of kwetsend. Het zijn stukjes poëzie, die de luisteraar aanmoedigen op te staan en een signaal te geven, als de maatschappelijke balans in gevaar komt. Behalve muziek en teksten voor zijn eigen liedjes schrijft Van Veen ook muziek voor allerlei film- en balletvoorstellingen. Hij schrijft zowel prozateksten als gedichten en scenario's. Hij regisseert speelfilms en tv-series en acteert af en toe zelf.

Van Hermans hand verschenen er tot op heden meer dan 120 cd's in diverse talen en een vijftigtal boeken en boekjes. Hij is ook vaak bekroond. In 1976 ontving Van Veen de Louis Davidsring en in 1993 werd hij koninklijk onderscheiden en benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. In 1999 kreeg hij uit naam van de Duitse Bondspresident het Verdienstkreuz am Band des Verdienstordens der Bundesrepublik Deutschland vanwege zijn bijzondere bijdrage aan de Duits-Nederlandse verhoudingen. Hij werd onderscheiden met de Goldene Kamera (Alfred Jodocus Kwak), een Silberne Bär (filmfestival van Berlijn), acht Edisons, de Prix d'Humanité en diverse prijzen op The International TV- en Filmfestivals in New York. Herman is nog steeds zeer geëngageerd. Hij is medeoprichter van de Stichting Colombine, die kleinschalige projecten in ontwikkelingslanden en eigen land organiseert onder het motto 'De wereld delen'. In 1997 sticht hij in Benoni, Republiek van Zuid-Afrika, samen met Ron van Eeden en Maarten Sikking, de Herman van Veen Foundation. De stichting heeft als doel kinderen in hun ontwikkeling te begeleiden zodat ze hun creatieve talenten en gaven in al hun facetten kunnen ontplooien en uitdragen.

De andere mensen achter het succes van Alfred

Maar in zijn eentje had Herman van Veen het hele verhaal van Alfred J. Kwak niet kunnen maken zoals het nu is. Mede dankzij de hulp van anderen, onder wie Erik van der Wurff en Harry Sacksioni, is het een groot succes geworden.

Erik ontmoette Herman van Veen voor de eerste keer in 1963, bij de introductiedagen van het Conservatorium in Utrecht, waar Van Veen op dat moment met zijn studie begon. Erik zag meteen dat Herman afwijkend gedrag vertoonde ten opzichte van de overige leerlingen. In die tijd was het namelijk zo, dat muziekstudenten serieuze lieden waren die zich voorbereidden op een loopbaan in ernstige muziek. Erik zelf had een voorliefde voor de lichte muziek. Tegenwoordig zijn voor deze muziekrichting beroepsopleidingen, maar toen was het nog een zaak die ‘heimelijk’ bedreven diende te worden. Maar het bleek dat Herman eenzelfde ketter was als Erik zelf.

Een voorbeeld dat Erik daarvan geeft is het volgende:
“Zo herinner ik mij het moment waarop hij een met triplex plaat afgedekte pauk met de handen bewerkte, alsof het een Afrikaanse tamtam betrof, terwijl hij tegelijkertijd met zijn voeten tapdanceachtige bewegingen uitvoerde.” Op dat moment wist hij zeker, dat Herman van Veen niet zo’n type was dat enkel bewoog tussen Monteverdi en Verdi of tussen Bach en Offenbach. Deze gemeenschappelijke interesse leidde tot een nadere en intense kennismaking, die niet alleen tot het muzikale beperkt bleef. Ze waren beide organisatorisch actief in de leerlingenvereniging, en ze waren samen diverse malen gastspelers in het voetbalteam van het plaatselijk symfonieorkest. Na verloop van tijd vormden ze met nog twee andere medeleerlingen een groepje. Dat hield zich bezig met kleinkunst, komische acts en volksmuziek uit de Balkan. Repertoire hiervoor was nauwelijks of niet aanwezig, en mede omdat ze in die jaren sterk geďnteresseerd waren in jazzmuziek, zaten ze vaak tot diep in de nacht met een primitief bandrecordertje de internationale radiozenders af te stropen, teneinde Benny Golston of Bill Evans te ontfutselen aan The Voice of America; aan Radio Boedapest onttrokken ze enkele interessante zigeunerdeunen. De volgende dag analyseerden ze in studietijd, bestemd voor Pachelbel of Schütz, hun opnamen.
Een tijd lang bedreven Erik en Herman samen hun dagelijkse solfčge-oefeningen (training voor het gehoor), die steevast besloten werden met een kort recital, bestaande uit hun nieuwste repertoire.

Een ander facet van Herman, waar Erik erg enthousiast over was, was dat Herman kans zag om uit ieder instrument een geluid te ontrekken. Zo had hij een oude viool geruild voor een nog oudere saxofoon. Hierop vertolkte Herman, zonder enige voorbereiding of studie, vrolijke wijsjes. Echter tot afkeuring van Hermans moeder, die van tijd tot tijd poogde het saxofoongeluid te dempen met behulp van een closetrol. Zo was een goede vriendschap ontstaan, die lang voortduurde. Toen Herman met Alfred begon, hielp Erik mee. Samen schreven ze de muziek en Erik verzorgde samen met Nard Reijnders ook het arrangement. Bij het eerste optreden van Alfred Jodocus Kwak (met het Symfonie Orkest) was Erik de dirigent.
Herman bedacht steeds de wildste ideeën en Erik bekeek of het uitvoerbaar was. Herman wilde wereldwijd bekendheid, iedereen verklaarde hem voor gek. Erik steunde hem, en nu is het heel normaal als Herman weer een optreden geeft in Amerika.

Een tweede belangrijke persoon is Harry Sacksioni. Deze heeft ook geholpen bij het ontstaan van Alfred Jodocus Kwak. Vooral bij de voorstellingen met het Symfonie Orkest was hij van belang. Bij de latere verhalen van Alfred doet hij minder. Hij helpt Herman met het schrijven van de teksten.
Harry wilde eigenlijk een voetbalcarričre, maar toen dit niet lukte, koos hij dan toch maar voor de muziek. Na in verschillende beatgroepjes te hebben gezeten wordt de pas 17-jarige Sacksioni studiomuzikant. Hij schrijft in deze tijd bovendien voor artiesten zoals Sandra en Ronny Tober. Op de podia is hij te zien als begeleider van de cabaretier Sieto Hoving. Herman van Veen is een rijzende ster aan het cabaret-firmament. Dit merkt Harry Sacksioni en wordt daarom zijn begeleider. Voor de caberet-optredens van Herman wordt hij steeds belangrijker. Na enige tijd ziet Harry echter, dat het dubbelleven dat hij leidt als begeleider van Herman van Veen enerzijds, en als soloartiest anderzijds, de kwaliteit van zijn eigen albums negatief beďnvloedt, en daarom besluit hij te stoppen met de optredens met Van Veen. Ondertussen heeft hij echter wel vele teksten voor en met Herman geschreven en heeft hij ook geholpen met het begin van Alfred Jodocus Kwak.

Aangezien Alfred vooral bekend is geworden door zijn tekenfilms, cd’s, cassettebandjes en boekjes, is het logisch, dat er meer mensen voor nodig zijn geweest om Alfred tot een succes te maken. Zo zijn er velen die de stemmen hebben ingesproken, waaronder Ryan van der Akker (Alfred Jodocus Kwak), Frits Lambrechts (Henk de Mol), John Kraaykamp Jr. (Dolf de Kraai) en Herman van Veen zelf, die de stem doet van vele personen zoals Johan Kwak, Professor Paljas en Krabnagel de Kat. Ook vertelt Herman de stukjes op de cd’s en cassettebandjes op momenten, dat er in de tekenfilm alleen maar beelden zijn of niet duidelijk te verklaren geluiden. Tevens zingt hij vaak de liedjes die in de verhaaltjes voorkomen. Maar aangezien de verhalen niet alleen als tekenfilm uitkwamen maar ook als strip, mogen de namen Hans Bacher en Harald Siepermann zeker niet vergeten worden. Natuurlijk zijn er ook nog de Japanse mensen die de tekenfilms zijn begonnen en nog vele anderen die uiteindelijk hebben meegewerkt. Maar dat zijn er teveel om op te noemen, dus laat ik het hier maar bij.

Klik [ARTIKEL=]hier[/ARTIKEL] voor deel 2.
© 2007 - 2010 Marileen, gepubliceerd in Werkstuk (Educatie en School) op 14-02-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Marileen is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Alfred Jodocus Kwak (deel 1)"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.