Taal en Spelling

Nederlands - spelling

Nederlands - spelling

De spelling van de Nederlandse taal is pittig. Vaak worden er fouten gemaakt met d's en t's. Ook zijn er nieuwe regels in de spelling bedacht, waardoor iedereen ineens weer bepaalde woorden anders moet schrijven. Met een aantal regels en ezelsbruggetjes kunt u het onder de knie krijgen.


Werkwoord

  • Dit is het woord in de zin dat een handeling of toestand uitdrukt. Tevens geeft het aan in welke tijd iets plaatsvindt.
voorbeeld; De kinderen spelen buiten.
  • Er kunnen meerdere werkwoorden of werkwoordsvormen in een zin voorkomen.
voorbeeld; De kinderen hebben buiten gespeeld.
  • Het werkwoord kan tevens een persoonsvorm, voltooid deelwoord of bijvoeglijk naamwoord zijn.
  • Het zijn vervoegingen, dat betekent dat het verbonden kan worden met een persoon of zaak.

Persoonsvorm

  • Dit is de werkwoordsvorm die aangeeft in welke tijd de zin staat.
voorbeeld; De kinderen spelen buiten. (ze spelen, dus het gebeurt nu)
  • Om de persoonsvorm te vinden, zet je de zin in een andere tijd. Dus van tegenwoordige tijd in verleden tijd en andersom.
voorbeeld; De kinderen speelden buiten. (speelden is dus de persoonsvorm)
  • Een zin met 1 persoonsvorm heet een enkelvoudige zin.
  • Een zin met meer dan 1 persoonsvorm heet een samengestelde zin.

Persoonsvorm in onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.)

  • Om de persoonsvorm in tegenwoordige tijd te kunnen vinden maak je er een stam van, of je zet er ik voor.
stam = de persoonsvorm zonder -en erachter.
  • Hierbij zijn een aantal uitzonderingen, zoals; zetten, jokken, 2 medeklinkers als stam kan niet (zett, jokk).
  • Andere uitzonderingen; besteden, maken; bij het uitspreken hoor je verdubbeling van de klinker, dus wordt dat ook zo geschreven.
voorbeeld; besteden wordt besteed, maken wordt maak.
  • Er is geen werkwoord dat eindigt op een v of z als stam, die veranderen in een f en s.
voorbeeld; bonzen wordt bons.

Onvoltooid tegenwoordige tijd

enkelvoud1e persoonikstamloop
2e persoonjij/je/ustam+tloopt
3e persoonhij/zij/hetstam+tloopt
meervoud1e persoonwijhele werkwoordlopen
2e persoonjulliehele werkwoordlopen
3e persoonzijnhele werkwoordlopen

  • Onder de 3e persoon meervoud of enkelvoud vallen ook zaken, mensen, dieren of dingen.
voorbeeld; boek, huis, jongen, poes.

Ezelsbruggetje
Gebruik het woord lopen i.p.v. de persoonsvorm. Hoort u een een t, dan is het dus de persoonsvorm stam+t.

Persoonsvorm in de verleden tijd (o.v.t.)

Sterke werkwoorden
Door het omzetten van t.t. naar v.t. krijg je klankverandering van de persoonsvorm.
Voorbeeld; lopen - liepen
Zwakke werkwoorden
Er komt -te of -de (enkelvoud) of -ten of -den (meervoud) achter de stam.
Voorbeeld; melden wordt meldde.

't Kofschip

  • Als de stam op een zwak werkwoord eindigt, op een van de medeklinkers van het 't kofschip, dan komt er -te of -de (enkelvoud) of -ten of -den (meervoud) achter de stam.
  • De o en de i zitten er alleen tussen om er een makkelijk ezelsbruggetje van te maken.
  • Voorbeeld; zet - zette, blaf - blafte
  • Uitzondering; bij de z en v wordt het een s of f.

Hoe vind je de persoonsvorm in de verleden tijd
Stel jezelf de vraag; kun je er gisteren of vroeger bij denken? Ja? Dan is het de persoonsvorm.

Special

Nederlandse taal

Gerelateerde artikelen

Hoofdletters en kleine letters
Taalkundig ontleden
Redekundig ontleden
© 2007 - 2010 Coby79, gepubliceerd in Taal (Educatie en School) op 27-09-2007, laatst gewijzigd op 30-09-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Coby79 is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen

Bronnen en/of referenties

  • Correct Nederlands schrijven en spreken - NHA

Reageer op het artikel "Nederlands - spelling"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.