Taal en Redekundig Ontleden

Grammaticalijn voor de basisschool

Grammaticalijn voor de basisschool

Taalmethodes in het basisonderwijs besteden soms nauwelijks aandacht aan een duidelijk overzicht van de grammaticaregels voor de leerlingen. In de handleidingen staan wel uitgebreide overzichten voor de leerkracht. Vandaar dat ik een leidraad heb ontwikkeld voor de kinderen waarin overzichtelijk vrijwel alle problemen rond het benoemen van zinsdelen (zgn. redekundig ontleden) en woorden (taalkundig ontleden) voor groep 6 t/m 8 aan de orde komen. Belangrijk voor het inzicht in vreemde talen.


Handleiding grammatica voor groep 6

ZINSDELENWOORD BENOEMEN
GEZEGDEAlle werkwoordenLIDWOORDDE, HET, EEN
VoorbeeldHij HEEFT GEWERKT.VoorbeeldDE lucht, HET hek, EEN paard
ONDERWERPWIE-deel van de zinZELFSTANDIG NAAMWOORDnamen van mensen, dieren, planten, dingen
VoorbeeldHIJ heeft gewerkt.Voorbeeldde LUCHT, het HEK, een PAARD
PERSOONSVORMEerste WERKWOORD in de zin; staat vooraan in een vraagzinBIJVOEGLIJK NAAMWOORDzegt iets over een ZELFSTANDIG NAAMWOORD en staat er vóór
VoorbeeldHij HEEFT hard gewerktVoorbeeldhet LANGE, BLONDE haar
ZINSKERNOnderwerp+GezegdeVOORZETSELaan-achter-bij-binnen-boven-buiten-door-in-langs-met-na-nabij-naar-naast-om-onder-op-over-rond-te-tegen-tijdens-tot-uit-van-via-voor-wegens-zonder


Handleiding grammatica voor groep 7

ZINSDELENWOORD BENOEMEN
LIJDEND VOORWERPWAT-deel in de zinWERKWOORDHet DOE-woord: wat gebeurt er?
VoorbeeldIk laat DE HOND uit.VoorbeeldHij HEEFT snel LEREN FIETSEN.
MEEWERKEND VOORWERPDeel van de zin waarin iemand of iets MEEdoetBIJWOORDZegt iets over een BIJVOEGLIJK NAAMWOORD of WERKWOORD
VoorbeeldIk laat MET OPA de hond uit.VoorbeeldHij heeft SNEL leren fietsen.
BEPALINGHOE-WAAR-WANNEER-deel van de zinVRAGEND BIJWOORDHOE, WAAR, WAAROM, WANNEER
VoorbeeldHij lag GISTEREN (wanneer) ZIEK (hoe) IN BED (waar).


Handleiding grammatica voor groep 8

ZINSDELENWOORD BENOEMEN
WERKWOORDELIJK DEEL van het GEZEGDEPERSOONLIJK VOORNAAMWOORDik-je-jij-ze-zij-ie-we-wij-jullie-u-me-hem-hen-jou-ons-haar (zonder ZELFST. NAAMW.)
VoorbeeldHij WAS ziek.VoorbeeldIK zag HAAR met JULLIE naar HEM toelopen.
NAAMWOORDELIJK DEEL van het GEZEGDEBEZITTELIJK VOORNAAMWOORDmijn-haar-jouw-zijn-uw-hun-ons-onze-jullie (+ZELFST. NAAMWOORD)
VoorbeeldHij was ZIEK.VoorbeeldHAAR huis, UW vrouw, JOUW fiets, HUN auto
AANWIJZEND VOORNAAMWOORDdeze-die-dat-dit-dergelijke-zulke
VOEGWOORDals-dan-doordat-dus-en-indien-hoewel-maar-nadat-of-omdat-opdat-tenzij-terwijl-toen-voordat-want-zodat
VRAGEND VOORNAAMWOORDwat-welke-wie-wiens
© 2007 - 2009 Staal, gepubliceerd in Taal (Educatie en School) op 17-12-2007, laatst gewijzigd op 17-12-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Staal is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Grammaticalijn voor de basisschool"


Door Annemarie op 17-01-2009

Foutje!
Ik laat MET opa de hond uit.
Volgens mij is MET een voorzetsel en geen meewerkend voorwerp. Een meewerkend voorwerp kan je weglaten en dan krijg je: Ik laat op de hond uit. Dat kan niet, dus is MET geen meewerkend voorwerp Reactie infoteur op 17-01-2009:Dan wordt de zin dus: ik laat opa de hond uit(!), als je met weglaat. Meewerkend voorwerp is altijd een zinsdeel: 'met opa'. Voorzetsels zijn geen zinsdelen maar losse woorden.

Staal