Samenvatting Feniks: democratische rechtsstaat Nederland

Samenvatting Feniks: democratische rechtsstaat Nederland

Een uitgebreide samenvatting van Feniks, 'de Geschiedenis van de Democratische Rechtsstaat in Nederland' vwo. Auteur: Ad Oostveen, ISBN: 978-90-0646255-5, uitgever: ThiemeMeulenhoff.

1: Vrijheidsrechten en politieke rechten in Nederland

1.1 Persoonlijke vrijheid ontstaat in de stad!
90% van het volk was in de Middeleeuwen een horige. Men was gebonden aan de grond en moest vaak een deel van de oogst afstaan en herendiensten verrichten. De wederdienst van de heer bestond uit veiligheid en bescherming. De opperste landheer gaf steden stadsrecht: zij waren vrij van deze feodale bepalingen. De landheer wilde zo de macht van de adel te verminderen en in de gunst komen bij de steden.

1.2 Gewetensvrijheid als grondslag voor de Opstand
Door een huwelijk tussen Maria van Bourgondië en Maximiliaan van Habsburg kwamen de Nederlanden net als Spanje onder de Oostenrijkse Habsburgers. Karel V, haar kleinzoon, voegde alle Nederlandse gewesten tot zijn rijk en streefde naar centralisatie vanuit Brussel, waartoe de gewesten zich verzetten. Uit onvrede over het beleid tegen de protestantse Reformatie en een economische crisis brak in 1666 de Beeldenstorm uit. Door hard optreden van landvoogd Alva en nieuwe belastingen brak de oorlog tegen Spanje uit. Als rechtvaardiging voerde men verworven privileges aan, zoals de Blijde Inkomst van Brabant (1356). Wanneer de Hertog oorlog voerde of belasting hief zonder instemming van de Brabantse steden, mocht men zich tegen hem verzetten.
In 1571 werd Willem van Oranje door de Hollandse Statenvergadering uitgeroepen tot stadhouder, formeel het recht van de koning. Na de Pacificatie van Gent (1576) vochten de gewesten tijdelijk samen tegen Spanje. Toen de zuidelijke gewesten zich afscheidden, ontstond de Unie van Utrecht (1579), een militair. De gewesten behielden hun privileges, Holland en Zeeland kregen vrijheid van godsdienst. De rest voerde hierover hun eigen beleid.
In 1580 deed Filips II Willem van Oranje in de ban, wat die beantwoordde met zijn Apologie, waarin hij het recht op verzet claimde. In 1881 zwoeren de Staten Generaal Filips II af in de Acte van Verlatinghe. Het ging de opstandelingen om geloofsvrijheid en verdediging van politieke vrijheden en privileges. In 1588 vormden de zeven gewesten de Republiek der Verenigde Nederlanden.

1.3 Gewetens- en persvrijheid in de Republiek
Het protestantisme werd als enige geloof door de overheid erkend. Toch was er in deze tijd van godsdienstoorlogen een klimaat van algemene vrijheid door het ontbreken van een sterke centrale burgerlijke overheid of machtige geestelijkheid. De Republiek had geen staatskerk, meeste calvinisten waren tegen en kerk ondergeschikt aan de staat. Ook heerste er gewetensvrijheid, men hoefde niet (ook in geweten) het geloof van de vorst te volgen. Hierdoor kwamen er veel geloofsvluchtelingen naar de Republiek. Toch hadden andersdenkenden geen vrijheid van godsdienstuitoefening en mochten zij geen kerken bouwen of openbare functies bekleden. In de praktijk lag dit soepeler: katholieken kwamen in schuilkerken bijeen en moesten vaak flinke boetes betalen om te ontkomen aan gerechtelijke vervolging. Ook de drukpers werd aan vele banden gelegd, maar was in de praktijk vrij. Regenten negeerden adviezen van kerkelijke instanties, vóór verboden, en de Staten Generaal was terughoudend en volgde doorgaans Holland, het gewest met de meeste drukkers. Bijna alleen als drukwerk de interne rust of veiligheid van de staat bedreigde, grepen de Staten Generaal in. Ook stedelijk particularisme gooide roet in het eten: als de Hollandse Staten geschriften verboden, moesten de steden hiertegen optreden. Er was een grote bloei van de boekdrukkerij in de Republiek, veel in eigen land verboden buitenlandse boeken werden hier gepubliceerd.

1.4 De Bataafse tijd en vrijheden
De Republiek beleefde een bloeiperiode in de zeventiende eeuw. Pas tweede helft achttiende eeuw was er een economische terugval, waardoor politieke tegenstellingen toenamen. De macht was in handen van de regenten en Willem V, een onbekwaam bestuurder. O.a. zouden de vloot en het leger niet berekend zijn op strijd, er was oorlog met Groot-Brittannië. Na 1780 ontstond een beweging, de Patriotten, tegen Willem V. Van 1785-1787 waren zij in enkele gewesten aan de macht, maar na een Pruisische inval vluchtten zij naar Frankrijk. Zij maakten de Franse Revolutie mee en in 1795 deed een Frans revolutieleger met ook de Patriotten een inval in de Republiek. Willem V vluchtte naar Engeland en de Patriotten namen de macht. In het verdrag van Den Haag erkende Frankrijk de nieuwe Bataafse Republiek als onafhankelijk, maar deze werd in feite afhankelijk van Frankrijk. 1 maart 1796 kwam de Nationale Vergadering bijeen, de eerste gekozen volksvertegenwoordiging. Zij konden het echter moeilijk eens worden over de inhoud van een op te stellen grondwet, in 1798 kwam ‘de Staatsregeling’ pas tot stand, met o.a. het recht op vergaderen en gelijkheid.

1.5 De strijd voor politieke rechten
Prins Willem van Oranje, zoon van Willem V, kwam november 1813 in Scheveningen aan land en werd nog die avond uitgeroepen tot vorst. Door grondwet van 1814 kon hij ministers benoemen en ontslaan en regeren met Koninklijke besluiten. In de jaren veertig nam de kritiek op het koningschap toe en in 1848 braken overal in Europa revoluties uit, waardoor Willem II besloot om Thorbecke een nieuwe grondwet te laten schrijven. Deze wordt beschouwd als het begin van het parlementaire stelsel, met als belangrijkste wijzigingen:
  • De koning werd onschendbaar en de ministers werden verantwoordelijk. Zij konden ter verantwoording worden geroepen als het parlement het oneens was met het beleid.
  • Het parlement kreeg wetgevende en controlerende rechten. (Recht van amendement respectievelijk van interpellatie en van enquête.) Zij ‘kregen de macht’.
  • De Tweede Kamer werd rechtstreeks gekozen, de Eerste kamer indirect via de Provinciale Staten. Door censuskiesrecht was er echter nog geen democratie.
  • Recht van vereniging en vrijheid op onderwijs werden opgenomen.
Liberalen vonden dat kiesrecht behouden moest blijven aan burgers die intellectueel, geestelijk en economisch zelfstandig een goede keuze konden maken. Na 1870 werd uitgebreid kiesrecht onderwerp van discussie. Progressieve liberalen vonden het censuskiesrecht te beperkt. Vanaf de jaren 80 voerden socialisten actie voor algemeen kiesrecht. In 1887 werd het ‘caoutchoucartikel’ aan de grondwet toegevoegd, kiesrecht werd toegekend aan mannelijke ingezetenen die voldeden aan kentekenen van geschiktheid en maatschappelijke welstand’. Dit was rekbaar, de kiescommissie mocht bepalen wie dit waren. Het aantal kiezers verdubbelde. Er ontstond steeds grotere verdeeldheid bij de liberalen. In 1896 werd een kieswet aangenomen die de criteria omschreef, waardoor ongeveer de helft van de volwassen mannen kiesgerechtigd werd. De roep om algemeen kiesrecht bleef aanhouden, vooral aanhangers van de SDAP (1894) hielden grote demonstraties. In 1917 kwam er door een grondwetswijziging passief kiesrecht voor allen en actief kiesrecht voor mannen. In 1919 kwam dat ook voor vrouwen. In de loop van de twintigste eeuw werd die kiesgerechtigde leeftijd verlaagd van 23 jaar naar 18.

2: Het denken over staat en onderdanen

2.1 Machiavelli en de macht van de vorst
In de Middeleeuwen hadden adel en kerk de macht. Formeel waren leenmannen ondergeschikt aan een wereldlijk of kerkelijk leider, maar de macht van de vorsten was afgenomen, in tegenstelling tot die van de adel. Een sterk centraal gezag ontbrak. In de late Middeleeuwen nam de macht van de vorst weer toe: absolutisme. Machiavelli, een Italiaanse diplomaat beïnvloed door het humanisme, schreef als eerste over de veranderde verhoudingen, bijvoorbeeld het boek Il principe (1513). Hij vond tijdelijk een krachtige, agressieve alleenheerser nodig, door de Italiaanse situatie, ontstaan door corruptie. Een machiavellistisch politicus is sluw en krachtig, het doel heiligt voor hem de middelen. Onder bijzondere omstandigheden moet hij, om zich te handhaven, zonder gewetensbezwaren vuile handen durven maken.

2.2 Hobbes over de sterke staat
Door het absolutisme en dus centralisatie nam de macht van de adel af. In de Nederlanden ontstond strijd tegen Filips II. In het zeventiende-eeuwse Engeland streden koning en het door adel beheerste parlement continu om de macht. Hobbes gaat uit van een natuurtoestand waarin iedereen vrij en gelijk is, waardoor ieder hetzelfde wil bereiken. Er ontstaat wedijver, wantrouwen, trots en dus vijandelijkheid: ‘een oorlog van allen tegen allen’. Voor vrede moet ieder zijn vrijheid opgeven: in het ‘sociaal contract’ wordt overeengekomen dat ieder zijn onbeperkte recht op zelfverdediging overdraagt aan de ‘Leviathan’, die de egoïstische natuur van de mens controleert. Het contract is tussen individuen onderling – niet tussen volk en vorst – en de vorst mag beoordeeld worden op zijn effectiviteit. Hij moet veiligheid bieden. Als hij verslagen wordt en zijn gezag verliest, hoeft hij niet meer gehoorzaamd te worden.

2.3 Locke en de grondrechten
In 1660 eindigde de republiek van Olivier Cromwell, ontaard in een militaire dictatuur. De monarchie werd na zijn dood hersteld. Al snel streefde de vorst opnieuw naar absolutisme met verzet van het parlement tot gevolg. Arts John Locke ging uit van een natuurtoestand waarin iedereen gelijk en vrij was zonder wetteloosheid. Er is een goddelijke natuurwet: iedereen moet zichzelf en de mensheid in stand houden. Iedereen heeft grondrechten als recht op leven, vrijheid en bezit. De uitvoering ligt bij ieder afzonderlijk. Locke stelt dat de oorspronkelijke macht tijdelijk wordt toevertrouwd aan de soeverein. De koning verbindt zich met een dubbele eed tot het in acht nemen van de wet. Als het (wederzijdse) vertrouwen wordt geschonden door koning of parlement, kan het volk het recht terugnemen om zelf als hoogste macht op te treden: actief verzet is gerechtvaardigd als de meerderheid instemt. Locke was echter tegen algemeen kiesrecht. Hij werd een inspiratie voor het liberalisme.

2.4 Montesquieu en de scheiding der machten
In de achttiende eeuw lag bij de monarchie de wetgevende én de uitvoerende macht bij de koning, in despotische regiems was ook de rechterlijke macht van de heerser. Frankrijk onder Lodewijk XIV ging lijken op een despotie, door de ‘lettres de cachet’ en de koning die rechterlijke uitspraken naast zich neer kon leggen. Hij beriep zich op het goddelijke recht dat hij in zijn machtpositie had. Franse Verlichtingsfilosofen (als Montesquieu en Rousseau) uitten hun bezwaren in politieke geschriften. Montesquieu beschrijft in Over de geest van de wetten (1748) dat regeringsvormen niet los te zien zijn van maatschappijvormen. Er is samenhang tussen klimaat, geografie, productiewijze, godsdienst en gewoonten, en de regeringsvorm en wetgeving van een land. Hij onderscheid de republiek (demo- of aristocratie), monarchie (volgens de wet) en despotie (naar willekeur). Hij gaf de voorkeur aan monarchie, die machtenscheiding nodig heeft om niet af te glijden naar despotie. Zijn voorbeeld was de Engelse monarchie sinds The Glorious Revolution. Macht maakte corrupt. Daarom moet er machtenscheiding zijn én een evenwicht tussen de drie. Montesquieu was daarom voor een tweekamerstelsel: evenwicht tussen adel en burgerij. Het volk zelf was niet geschikt om over publieke zaken te debatteren, alleen afgevaardigden in een vertegenwoordigend lichaam.

2.5 Jean-Jacques Rousseau en de volkssoevereiniteit
In Het maatschappelijk verdrag stelt Rousseau dat een maatschappelijk verdrag denkbaar is dat niet ten koste gaat van de vrijheid. Door de vrijheid van de natuurtoestand in te ruilen voor die van een politieke samenleving krijgt men een hogere vrijheid. Dit kan alleen door volkssoevereiniteit: aan iedereen in gelijke mate het hoogste gezag toekennen. Als wetten gemaakt worden door vertegenwoordigers, gaat dit ten koste van de volkssoevereiniteit. Rousseau is voorstander van de directe democratie. Als dit niet kan, moet het volk zo direct mogelijk invloed hebben door last en ruggespraak. Hij is echter gematigd: hij is voorstander van machtenscheiding en propagandeert een bestuur van de besten. In plaats van eigenrecht komt er een wet. Er is een nieuwe vrijheid omdat de wetgevende macht ligt bij het gehele volk. Idealiter verenigen individuele burgers zich allemaal gelijke in de algemene wil: een algemeen belang waaraan ieder ondergeschikt is. De soevereiniteit is de uitoefening daarvan. Die wil moet telkens zo direct mogelijk uitgedrukt worden. Wetgeving door een groep of individu is niet legitiem en men moet waken voor partijvorming om de algemene wil mogelijk te maken.

2.6 Adam Smith en de economische vrijheid
In Engeland en Schotland begon tweede helft achttiende eeuw de Industriële Revolutie. Door de wetenschappelijke revolutie ontstonden tal van uitvindingen. Vooral de stoommachine veranderde de productiewijze. Hierom werden fabrieken gebouwd en was er behoefte aan een afzetmarkt. Het boek van Schotse econoom Adam Smith (1723 – 1790), Inquiry into the nature and the causes of the wealth of nations (1776), pleit voor grote economische vrijheid. Hij verwerpt mercantilisme, dat zijn hoogtijdagen had tijdens het Franse absolutisme. De primaire bron van rijkdom is arbeid. Alleen arbeid om stoffelijke diensten voort te brengen is productief. Arbeidsverdeling is het belangrijkste middel voor productiviteitsverhoging. Ook moet de markt zo groot mogelijk zijn, vrijhandel is hiervoor noodzakelijk. Eigenbelang is de voornaamste drijfkracht bij economisch handelen, als iedereen dit nastreeft, zorgt een ‘onzichtbare hand’ voor het algemeen belang. De staat moet zich beperken tot bescherming tegen buitenlandse vijanden, handhaving van de rechtsorde, uitvoeren van publieke werken en opleggen van belastingen. Deze visie is terug te vinden in de nachtwakersstaat. Smiths ideeën werden in de negentiende eeuw overgenomen door de liberalen.

2.7 Karl Marx en de klassenloze maatschappij
De schadelijke gevolgen van de industrialisatie samen met het economische liberalisme werden zichtbaar. In grote steden waren leef- en werkomstandigheden en rechtspositie van arbeiders slecht. Marx (1818 – 1883) zegt dat alle geestelijke uitingen van de mens (politiek, godsdienst, wetenschap) een weerspiegeling zijn van materiële verhoudingen. De bezitters van de materie bepalen de organisatie van de samenleving. In de feodale samenleving bepaalden grondbezitters (adel en geestelijkheid) hoe de samenleving er uit zag. In de negentiende eeuw bepaalde het economisch liberalisme dit. Fabrikanten en bankiers werden machtiger en arbeiders waren het slachtoffer. Het is een wetenschappelijke wetmatigheid dat iedere historische fase tot een opstand leidt van de onderdrukte klasse: de crisis. Het kapitalisme zal een opstand van het proletariaat veroorzaken en de arbeidersklasse komt aan de macht. In de overgangsfase wordt het bezit eerlijk verdeeld over de bezitlozen, deze fase is nodig omdat dit niet vrijwillig zal gaan. Hierna komt de eindfase: een klassenloze maatschappij. De staat kan worden afgeschaft, want er is geen onderdrukking. Arbeiders moeten zich in socialistische partijen organiseren om dit tot stand te brengen. Eind negentiende eeuw ontstond er een tweedeling: de communisten wilden de klassenloze maatschappij nog bewerkstelligen via revolutie, de sociaaldemocraten via parlementaire actie.

3: De wording van de Nederlandse rechtsstaat

3.1 Calvijn en de staat
In de zestiende eeuw had Johannes Calvijns denkbeelden veel invloed op ons land, hij rechtvaardigde het recht op verzet tegen de overheid. Privépersonen moesten gehoorzaam zijn aan het gezag dat God had gesteld, zelfs als dit zich niet aan de wet hield. Publieke personen (magistraten: adel en hoge bestuurders) hadden wel het recht zich te verzetten tegen de overheid: zij waren ook door God bekleed met gezag en brachten zijn bedoelingen ten uitvoer. Dit legitimeerde de opstand van de adel tegen Filips II. Luther vond: iedere vorst kiest zijn religie en daarmee die van zijn volk. De onderdanen volgen de vorst, die tevens leider is van de kerk (ong. 1520).

3.2 De baron en de rechtsstaat
Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741 – 1784) was tijdens zijn studie in Utrecht sterk beïnvloed door de Verlichtingsideeën (Locke, Montesquieu en Rousseau). Hij was adellijk, maar ging zich inzetten voor maatschappelijke veranderingen. Hij uitte scherpe kritiek op de situatie in de Republiek: vooral in het anonieme pamflet Aan het volk van Nederland (1781), een grote aanklacht tegen alle stadhouders vanaf Willem van Oranje. Elk hadden ze op allerlei manieren misbruik gemaakt van hun macht de Nederlanden te besturen.

3.3 Staatsregeling en Code Civil
Van den Capellens denkbeelden legden de basis voor de ideeën van de Patriotten en werden in 1798 vastgelegd in de Staatsregeling: onze eerste grondwet. Uitgangspunten waren gelijkheid voor de wet, machtenscheiding en een onafhankelijke rechterlijke macht. Nederland werd een rechtsstaat. Steden moesten hun stadsrechten inleveren (en verloren zo hun bevoegdheid tot rechtspreken), op het platteland raakten heren hun heerlijke rechten kwijt en de rechtsmacht in hun gebied.
De Franse revolutie beëindigde de feodale samenleving en standenmaatschappij in Frankrijk. Er ontstond een natiestaat, met centralisatie van bestuur, uitbreiding van directe belastingheffing, invoering van algemene dienstplicht en wettelijke gelijkheid van alle burgers. In een feodale samenleving (hoogstens gedeeltelijk centraal) komt bestuur tot stand door onderlinge trouw, (grond)bezit, afspraken en familiebanden binnen de elite. In een natiestaat (uniform) gebeurt dit door verkiezingen en aanstellingen in dienstverband.
De Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger (Nationale Vergadering, 26 augustus 1789) moest de principes van de nieuwe constitutie verhelderen. Ook de Patriotten kondigden, na de Franse inval (1795), in alle gewesten de verklaring af. Door inlijving bij Frankrijk ik 1810 werd de Code Civil ingevoerd, in 1838 vervangen door het Burgerlijk Wetboek.

3.4 Liberalen en de klassieke rechtstaat
Tijdens de Verlichting kwam er steeds meer kritiek op de standenmaatschappij, voornamelijk van de burgerij, die zijn positie dankte aan rijkdom of opleiding. Hun politieke ideaal was liberalisme: ieder is verantwoordelijk voor zijn positie en de overheid moet zich zo min mogelijk bemoeien met de samenleving. Na 1840 brachten zij dit steeds luider naar voren. Hun politiek leider was Johan Rudolf Thorbecke. Het optreden van de overheid moest beperkt worden tot basistaken als defensie, handhaving van openbare orde, onderwijs, rechtspraak en onderhoud van wegen. Dit idee van de rechtstaat legde sterk de nadruk op de klassieke grondrechten: de klassieke rechtstaat. Tegenstanders sproken over de nachtwakersstaat. Vrijheid was volgens Thorbecke wel gebonden aan regels: om willekeur te voorkomen moesten de bevoegdheden van de staat in wetten worden vastgelegd. Deze lagen bij de ministers, die verantwoording moesten afleggen aan het parlement. Door het censuskiesrecht had de rijke burgerij het voor het zeggen.

3.5 Op weg naar de sociale rechtsstaat
Tot 1872 was het verboden te staken. Tijdens de Industriële Revolutie, die in Nederland na 1870 op gang kwam, werden arbeiders nauwelijks beschermd tegen fabriekseigenaren of werkeloosheid. In de snelgroeiende steden hadden ze slechte woonomstandigheden. De roep om sociale wetgeving werd steeds sterker, eind negentiende eeuw werden de eerste sociale wetten van kracht. In 1917 en 1919 kwam er algemeen kiesrecht en werd het parlement een vertegenwoordiging van alle Nederlanders. Dat jaar werd ook het stelsel van evenredige vertegenwoordiging ingevoerd: het parlement werd een representatieve vertegenwoordiging. De regering was vanaf nu verantwoording schuldig aan een democratisch gekozen parlement. In de Kamer bleven arbeiderspartijen ijveren voor sociale wetgeving. Toen na de Tweede Wereldoorlog de PvdA in de regering kwam, werd o.l.v. Willem Drees gewerkt aan de opbouw van de verzorgingsstaat. Door de toegenomen welvaart na 1945 was dit mogelijk geworden. De Algemene Ouderdomswet regelde een staatspensioen. De vastlegging van sociale grondrechten kwam in de grondwet van 1983: een sociale rechtstaat. De overheid kreeg een aantal taken, als de verplichting om werkgelegenheid, bestaanszekerheid en schoon milieu te bevorderen.

3.6 Vrouwenemancipatie en rechtsstaat
Tweede helft negentiende eeuw begon in Nederland de eerste feministische golf: het ging om betere opleidings- en beroepsmogelijkheden, vrouwenkiesrecht en een betere rechtspositie. In eerste instantie ging het vooral om het toelaten van meisjes tot het middelbaar en hoger onderwijs, Aletta Jacobs werd in 1871 als eerste toegelaten aan de universiteit. Ze had minister-president Thorbecke geschreven met het verzoek om toelating voor de artsenopleiding. Hij keurde dit goed in een brief aan haar vader. Ze werd na haar studie voorvechtster van vrouwenrechten (o.a. kiesrecht) en opende een praktijk die vrouwen aan voorbehoedsmiddelen hielp. In 1885 verzocht zij het college van B en W van Amsterdam op de kiezerslijst gezet te worden, omdat zij aan alle door de wet geëiste kiesbevoegdheden voldeed. Ze werd afgewezen omdat volgens de geest van de staatsinstellingen aan een vrouw geen kiesrecht was verleend.
Toen bleek dat in het voorstel voor grondwetswijziging van 1917 alleen sprake was van passief vrouwenkiesrecht, was men woedend. Als gevolg van demonstraties, kwam er in 1919 een initiatiefwet die het actieve vrouwenkiesrecht toestond. Toch bleven vrouwen achtergesteld: men vond dat de vrouw ondergeschikt was aan de man en haar taak lag bij het gezin. Tot 1956 bleef de gehuwde vrouw handelingsonbekwaam. Tweede helft jaren zestig leefde de tweede feministische golf pas echt op. Oorzaken waren: het opleidingsniveau van vrouwen steeg, er was grote vraag naar arbeidskrachten en het gezinsleven veranderde door huishoudelijke apparaten en de anticonceptiepil. In 1980 werd de ‘wet op gelijke behandeling’ aangenomen, de grondwet van 1983 bevatte discriminatieverbod. De rechtsstaat gold nu ook voor de vrouw.

4: Nederland op weg naar een parlementaire democratie

4.1 De Patriotse Revolutie 1785 – 1787
Van der Capellen moedigde burgers aan afgevaardigden te kiezen en zich te bewapenen om hun gerechtvaardigde eisen kracht bij te zetten. Utrecht werd de eerste Nederlandse stad met een democratische regering. Het nieuwe gemeentebestuur werd in 1786 ingezworen, Amerikaanse gezant John Adams was hierbij aanwezig. Ook in verschillende andere steden en stadjes en veel gewestelijke besturen namen de Patriotten de macht over, de onrust leidde tot een toestand van burgeroorlog. In 1787 vluchtte Willem V naar Nijmegen. De koning van Pruisen viel uiteindelijk de republiek binnen (zijn zus, prinses van Oranje, was vastgehouden door Patriotten) en maakte een eind aan de opstand. Veel Patriotten vluchtten naar Frankrijk, waar in 1789 de Revolutie uitbreekt.
In 1795 valt het Revolutionaire Frankrijk de Republiek aan (aanval is de beste verdediging: men was bang voor een zelfde situatie als destijds met Pruisen) in samenwerking met de gevluchte Patriotten. Willem V vlucht 18 januari naar Engeland. Patriotten begonnen Oranjegezinde bestuurders af te zetten en voorlopig te vervangen door Patriotten. Er werden verkiezingen georganiseerd voor een Nationale Vergadering, voor mannelijke staatsburgers boven de twintig jaar die akkoord waren met ‘de volkssoevereiniteit’ en geen huispersoneel waren of ondersteund werden door een armenkas. Via een stelsel met 126 districten werd de Vergadering gekozen, die een grondwet op moest stellen. Radicalen wilden hierin Oranjegezinden uitsluiten van kiesrecht, gematigderen wilden censuskiesrecht. Ook vonden de Unitarissen dat de Bataafse Republiek een eenheidsstaat moest worden en de Federalisten een federatie van zelfstandige gewesten. Na meer dan een jaar werd een compromis verworpen en kregen de Unitarissen na een staatsgreep, gesteund door de Franse troepen, de macht. Tegenstanders werden uit de Vergadering gezet en na drie maanden was de grondwet af. Ieder ouder dan twintig kreeg kiesrecht, maar grote groepen werden uitgesloten, zoals vrouwen en analfabetisten. Men moest ook verklaren tegen stadhouder en federalisme te zijn en sociaaleconomisch onafhankelijk zijn. Nederland werd een eenheidsstaat, maar op lokaal niveau werden maatregelen vaak geboycot. 1801 werd de grondwet na een nieuwe staatsgreep buiten werking gezet, de nieuwe verzwakte de positie van de Nationale Vergadering.

4.2 Monarchie en parlement
In 1806 werd Nederland een koninkrijk onder Lodewijk Napoleon en later werd het ingelijfd bij het Franse keizerrijk. In 1814 werd het een monarchie onder Willem I of zijn nakomelingen. Een nieuwe vorst(in) wordt beëdigd en ingehuldigd in Amsterdam en legt de eed af op de grondwet in een Verenigde Vergadering van de Staten-Generaal in de Nieuwe Kerk. In 1815 werden Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden één en was een nieuwe grondwet nodig. Willem I regelde veel via Koninklijke besluiten en oefende invloed uit op rechters. Ook Willem II (vanaf 1840) had veel invloed, maar na 1845 nam de onvrede op zijn bewind toe door een slechte economie: er was veel werkeloosheid en levensbehoeften werden duur. De onrust werd gevoed door lilliputters, die arbeiders opriepen zich te organiseren en pleitten voor rechtstreekse verkiezingen met algemeen kiesrecht. In 1848 braken in Frankrijk, Wenen, Boedapest en Berlijn opstanden tegen monarchie uit, Willem II vertelde de voorzitter van de Tweede Kamer dat hij had besloten de grondwet te wijzigen. Hij werd van conservatief liberaal. Radicale journalist Adriaan van Bevervoorde, betrokken bij het gebrek aan persvrijheid, had een paar keer contact gehad met de koning. Men dacht dat de Koning in 1848 beïnvloed was door hem. Hij werd door Den Haag gedragen en ook Willem II schudde hem even de hand.
Er kwamen rechtstreekse (census)verkiezingen voor de Tweede Kamer, om het parlement voldoende gezag te geven tegenover de koning. Ook bracht Thorbecke een nieuwe Gemeentewet en Provinciewet tot stand en legde hij zo de basis voor de bestuurlijke organisatie met drie bestuurslagen. Willem II overleed in 1849, zijn zoon had een afkeer van de grondwet en botste regelmatig met de Tweede kamer over zijn nieuwe positie. In Nederland was wel het Katholieke geloof toegestaan sinds 1789, maar niet de Katholieke Kerk als organisatie. In 1848 veranderde dat met het recht van volledige vrijheid van Kerkinrichting en in 1853 besloot de Paus in Nederland een kerkprovincie met een aartsbisdom en bisdommen in te richten. Het eerste grote conflict van Willem III was dat hij liet doorschemeren sympathie te hebben voor protesten hiertegen. Een woedende Thorbecke bood zijn ontslag aan en de koning accepteerde. Tussen 1848 en 1868 speelden veel van dit soort conflicten tussen regering en de Tweede kamer. Sinds 1848 zou de Tweede kamer het laatste woord moeten hebben, maar de koning koos ervoor de Tweede Kamer te ontbinden. Na nieuwe verkiezingen kwam telkens een Tweede Kamer tot stand die het weer oneens was met de koning en in 1868 accepteerde die pas dat de Kamer het laatste woord had: de ministers stapten nu op bij een onoverbrugbaar conflict. Sindsdien geldt dit gewoonterecht.

4.3 Socialisten en algemeen kiesrecht
In 1883 een Landelijke Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht opgericht van allerlei organisaties (als belangrijkste de Sociaal Democratische Bond, de eerste Nederlandse arbeiderspartij). Zij organiseerde dat jaar tijdens Prinsjesdag betogingen voor algemeen kiesrecht. De minister-president liet de publieke tribune bezetten door weesmeisjes uit angst voor demonstranten. Domela Nieuwenhuis, leider van de SDB, kwam in 1887 als eerste socialist in de Tweede Kamer, waar hij een buitenstaander was en teleurgesteld raakte in de mogelijkheden de arbeidersbelangen te verdedigen. In 1893 besloot de SDB voortaan actie te voeren buiten het parlement. Een groep was het oneens en splitste zich hierop af als de SDAP, leider was Friese advocaat Pieter Jelles Troelstra. In 1897 kwam de SDAP in met een kleine fractie in de Kamer, Troelstra verwierf faam en had een groot charisma. Dit was belangrijk: de partij was soms sterk verdeeld. Na afsplitsing van de linkervleugel in 1909, werd de SDAP dé pleitbezorger voor algemeen kiesrecht, men hield grote betogingen bij de opening van de Staten-Generaal in 1911 en 1912, de Rode Dinsdagen. Bij de Kamerverkiezingen in 1913 werd de SDAP plotseling een van de belangrijkste politieke partijen. In 1917 werd het algemeen mannenkiesrecht gerealiseerd. De SDAP vrouwen vonden dat Troelstra, die na de openbare afkondiging in Den Haag op het bordes van het stadhuis het woord nam, te weinig was opgekomen voor vrouwenkiesrecht. In 1919 werd dit gerealiseerd door een initiatiefwet van vrijzinnig-democraat Marchant. Nederland werd een democratie en de confessionelen zouden tijdens het interbellum de grootste politieke stroming worden.

4.4 Liberalen en het kiesstelsel
Nederland was na 1848 verdeeld in honderd kiesdistricten, waarin gekozen werd met censuskiesrecht. De kandidaat die de absolute meerderheid behaalde, ging naar de Tweede Kamer. Soms was een tweede ronde nodig tussen de twee populairste kandidaten. Het was een levendige strijd, men kende de kandidaten en volgde hun optreden in de Kamer. Er was een sterke band, zeker toen kiesrecht behouden was tot de rijkeren. Eind negentiende eeuw eisten nieuwe groeperingen toegang tot de Kamer, zij wilden dat het parlement een evenredige weerspiegeling moest zijn van de ideologische verdeeldheid van het volk.
Algemeen kiesrecht werd onvermijdelijk en handhaving van het districtenstelsel zou slecht zijn voor de liberalen. Het stelsel van evenredige vertegenwoordiging zou hen nog enige kans geven hun stem te laten horen. Ook waren zij voorstander van een op beginselen gevoerde verkiezingsstrijd, boven een persoonlijke competitie, waarin het soms draaide om charisma i.p.v. geschiktheid. Ook waren er technische bezwaren tegen het districtenstelsel: de verschillen tussen bevolkingsaantallen van de districten waren groot geworden, dus niet ieders stem was evenveel waard. Ook gingen de stemmen op verliezende partijen verloren.
Tijdens de discussies over de nieuwe grondwet kwam vrijzinnig-democratische minister-president Cort van der Linden met het voorstel van de evenredige vertegenwoordiging. Iedere partij kreeg nu evenveel zetels als het aantal keren dat de kiesdeler, het aantal stemmen gedeeld door het aantal zetels, werd behaald. De liberalen gingen van 40 naar 15 zetels. Democratische winstpunt was de mogelijkheid voor nieuwe of kleinere partijen om hun stem te laten horen. De afstand werd groter en partijen werden belangrijker bij de kandidaatsstelling. Hierom gaan tegenwoordig bij sommige partijen weer stemmen op voor een gedeeltelijke herinvoering van het districtenstelsel.

4.5 Internationale samenwerking en democratie
Na de Tweede Wereldoorlog vond men internationale regels en afspraken belangrijk voor de veiligheid. De Raad van Europa en VN werden opgericht en legden mensenrechten vast in verdragen, die altijd boven de nationale wetten gaan. (Grondwet: ‘aan volkenrechtelijke organisaties kunnen bevoegdheden op gebied van wetgeving, bestuur en rechtspraak worden overgedragen.) In 1976 werd het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (VN) van kracht, gebaseerd op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden is sinds 1998 bindend voor alle lidstaten van de Raad. Burgers kunnen recht halen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.
De opkomst van supermachten als de V.S. en de S.U. maakten duidelijk dat alleen voor een verenigd Europa een rol als derde macht zouden zijn. Nederland was als een van de eerste landen hierbij betrokken. In 1948 werd in Den Haag de Europese Beweging gesticht, dat Europese regeringen opriep tot een V.S. van Europa. Dit leidde tot de Raad van Europa (1949). De V.S. stimuleerden de eenwording door Europese landen die in aanmerking wilden komen voor Marshallhulp overleg te laten voeren over de verdeling van de Amerikaanse fondsen in de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking. In 1951 werd de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal opgericht voor supranationaal toezicht op gebruik van grondstoffen belangrijk voor oorlogvoering. Het vertrouwen nam snel toe. In 1957 werd de samenwerking uitgebreid tot de Europese Economische Gemeenschap, er kwam een gemeenschappelijke markt en economisch beleid. In 1991 kwam de EU tot stand (Verdrag van Maastricht), men ging streven naar politieke integratie, en werd besloten tot invoering van de euro.
Europese wetgeving gaat boven nationale wetten. Sommigen vrezen voor het zogenaamd democratisch gat: het Europees Parlement heeft te weinig wetgevende en controlerende bevoegdheden en nationale parlementen kunnen besluiten niet terugdraaien. De democratische controle op besluitvorming nam dus af met de Europese integratie. Hierom stelden regeringsleiders in 2004 een Europese grondwet voor, Nederland wees dit in een referendum af. Ook Frankrijk stemde tegen. Juni 2007 is daarom besloten een aangepast verdrag in te voeren. Wel geld ook het beginsel van subsidiariteit.

5: Partijvorming vanaf 1848

5.1 Het ontstaan van politieke partijen
Ongeveer elf procent van de mannen van 23 jaar en ouder had kiesrecht sinds 1848. Een deel van de volksvertegenwoordiging bestond uit conservatieven, zij waren tegen Thorbecke’s grondwet en voor grote macht van de koning. De meesten waren echter liberaal. Ook protestantse en katholieke volksvertegenwoordigers kwamen in de kamer en eind negentiende eeuw de eerste socialisten. Als groep stond je in de Tweede kamer sterker. De eerste politieke partij was de protestantse Anti-Revolutionaire Partij (1878). Drie kwesties veroorzaakten politieke tegenstellingen, waardoor Kamerleden zich gingen organiseren in politieke partijen.
Sinds de schoolwet (1806) kregen alle schoolgaande kinderen hetzelfde onderwijs op basis van algemeen-christenlijke waarden, zoals in overeenstemming met de denkbeelden van de Bataafse Republiek. Leerstellig onderwijs was verboden. Veel protestanten en katholieken wilden eigen scholen en sinds 1848 was die mogelijkheid er door vrijheid van onderwijs. Er kwam een nieuwe schoolwet (1857) van de liberale regering: ‘bijzonder onderwijs’ werd toegestaan, maar niet gesubsidieerd. Ouders moesten dus dubbel betalen. Confessionelen gingen streven naar financiële gelijkstelling: de schoolstrijd.
De kiesrechtkwestie verdeelde het parlement over kiesrechtuitbreiding.
De sociale kwestie ging over welke rol de overheid moest spelen bij de bescherming van zwakkeren in de samenleving en de armoedebestrijding. Op zowel platteland als in snelgroeiende steden was veel armoede, arbeiders maakten lange dagen en hadden slechte leefomstandigheden. In 1887 werd een parlementaire enquête ingesteld over de toestand van de arbeiders, vooral het verslag van gesprekken met Petrus Regout, directeur van een aardewerkfabriek, zorgde voor discussie over kinderarbeid. Sommige parlementsleden vonden dat diens omstandigheden niet de overheids verantwoordelijkheid waren. Hun steeds grotere aantal tegenstanders pleitten voor sociale wetgeving, zonder hulp van de overheid zouden veel Nederlanders nooit zelfstandige en onafhankelijke burgers worden.

5.2 Liberale vrijheid en tegenstellingen
De liberalen gingen uit van de Verlichting: vrijheid en gelijkheid van het individu. Zij waren tegen overheidsinvloed en voor vrijhandel. De meeste aanhangers waren afkomstig uit de gegoede burgerij en de top van de middenklasse. Ze kregen vanaf 1848 de meerderheid in de Tweede Kamer en bepaalden zo de samenstelling van de regering. In de jaren zeventig gingen progressief-liberalen twijfelen aan de afzijdigheid van de overheid. Hun woordvoerder Samuel van Houten diende in 1874 een initiatiefwet voor beperking van kinderarbeid in. De eerste sociale wet kwam tot stand: de Kinderwet van Van Houten, die fabrieksarbeid onder twaalf jaar verbood. In 1885 ontstond de eerste liberale partij, de Liberale Unie, maar er ontstonden grote tegenstellingen over uitbreiding van kiesrecht en de sociale kwestie. In 1894 scheidden de conservatieven zich af, de groepering ging in 1906 de Bond Vrije Liberalen heten. In 1901 scheidde een progressieve groep zich af, de Vrijzinnige Democratische Bond, voorstander van algemeen kiesrecht. Door de uitbreiding van kiesrecht nam de politieke invloed van de liberalen af, hun laatste minister-president was Cort van der Linden. In 1917 kwam een definitief einde aan de dominante positie van de liberalen.

5.3 De strijd voor een christelijke natie
De protestantse en katholieke Kamerleden trokken na 1848 gescheiden op. De nieuwe grondwet was een grote stap op weg naar katholieke emancipatie. In veel kiesdistricten kreeg de liberale kandidaat dus katholieke steun. De schoolstrijd zorgde echter voor verwijdering tot de liberalen en sloeg een brug naar de protestanten. De antirevolutionairen werden geleid door Groen van Prinsterer, een fel tegenstander van de Verlichtingsbeginselen en Franse Revolutie. De hoogste macht lag bij God, niet bij het volk. Hij werd dé pleitbezorger voor bijzonder onderwijs. Ook verwierpen de confessionelen de liberale maatschappijopvatting, die nadruk legde op indiviuen en eigen belang. Confessionelen zagen de maatschappij als organisch geheel, waarbij het functioneren in de gemeenschap van belang is. Abraham Cuyber (opvolger van Groen van Prinsterer) ontwikkelde ‘soevereiniteit in eigen kring’: elke levenskring heeft zijn eigen onafhankelijke gezag waar de staat zich niet mee mag bemoeien.
Kuyper bleek een groot organisator: hij bundelde de antirevolutionaire kiesverenigingen en schreef het partijprogramma van de Anti-Revolutionaire Partij, in 1878 opgericht. Hij verdedigde het bijzonder onderwijs en nam het initiatief voor de totstandkoming van de protestantse Vrije Universiteit. Aanhangers waren de ‘kleine luyden’. Hij verkondigde de antithese: gelovigen moesten zich verenigen tegen de ongelovigen. Hij was voor kiesrechtuitbreiding, dan zou de protestantse invloed toenemen. Een deel dat hier tegen was, scheidde in 1908 af en richtte de Christenlijk-Historische Unie op. In 1891 verscheen de pauselijke encycliek waarin Leo XIII stelde dat de overheid alleen daar mocht handelen waar individuen en organisaties problemen niet op konden lossen: subsidiariteit. Priester Schaepman, leider van de katholieken in de Tweede Kamer, was bereid met Kuyper samen te werken.
In 1868 riepen Nederlandse bisschoppen katholieke ouders op hun kinderen naar de eigen scholen te sturen, ook de katholieken gingen eigen organisaties oprichten: verzuiling. In 1926 werd echter pas de Roomsch-Katholieke Staatspartij opgericht. Confessionele partijen bundelen mensen van verschillende maatschappelijke klassen en moeten dus rekening houden met belangen van alle klassen. De hierdoor vagere partijprogramma’s zorgden er voor dat men met zowel liberalen als sociaaldemocraten coalities kon vormen. Na 1917 kregen confessionelen de meerderheid in de Tweede Kamer. Ondanks de verzuiling, werkten de confessionelen aan de top samen (uit afkeer voor de socialisten). Een groep protestanten die het hiermee oneens was richtte de Staatkundig Gereformeerde Partij op, die het protestantse karakter van Nederland benadrukte en de Bijbel zo letterlijk mogelijk wilde naleven.

5.4 Socialistische onmacht
In afwachting van de door Marx voorspelde revolutie was het belangrijk voor de socialisten om arbeiders in politieke bewegingen te organiseren. De SDAP pleitte voor algemeen kiesrecht, het staatspensioen en de achturige werkdag. Door de sterke positie van de confessionelen met hun denkbeelden over antithese, was het onmogelijk alle arbeiders te verenigen. Velen bleven o.i.v. de kansel trouw aan eigen zuil. In 1918 haalde de SDAP 22% van de stemmen en de confessionelen samen meer dan de helft. Frustratie en revolutionaire ontwikkelingen in Rusland en Duitsland zorgden dat Troelstra in november 1918 in de Tweede Kamer verkondigde dat de arbeidersklasse de politieke macht zou overnemen. Hij moest al snel erkennen dit fout ingeschat te hebben. De sociaaldemocratie werd tijdens het interbellum door de confessionelen gewantrouwd en stond buitenspel bij het vormen van de regering. Dit kwam ook doordat in het partijprogramma gesproken werd van ontwapening, afschaffing van monarchie en nationalisatie van fabrieken. Pas in 1939 kwam een regering met daarin de SDAP, toen men in het partijprogramma de revolutie had afgezworen. Revolutionaire denkbeelden waren enkel nog te vinden in het programma van de CPN, van de SDAP afgescheiden in 1908.

5.5 Partijvorming na de Tweede Wereldoorlog
Begin Tweede Wereldoorlog werden de bestaande partijen opgeheven door de nazi’s, veel van hun leiders werden ondergebracht in gijzelaarskampen. Daar begon men te denken over een ander Nederlandse samenleving na de oorlog: dit leidde meteen na de bevrijding tot de oprichting van de Nederlandse Volksbeweging, die de doorbraakgedachte verkondigde. Als snel bleek de aanhang voor de vernieuwingsdrang beperkt te zijn, zowel bisschoppen als protestantse leiders vertrouwden meer op de verzuiling dan op vage denkbeelden van de doorbraak. De RKSP kreeg een nieuwe naam: de Katholieke Volkspartij. De ARP en CHU keerden terug, bij de SDAP bestond enthousiasme voor de ideeën van de Nederlandse Volksbeweging. Februari 1946 werd de PvdA opgericht om sociaaldemocraten, vrijzinnig-democraten en christendemocraten te verenigen in een doorbraakpartij. Het personalistisch socialisme, uitgaande van persoonlijke verantwoordelijkheid en gemeenschapszin, moest christenen overhalen hierop te stemmen. De verkiezingen van mei 1946 waren een grote teleurstelling voor aanhangers van de vernieuwing. De KVP kreeg meer stemmen dan in 1939 en werd de grootste partij, de PvdA kreeg minder stemmen dan alle groepen samen voorheen. De vrijzinnig-democraten verlieten de PvdA en werden medeoprichters van de VVD (1948). Toch keerden de vooroorlogse tegenstellingen niet terug. Tot 1959 werkten de KVP en PvdA smen in wisselende coalities. Een belangrijk punt was de opbouw van de verzorgingsstaat, o.l.v. PvdA-premier Willem Drees werd de sociale zekerheid uitgebreid. Kroonjuweel was de Algemene Ouderdomswet uit 1957.

5.6 Polarisatie, participatie, consensus
Door het snelle economische herstel na de Tweede Wereldoorlog nam het draagvlak voor de krachtige hand van de overheid af. De tegenstellingen tussen de PvdA en KVP toe, in 1958 eindigde de rooms-rode coalitie. De welvaart droeg ook bij aan ontkerkelijking en ontzuiling. De eerste auto’s werden vooral op zondag gebruikt en de kerkgang kwam in het gedrang. De televisie gaf een kijkje in de ideeën van alle omroepen. De zwevende kiezer ontstond. Vanaf midden jaren zestig moesten de grote partijen zich elke verkiezing opnieuw waarmaken. Dit schiep ruimte voor nieuwe partijen en meer invloed van burgers op besluitvormingsprocessen, de ‘participatiedemocratie’. Vooral de links-radicale beweging wilde burgers hieraan direct laten meedoen. Het idee was dat onderlinge verschillen weg te werken zouden zijn door ieder te laten deelnemen in elke vorm van beleid dat het eigen dagelijks leven beïnvloedt. Binnen dit idee speelt fundamentele maatschappijkritiek vaak een belangrijke rol.
Er ontstonden nieuwe partijen: de Pacifistische Socialistische Partij (1957, voor ontwapening en tegen atoomwapens), de Democraten ’66 (1966, participatiedemocratie en bezwaar tegen politieke onduidelijkheid: voor een progressief en conservatief blok, rechtstreeks gekozen minister-president en districtenstelsel), de Politieke Partij Radicalen (1968, voor progressieve politiek op basis van de Bijbel). De politieke onrust zorgde voor polarisatie. Vooral de verhouding tussen PvdA en KVP bereikte een dieptepunt.
Ontzuiling en deconfessionalisering zorgden in de jaren zeventig voor snelle achteruitgang van de aanhang van christelijke partijen. Hierom bundelden deze hun krachten in het Christen Democratisch Appèl (1880), op basis van christelijke beginselen en wat openstond voor niet-christenen. Men ging geen nauwe samenwerking met de kerken aan. Het stemmenverlies kwam tot stilstand. Een kleine groep protestanten richtte de Reformatorische Politieke Federatie op, dat samen met het protestantse Gereformeerd Politiek Verbond, in 2001 de ChristenUnie vormde, voor christelijk-sociaal beleid. CPN, PSP en PPR werden in 1989 Groen Links. In de loop der jaren tachtig kwam er weer ruimte voor consensuspolitiek. Dit leidde tot samenwerking van CDA en PvdA in het derde kabinet Lubbers vanaf 1989 en de totstandkoming van de paarse coalitie van PvdA, VVD en D66 in de jaren negentig. PvdA’s nieuwe gematigde koers maakte ruimte voor de Socialistische Partij (1994, actiepartij), die snel erg populair werd. Pim Fortuyn koos voor een felle manier van debatteren en ongebruikelijke uitspraken over de islam, een week voor de verkiezingen in 2002 werd hij vermoord. De LPF werd de tweede partij van het land, maar de aanhang daalde snel door onderlinge ruzies. Sinds de komst van de televisie lijkt politiek meer een zaak van personen in plaats van partijen te worden.
© 2011 - 2013 Tessaem, gepubliceerd in Samenvattingen (Educatie en School) op . Het auteursrecht van dit artikel en antwoorden op reacties ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.

Gerelateerde artikelen
Filmverslag Harry Potter and the Deathly Hallows (part 1) Dit is een filmverslag over de film Harry Potter and the Deathl…
Hoe maak je een goede samenvatting Samenvattingen maken is meestal niet het meest geliefde klusje, maar toch is het erg n…
Onze samenleving: rechtsstaat Nederland is een rechtsstaat, maar wat is dat eigelijk en waarom is Nederland dat? En hoe k…
Samenvatten: hoe doe je dat? Een samenvatting kan in allerlei gevallen handig zijn. Het kan een manier zijn om met de lee…
Fabeldieren:dondervogel, feniks,draken en de eenhoorn Fabeldieren; de dondervogel, feniks, de draken en de unieke eenhoor…

Reageer op het artikel "Samenvatting Feniks: democratische rechtsstaat Nederland"

Plaats een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Naam: E-mailadres: Meld mij aan voor de wekelijkse InfoNu nieuwsbrief. Reactie:
Reactie

Annieka Koster, 16-10-2012 23:19 #1
Kleine verbetering: in paragraaf 1.2 staat bij de Beeldenstorm het jaar 1666. Dit moet natuurlijk 1566 zijn. Verder prima uitgewerkt. Erg handig, bedankt!

Infoteur: Tessaem
Rubriek: Educatie en School
Subrubriek: Samenvattingen
Reacties: 1
Schrijf mee!