Samenvatting Biologie voor jou hoofdstuk 6 Gedrag 4 vwo

Samenvatting Biologie voor jou hoofdstuk 6 Gedrag 4 vwo

Hoe wordt gedrag bestuudeerd en hoe herken je gedrag? Welke soorten gedrag zijn er en wat zijn de verschillen tussen mens en dier? Hoe komt het dat een mens of dier een bepaald gedrag vertoont?

Biologie, vwo 4, hoofdstuk 6 Gedrag

Basisstof 1: De studie van gedrag
Alle waarneembare activiteiten van een mens of dier, zoals slapen, bewegen of geluiden maken wordt gedrag genoemd. Een gedraging kan tot stand komen d.m.v. spieren of klieren. Een gedraging wordt ‘uitgevoerd’, doordat een mens of dier een prikkel opvangt en die verwerkt. Het gedrag is opgebouwd uit handelingen (ook wel gedragselementen genoemd). Ethologie is de natuurwetenschappelijke studie van gedrag. Ethologen zien alleen de buitenkant van een mens of dier en weten niet wat er inwendig gebeurt en kunnen daar dus geen metingen verrichten. Wat inwendig gebeurt bij een mens of dier wordt daarom de black box genoemd. Input zijn de prikkels die je binnenkrijgt, waardoor je een bepaald gedrag gaat verrichten, de output. De reactie op die prikkels wordt de respons genoemd. Als je gedrag bestudeert, moet je de handelingen objectief beschrijven, alleen werkelijk gebeurde feiten mag je gebruiken. Dus een hond die kwispelt, mag niet beschreven worden als: hij is blij, maar hij beweegt zijn staart heen en weer, want dat is wat je waarneemt. Een ethogram is een objectieve beschrijving van de verschillende handelingen die een dier of mens uitvoert. Een protocol is een lijst van achtereenvolgende handelingen die waargenomen zijn en bijvoorbeeld hoe vaak de handeling duurde en hoe vaak die verricht is.

Basisstof 2: De organisatie van gedrag
Gedrag is georganiseerd in gedragssystemen. Zo’n systeem is een groep van samenhangende gedragselementen/handelingen. Deze elementen hebben meestal een gemeenschappelijk effect. Bij een gedragsketen wordt een handeling verricht die weer een andere handeling veroorzaakt. Het territorium is het gebied rondom de nestplaats van bijvoorbeeld een stekelbaars. Als er indringers komen, wekt dat agressie op bij de stekelbaars. Als het nest klaar is vertoont het mannetje de balts aan het vrouwtje. Dat is een gedragsketen, aantal opeenvolgende handelingen om het vrouwtje haar eitjes af te laten geven. Tijdens de balts maakt het mannetje een zigzagdans om het vrouwtje te imponeren. Het vrouwtje legt haar eitjes in het nest en de man gaat ze dan bevruchten (uitwendige bevruchting). Als de eitjes bevrucht zijn begint de broedzorg. Een onderdeel van de broedzorg is het waaieren. Na een aantal dagen weet de stekelbaars dat de eitjes uitkomen en stopt hij met waaieren. Totdat de jongen zelfstandig kunnen leven worden ze verzorgd door hun vader. Het gedragssysteem van voortplanting bestaat uit subsystemen, dat zijn vier samenhangende groepen van handelingen. De fase van de voortplanting bepaalt welk subsysteem er wordt geactiveerd.

Basisstof 3: Hoe wordt gedrag veroorzaakt?
Bij elk soort gedrag spelen uitwendige en inwendige factoren een rol. Uitwendige factoren zijn de prikkels. Je neemt niet alle prikkels op, maar alleen de belangrijke, de geselecteerde. Inwendige factoren zijn bijvoorbeeld angst of honger. Motiverende factoren zijn inwendige factoren die de kans bepalen dat een bepaal gedrag wordt vertoond. Als je bereid bent om een bepaal gedrag te verrichten heb je voldoende motivatie. Veranderingen in het interne milieu kunnen bijvoorbeeld voedingsdrang opwekken. Licht/daglengte heeft bij veel dieren invloed op hun voortplanting. Bij amfibieën heeft vooral temperatuur veel invloed op de voortplanting. Maar ook bijvoorbeeld drugs en alcohol kunnen bepaald gedrag beïnvloeden. Een prikkel die doorslaggevend is voor het veroorzaken van een bepaald gedrag wordt sleutelprikkel genoemd. Een onnatuurlijke prikkel kan zelfs een sterker gedrag opwekken dan een natuurlijke prikkel. Die prikkels worden supranormale prikkels genoemd.

Basisstof 4: Hoe wordt gedrag bepaald?
Als dieren of mensen gedrag vertonen wat ze nog niet hebben kunnen zien bij hun soortgenoten is dat dus erfelijk overgedragen en worden erfelijke factoren genoemd. Gedrag wordt door die erfelijke factoren en door leerprocessen bepaald. Door ervaring weten dieren of een bepaald gedrag vertonen wel zin heeft. Als je een vogel weghaalt bij de ouders kunnen ze niet precies hetzelfde vogelzang vertonen, maar wel een simpele vorm ervan, dat is dus erfelijk bepaald. De meest dieren hebben maar een bepaalde periode in hun leven waar ze dingen kunnen leren. Als je iets in een korte periode leert wordt dat inprenting genoemd. Bij gewenning neemt de reactie af door herhaaldelijk de prikkel toedienen. Bij conditionering leer je proefondervindelijk door een beloning of straf te krijgen. Ook wel trial and error genoemd. Bij dresseren hebben de dieren maar één goede keus om te maken en na het vaak gedaan te hebben gaan ze ook nog maar voor die ene keus. Als er een reflex optreedt bij een onnatuurlijke conditie waar aan voldaan word, spreken we van een geconditioneerde reflex. Klassiek conditioneren is een vorm van conditioneren waarbij een prikkel wordt toegediend en waar normaal niet zo op gereageerd zou worden. Bij operant conditioneren wordt je beloond voor een handeling die je doet. Je gaat die handeling herhalen, omdat je weet dat je een beloning krijgt. Bij imitatie gaan andere dieren nadoen wat het ene dier gedaan heeft. Als je inzicht hebt, kan je een onbekende situatie oplossen door de ervaringen die je vroeger opgedaan hebt.

Basisstof 5: Sociaal gedrag
Sociaal gedrag is het gedrag van soortgenoten tegenover elkaar. Hierbij leiden de handelingen tot een nieuwe handeling, ook wel signalen genoemd. Communicatie tussen soortgenoten is mogelijk door signalen. Bij dieren in groepsverband is er vaak een rangorde (bij kippen heet dit de pikorde). Bij imponeergedrag maken dieren zich groot om andere dieren weg te jagen. Het ondergeschikte dier vertoont dan verzoeningsgedrag. Staten bij insecten zijn grote groepen die een sterke taakverdeling hebben. Werkbijen zijn vrouwtjesbijen waarbij de geslachtsorganen niet ontwikkelt zijn. Darren zijn vruchtbare mannetjesbijen. De koningin legt eitjes, waarbij uit de onbevruchte eitjes darren ontstaan. Parthenogenese is het ontstaan van nakomeling uit onbevruchte eitjes. De balts is de bereidheid en aanleiding tot paring. Bij zoogdieren wordt dit bronst genoemd. Bij territoriumgedrag beschermt het mannetje het gebied tegen indringers. Komen er toch soortgenoten, dan vertoont het mannetje dreiggedrag. Ambivalent of conflictgedrag is gedrag dat is samengesteld uit meerde handelingen en kan veroorzaakt worden door een conflict tussen gedragssystemen. Als het gedrag overschakelt naar een ander gedragssysteem wordt dat overspronggedrag genoemd. Dieren moeten zelf zorgen dat ze in leven blijven d.m.v. zichzelf beschermen en zelf voedsel zoeken en dergelijke.

Basisstof 6: Gedrag bij de mens
Sinds kort zijn er meer overeenkomsten tussen het gedrag van dieren en dat van mensen. Leerprocessen spelen bij mensen een grotere rol. De gelaatsuitdrukkingen tussen mensen uit verschillende culturen zijn ook vaak hetzelfde. Mensen hebben normen en waarden en kunnen nadenken over wat voor gedrag ze vertonen. De normen en waarden zijn niet in alle culturen hetzelfde. Als je een bepaald gedrag van iemand verwacht in de betreffende situatie, verwacht je rolgedrag van diegene. Als diegene inderdaad dat gedrag uitvoert voldoet diegene aan het rolpatroon. Rolgedrag komt ook bij dieren voor, zoals een baviaan die ondergeschikt gedrag van dieren verwacht die lager in de rangorde staan. Mensen leren heel veel van elkaar en zijn gevoelig voor sleutelprikkels. Het kinderschema is het schema waarin de sleutelprikkels staan, waarom mensen baby’s zo schattig vinden. Mensen vertonen ook territoriumgedrag. Bij overspronggedrag behoort onder andere: op het hoofd krabben of door het haar strijken.
© 2011 - 2012 Rva03, gepubliceerd in Samenvattingen (Educatie en School) op . Het auteursrecht van dit artikel en antwoorden op reacties ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.

Gerelateerde artikelen
Nectar vwo biologie deel 1 hoofdstuk 1 Gedraag je! Dit is de samenvatting van Nectar vwo bovenbouw biologie deel 1. Dit b…
Nectar biologie 2 deel 2: 14. Grenzen aan groei Dit is de samenvatting van Nectar vwo bovenbouw biologie 2 deel 2. Dit bo…
Samenvatting nectar biologie vwo, hoofdstuk 1: Gedraag je! Hoofdstuk 1: Gedraag je! (Ethologie). Dit hoofdstuk gaat over…
Nectar biologie 2 deel 2: 11. Begin bij… een eiwit! Dit is de samenvatting van Nectar vwo bovenbouw biologie 2 deel 2. Di…
Nectar vwo biologie deel 1 hoofdstuk 7 Erfelijkheid Dit is de samenvatting van Nectar vwo bovenbouw biologie deel 1. Dit…

Bronnen en referenties
  • Biologie voor jou 4 vwo ISBN: 90 208 7278 8 Vierde druk, derde oplage, 2006 Malmberg

Reageer op het artikel "Samenvatting Biologie voor jou hoofdstuk 6 Gedrag 4 vwo"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Naam: E-mailadres: Meld mij aan voor de wekelijkse InfoNu nieuwsbrief. Reactie:
Infoteur: Rva03
Rubriek: Educatie en School
Subrubriek: Samenvattingen
Bronnen en referenties: 1
Schrijf mee!