Samenvatting Feniks: het Midden-Oosten (vwo)

Samenvatting Feniks: het Midden-Oosten (vwo)

Een uitgebreide samenvatting van Feniks, 'Het Midden-Oosten' vwo. Auteurs: Jan van Oudheusden en Robert Boonstra, ISBN: 978-90-0646257-9, uitgever: ThiemeMeulenhoff.

Hfst. 1: De nadagen van het Ottomaanse Rijk

1.1 De zieke man van Europa
Vanaf de zestiende eeuw was het Midden-Oosten onderdeel van het Ottomaanse of Osmaanse Rijk, dat vanuit Constantinopel geregeerd werd door de sultan, ook wel kalief (opvolger van de profeet Mohammed). In 1683 nam de sultan bijna Wenen in, maar in de achttiende eeuw brokkelde de Ottomaanse macht snel af door verschillende oorzaken:
  • Moslims reisden niet naar het Westen om nieuwe ideeën op te doen, de Renaissance, wetenschappelijke revolutie en Verlichting gingen aan hen voorbij en de technologische achterstand (zoals van scheepsbouw en bewapening) groeide. Conservatieve islamitische geestelijken vonden het heiligenschennis Arabische lettertekens af te drukken. In 1925 veroordeelde Atatürk deze conservatieve houding.
  • Begin achttiende eeuw drongen de troepen van tsaar Peter de Grote door tot de Zwarte Zee (de noordrand van het Ottomaanse Rijk). Russische schepen mochten door de Bosporus en Dardanellen varen. Kort na 1800 drongen de Russen ook door in de Kaukasus.
  • Er groeide een wereldeconomie, het Ottomaanse Rijk kreeg een economische achterstand. Europese landen kregen goedkoop grondstoffen en voedingsmiddelen uit Amerika, westerse handelaren brachten hun koopwaar onbeperkt op de markt in het Midden-Oosten en de handel in Oost-Aziatische specerijen ging vanaf de zeventiende eeuw aan het Midden-Oosten voorbij.
  • De sultans in de achttiende en negentiende eeuw hielden zich bezig met hun hof en harem en misten leiderscapaciteiten. Ze werden door velen beïnvloed en raakten het overzicht in hun rijk kwijt.
  • In de negentiende eeuw vochten onder invloed van het nationalisme de Grieken en later o.a. Roemenië, Bulgarije en Servië zich vrij. In 1912-1913 bestond Europees Turkije enkel uit Constantinopel en omgeving.
  • Noord-Afrika ging verloren door het modern imperialisme uit Europa.

1.2 Britten kopen het kanaal en ruiken olie
In 1869 werd het Suezkanaal, waar tien jaar aan gewerkt was door Franse ingenieurs, geopend. Hiermee nam het strategisch belang van het Midden-Oosten enorm toe. De Egyptische heerser Ismail wilde Egypte moderniseren. Hij liet spoorwegen en telegraafkabels aanleggen, stimuleerde het stichten van scholen en veranderde delen van Caïro in semi-Parijse wijken. Hij moest geld zoeken in het buitenland en bood in 1875 zelfs zijn persoonlijke aandelenpakket van de Suezkanaalmaatschappij te koop aan. De Britse premier Benjamin Disraeli kocht de aandelen en de zeeroute tussen Londen en Bombay werd 8000 km korter.
Groot-Brittannië was de koploper in de imperialistische race en kreeg meer steunpunten op de weg naar India. Frankrijk koloniseerde Noord-Afrika en werd de verdediger van christelijke minderheden in Ottomaanse provincies Syrië en Libanon. In 1911 koloniseerde Italië het huidige Libië. De sultan raakte heel Noord-Afrika kwijt. In 1882 braken in Egypte antiwesterse rellen uit, die door Britse troepen beëindigd werden. Egypte werd een Brits protectoraat (gebied onder beschermheerschap), die bezetting eindigde pas in 1956. De Britten probeerden de economie en infrastructuur te verbeteren, maar het verzet bleef smeulen en men ergerde zich aan de arrogante houding van de Britten. Sultan Abdul Hamid II, de officiële heerser, was machteloos.
In het westen kwam kort na 1880 de auto-industrie op gang: olie werd belangrijk. Begin twintigste eeuw werd in het huidige Irak en Iran de eerste aardolie aangeboord. In 1909 werd de Anglo-Persian Oil Company (nu BP) opgericht, in 1914 kreeg de Britse regering 51 procent van de aandelen. Men ontdekte grote voorraden aardolie in het Midden-Oosten en vanaf de jaren twintig waren naast de Britten en Fransen vooral de Amerikanen actief in het verwerven van olieconcessies. Door het Suezkanaal en de oliereserves werd het Midden-Oosten in de twintigste eeuw een van de belangrijkste conflicthaarden in de wereldpolitiek.

1.3 De Jong-Turken grijpen de macht
Rond 1900 was het Ottomaanse Rijk politiek en economisch in de greep van Europese mogendheden. Banken, fabrieken, havens, wegen, de post en de douane werden met westers geld opgericht en onderhouden. Sultan Abdul Hamid II probeerde zijn gezag te versterken en dreigde zelfs met de jihad om zo het westerse imperialisme tegenspel te bieden, hiermee wilde hij zich ook verzekeren van de trouw van Arabische inwoners, die in provincies Mesopotamië en Syrië de meerderheid vormden. Na het verlies van de Balkan en Noord-Afrika leefden er in het Ottomaanse Rijk voornamelijk Turken en Arabieren.
In Istanbul en op Anatolië groeide het nationalisme onder de Turken, ze vonden dat het rijk versterking nodig had. De Turken moesten zich van hun bijzonderheid bewust worden en fanatiekelingen wilden andere nationaliteiten turkificeren. Dit eng-turkisme leefde het sterkst onder officieren van het leger, vanwege het verval van het rijk. Zij stichtten het Comité van Eenheid en Vooruitgang. Deze Jong-Turken streefden naar modernisering en afschaffing van voorrechten voor buitenlandse ondernemers. Zij haatten én bewonderden de westerse overheersers. In 1908 pleegden ze een staatsgreep, de sultan werd in 1909 vervangen. Een militair driemanschap van het Comité kreeg de macht: het ging moderniseren en drukte het verzet tegen de turkificatie de kop in.
Als reactie ontwikkelden de Arabieren een zelfbewustzijn: het arabisme, Ze gingen op zoek naar een eigen identiteit, de Arabische taal werd nieuw leven ingeblazen en nationalistische genootschappen verspreidden geschriften en kranten. Vele daarvan werden in het buitenland gedrukt en geïmporteerd, westerse mogendheden zagen dit als een middel om het Ottomaanse Rijk van binnenuit te verzwakken.

1.4 De Armeense genocide
In 1914 koos het driemanschap de kant van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije in de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Het Ottomaanse Rijk kwam in oorlog met Rusland, Frankrijk en Groot-Brittannië. Een Turkse aanval op het Suezkanaal werd door Britse troepen afgeslagen en in de Kaukasus en Oost-Anatolië leed het rijk zware verliezen tegen Rusland. Het driemanschap nam wraak op de christelijke Armeniërs, het verdacht de minderheid ervan de Russen te helpen. April 1915 besloten ze de hele bevolkingsgroep te deporteren naar de Syrische woestijn met geringe overlevingskansen. Dit ontaardde in een dodenmars en een reeks massaslachtingen. Tussen de zeshonderdduizend en een miljoen Armeniërs stierven in 1915 en later nog eens vele honderdduizenden.
De Armeniërs kregen enkele dagen om hun spullen te pakken en gingen meestal te voet, in lange karavanen, naar het zuidoosten. Onderweg werden zij aangevallen en vermoord door speciale milities van vrijgelaten criminelen of leden van Koerdische bendes. De koerden waren een islamitische minderheid. De regeringspartij besloot tot de genocide – al weigerden sommige officieren en gouverneurs mee te werken – en de plaatselijke bevolking werd medeplichtig gemaakt door de aanmoediging de Armeense huizen te plunderen. Wie de Armeniërs hielp werd opgehangen.
Tot vandaag is de officiële Turkse verklaring dat het een betreurenswaardig bijverschijnsel betreft van een onoverzichtelijke oorlogssituatie. Volgens de Armeniërs en veel officiële instanties was het een doelgerichte volkerenmoord.

1.5 De verdeling van het Midden-Oosten
In 1915 legde hoge commissaris van Egypte McMahon contact met de Arabische vorst Hoessein Ibn Ali, de sjarief (hoeder) van Mekka en Medina en onderdaan van de sultan. Begin 1916 ontstond de overeenkomst dat Hoesseins bedoeïnenlegers in opstand zouden komen tegen de Jong-Turken. Hoessein zou dan van de Britten een onafhankelijk koninkrijk mogen stichten op het Arabisch schiereiland en in Syrië en Irak. Juni 1916 startte hij de Arabische opstand en er begon een opmars van legers naar het noordehn, onder commando van Hoesseins zoon Feisal waar vele sjeiks, vaak omgekocht door de Britten, aan mededen. Britse kapitein Lawrence (‘of Arabia’) was de contactman, Britse troepen namen samen met Arabische legers Akaba, Jeruzalem en Damascus in. In 1918 leek de bevolking gered van de overheersing.
De Britten en Fransen hadden in 1916 echter in het geheim al de Sykes-Picot-overeenkomst gesloten: Frankrijk zou een invloedssfeer krijgen in Syrië en Libanon en Engeland een landverbinding tussen de Middellandse zee en de Perzische golf, ongeveer het gebied van Palestina tot en met Irak. In 1918 hoorde Hoessein hiervan en vroeg hij om opheldering, maar hij werd misleid. In McMahons belofte was al voorbehoud gemaakt voor het kustgebied van Syrië vanwege Franse belangen, ook moesten de christelijke Syrische minderheden beschermd worden.
De Arabieren hadden geen invloed op de Parijse vredesconferentie in 1919 en in 1920 op de conferentie van San Remo werd het Verdrag van Sèvres bekrachtigd: Syrië en Libanon werden mandaatgebieden van Frankrijk, Palestina en Irak die van Brittannië. Een mandaat is een volmacht het gebied te beheren. De Volkerenbond, in 1919 opgericht om de wereldvrede te bewaken, kreeg toezicht en Engeland en Frankrijk moesten de Arabieren opvoeden tot zelfbeschikking: typisch modern imperialisme. Feisal liet zich nog tot koning van Syrië uitroepen, maar de Fransen stuurden hem in ballingsschap. Als troost kreeg hij van de Britten de koningstroon van mandaatgebied Irak. In ’32 werd Irak een onafhankelijk koninkrijk, maar de Britten hielden controle over de olievelden. Feisals broer Abdoellah werd door de Britten aangesteld als emir van Transjordanië, dat in 1921 losgemaakt werd van Palestina, waarmee ze nog iets van de belofte van McMahon probeerden in te lossen. Toch kwam het grote Arabische rijk er niet, wat de Arabieren herinnerden als bewijs van de verraderlijke politiek van het Westen.

1.6 Turkije onder Kemal Atatürk
Turkije bestond nu enkel nog uit het schiereiland Anatolië en een klein stukje Europees gebied rond Istanbul en grote stukken van Anatolië waren toegewezen aan de Italianen en de Grieken. De Turken reorganiseerden hun troepen, vormden in Ankara een nieuwe regering onder leiding van Mustafa Kemal en veegden de kort daarvoor opgerichte Armeense republiek in Oost-Anatolië van de kaart. De Italianen trokken zich terug van het schiereiland en de Turken versloegen de Grieken. In 1922 werden anderhalf miljoen Grieken uitgewisseld tegen 400.000 nog in Griekenland wonende Turken. Bij het Verdrag van Lausanne in 1923 werden de nieuwe grenzen van Turkije internationaal erkend. Met de Koerden, de grootste minderheid in Turkije, werd in 1925 na een opstand bloedig afgerekend. Hun woongebied ligt sindsdien verdeeld over Turkije, Syrië, Irak en Iran.
Kemal werd een populaire oorlogsheld, in 1923 zette hij de sultan af en riep hij de Republiek Turkije uit met hemzelf als president en Ankara als de hoofdstad. Hij wilde met het Ottomaanse verleden afrekenen en moderniseren met Europa als voorbeeld. Zo wilde hij het idealisme van de Jong-Turkse revolutie van 1908 levend houden. De islam was volgens hem de voornaamste hindering van de vooruitgang, er begon een proces van secularisering. Kemal hief het kalifaat op (er ontstond dus scheiding tussen godsdienst en staat), veel moskeeën werden gesloten, er kwam een seculier onderwijssysteem, de sharia werd vervangen door wetboeken uit Zwitserland en Italië, het Arabische schrift werd vervangen door het Latijnse en de taal werd gezuiverd van Arabische en Perzische woorden.
Ook waren er veel symbolische hervormingen: het dragen van een hoed (i.p.v. een tulband of fez) werd aangemoedigd. Vrouwen kregen verruimde onderwijsmogelijkheden, er kwam een verbod op polygamie en het vrouwenkiesrecht werd ingevoerd. Er kwamen vrouwelijke Kamerleden en rechters. Vrouwen werden aangespoord geen sluier meer te dragen en in 1926 werden de westerse klok en kalender overgenomen. Ook de geschiedenis van het Turkse volk werd herschreven: men verzon nieuwe historische wortels in de nomadenvolken van de steppen van Centraal-Azië en cultuurvolken uit de oudheid.
Door dit extreme nationalisme, het eenpartijstelsel vanaf 1931 en de persoonsverheerlijking van Kemal gaven zijn dictatuur fascistische trekken. Veel hervormingen raakten toch alleen de buitenkant en een groot deel van de bevolking bleef tegenstander van de westerse koers. Islamitische geestelijken waren fel tegen het verminderen van de invloed van de islam en de fundamentalistische onderstroom bleef bestaan. Kemal Atatürk (‘vader van alle Turken’) stierf in 1938 op 57-jarige leeftijd. Nog altijd is Turkije verdeeld tussen voor- en tegenstanders van de secularisering en modernisering.

Hfst. 2: Geboren uit onrecht, gegrondvest op onrecht

2.1 Theodor Herzl en het zionisme
In de negentiende eeuw woonden de Joden al eeuwen als religieuze minderheid in veel Europese landen en waren zij vaak het mikpunt geweest van antisemitisme. Door de toepassing van de mensenrechtenidealen van de Verlichting in de grondwetten van Europese landen werd de discriminatie minder, ze waren gedeeltelijk succesvol geïntegreerd. Mede doordat het nationalisme van o.a. Fransen en Russen steeds sterker werd, vonden er eind negentiende eeuw opnieuw bloedige Jodenvervolgingen plaats: pogroms. Honderdduizenden Oost-Europese Joden emigreerden naar de V.S. of Argentinië, anderen naar Palestina, om nabij Jeruzalem ofwel de berg ‘Zion’ te leven. Het zionisme ontstond: het streven van Joden terug te keren naar Palestina, waar hun voorouders in Bijbelse tijden hadden geleefd. Ook politiek gemotiveerde zionisten zochten een veilige plek, Joden moesten hun lot in eigen handen nemen.
De zionistische beweging kreeg een belangrijke impuls toen de Joodse journalist Theodor Herzl (1860 – 1904) in 1896 het boekje Der Judenstaat publiceerde. Hij had in Parijs het proces bijgewoond tegen Joodse kapitein Alfred Dreyfus, die ten onrechte van landverraad was beschuldigd, en zag sindsdien het Europese antisemitisme als onuitroeibaar. Herzl ontwierp een blauwdruk voor een moderne, seculiere Joodse staat, Israël, compleet met autowegen, elektriciteit, vrouwenkiesrecht, een vlag en volkslied. Rijke Joden zouden het project moeten financieren, het zou een oplossing zijn voor het Joodse vraagstuk. In 1897 werd in Bazel de Zionistische Wereldorganisatie opgericht met als doel een volkenrechtelijk erkend nationaal tehuis in Palestina te vestigen rond Jeruzalem. De Turkse Sultan Abdul Hamid II was alleen bang dat de Europese Joden de wankele balans tussen de volkeren in zijn rijk zouden verstoren. Ook Engelse zionist Israel Zangwill waarschuwde in 1904 dat de streek al bevolkt was en enkel gewapend te verkrijgen zou zijn.

2.2 De Balfour-verklaring van 1917
2 november 1917 stuurde Britse minister van Buitenlandse Zaken James Balfour een brief aan de Zionistische wereldorganisatie om te verklaren dat zijn regering welwillend stond tegenover de vestiging van een Joods nationaal tehuis in Palestina. Dit gebeurde uit verschillende motieven:
  • In de regeringskringen leefde medelijden met de slachtoffers van antisemitisme.
  • De regering was in de oorlog in geldnood en Joodse bankiershuizen zouden zo tot gunstige leningsvoorwaarden bereid zijn.
  • Ter ondersteuning van imperialistische ambities: een toekomstige westers gezinde Joodse staat kon een springplank worden in het Midden-Oosten, vlakbij het Suezkanaal en olievelden.
  • Chemicus Chaim Weizmann had de regering geholpen met het maken van een onmisbare grondstof voor dynamiet, als dank wilde hij een nationaal tehuis voor zijn volk.
De verklaring bevatte onverenigbare beloftes: de stichting van een Joods nationaal tehuis én het waarborgen van de rechten van de ‘niet-Joodse gemeenschappen’. Zo werd de kiem voor het latere Israëlisch-Palestijnse conflict gelegd, maar destijds dacht men dat de Joden en Arabieren misschien wel vruchtbaar samen konden werken. Januari 1919 werd een Joods-Arabische samenwerking afgesproken in overeenkomst tussen Weizmann en Hoesseins zoon Feisal, met een voorwaarde: de Arabieren moesten volledige onafhankelijkheid krijgen. In 1920 werd die hoop de bodem ingeslagen en kreeg Groot-Brittannië het mandaat over Palestina.

2.3 Palestina onder Brits mandaat 1920-1947
Het Britse ontwerp-mandaatverdrag stelde dat het niet de bedoeling was Palestina een exclusief Joods karakter te geven, wel werd het opengesteld voor Joodse immigranten. Het was een arm land met een onderontwikkelde bevolking en de Britten hoopten dat autochtone Arabieren zouden samenwerken met de nieuwe Joodse buren, die vaak kapitaal en kennis meenamen. Deze veranderden veel onbruikbare streken in gezonde landbouwgrond, velen leefden in kibboetzim, op het socialisme gebaseerde dorpsgemeenschappen met gemeenschappelijke eigendom. De eerste kibboets was in 1909 gesticht door Russische Joden, ze zouden de ooit onderdrukte gettobewoners een trots zelfbewustzijn geven. Joden zouden als boeren gaan leven in een maatschappij op basis van gelijkheid. Het aantal Joden groeide sterk en de Joden en Arabieren kwamen al snel tegenover elkaar te staan.
  • De Arabieren raakten in de ban van het nationalisme, de Irakese en Syrische weg naar onafhankelijkheid was aanstekelijk.
  • Het werd zichtbaar dat Joden en Arabieren aparte leefgemeenschappen zouden vormen, waarbij de Joden een veel hogere organisatiegraad toonden. Het Joods Agentschap, de kiem van een eigen regering werd in 1921 opgericht. Er kwam een eigen vakbeweging (Histadroet), die voorzieningen opzette als woningbouwverenigingen, gezondheidszorg en onderwijs; een eigen defensiemacht (Haganah), nadat in 1920 de eerste bloedige rellen uitbraken; een politieke partij verwant aan de Histadroet (Mapai). De Mapai en het Joods Agentschap stonden onder voorzitterschap van David Ben-Goerion, die in 1906 van Polen naar Palestina was verhuisd.
De Arabieren konden weinig uitrichten tegen de technisch en organisatorisch superieure zionisten. Het Joods Nationale Fonds kocht landbouwgrond op van Arabische grootgrondbezitters, vaak raakten Arabische pachtboeren hun bron van inkomsten kwijt. De Britten probeerden de Joodse immigratie af te remmen, maar in 1933 kwam Adolf Hitler in Duitsland aan de macht. Veel Duitse Joden gingen naar Palestina, omdat de Verenigde Staten en Canada strenge immigratiewetten hadden. Tussen ’33 en ’36 kwamen verdubbelde de Joodse gemeenschap in Palestina.
In 1936 brak een burgeroorlog uit. Prominente Arabieren, zoals extreme nationalist Amin el-Hoesseini, moefti (hoge islamitische rechtsgeleerde) van Jeruzalem, wakkerden Jodenhaat aan. Hij was een antizionist en werd later berucht als antisemiet en bewonderaar van Hitler. Arabieren gingen massaal in staking. Er vonden aanvallen plaats op Joodse gemeenschappen en Britse ambtenaren, bijna zevenduizend mensen stierven. De Britse regering stuurde een onderzoekscommissie naar Palestina. De Peel-commissie bereikte in 1937 de conclusie dat het conflict niet te onderdrukken was en de twee gemeenschappen onverenigbaar waren door cultuur, nationale aspiraties en historie. De commissie stelde een verdeling van Palestina voor: een klein Joods staatje in Galilea (Noord-Palestina) en de kustvlakte en een Arabisch-Palestijnse staat in de rest, met het gebied rond Jeruzalem onder Brits bestuur. De zionisten vonden dit bespreekbaar, de Arabieren niet. De gewelddadigheden gingen dus door.
In 1939 publiceerde de Britse regering een Witboek, waarin zij zelfbestuur voor Palestina binnen tien jaar in het vooruitzicht stelden. De Joodse immigratie werd de eerste vijf jaar beperkt tot 15.000 man per jaar, daarna werd die afhankelijk van Arabische goedkeuring. Om de naderende Tweede Wereldoorlog wilden de Britten de Arabieren te vriend houden, olietoevoer zou belangrijk zijn. De Joden verloren zo hun toevluchtsoord, juist terwijl zij in Europa bedreigd werden.

2.4 De Tweede Wereldoorlog en de Holocaust
In de Tweede Wereldoorlog waren de Arabieren afwachtend, de oorlog vonden zij een Europese zaak. Zionistische strijdgroepen kozen de kant van de Geallieerden. Joodse soldaten deden gevechtservaring op en in het Engelse leger kwam een aparte Joodse brigade. Geen macht ter wereld had de genocide waartoe in januari ’42 besloten was, verhinderd. Zes miljoen Joden waren vermoord. Tijdens het proces in Neurenberg in 1945-1946 tegen de kopstukken van het Derde Rijk werden gruwelijke details geopenbaard. De morele schok was groot en Westerse politici voelden zich schuldig over hun passiviteit. Ontkomen Joden, ongeveer een miljoen in Europa, wilden nog maar één ding: toevlucht in Palestina. De noodzaak leek groter dan ooit.

2.5 De stichting van de staat Israël
Groot-Brittannië had de Joodse immigratie naar Palestina stopgezet. De zionistische beweging werd actiever dan ooit en keerde zich tegen het Britse mandaat. Schepen vol Joodse vluchtelingen uit Europa voeren geheim naar de kust van Palestina, extremistische zionisten pleegden aanslagen en sabotagedaden. De Britten konden de orde niet meer handhaven en droegen het mandaat over aan de Verenigde naties, de vredesorganisatie die in 1945 was opgericht. Dit veroorzaakte een verheviging van de strijd. 29 november 1947 besloot de Algemene Vergadering van de VN tot een verdeling van Palestina: 48 procent voor een Arabische en 52 procent voor een Joodse staat. Jeruzalem zou worden geïnternationaliseerd. De zionisten gingen akkoord, maar de Arabieren niet. Op grote schaal braken vijandelijkheden uit en beide partijen probeerden zo veel mogelijk grondgebied in handen te krijgen.
Arabische landen hielpen de Palestijnse Arabieren met hun legers, zelf hadden zij geen strijdmacht. Er ontstonden wrede represailleacties, zoals in april ’48, toen een commando extremistische Joden de 254 Arabische inwoners van het dorpje Deir Yassin vermoordden. Veel Arabieren sloegen op de vlucht, ook na de inname van steden als Haifa en Jaffa. Volgens de latere officiële Israëlische lezing gaven de Arabieren gehoor aan de radio-oproep van Arabische leiders om tijdelijk het land te verlaten in afwachting van de overwinning. Tientallen jaren later durfde men pas de systematiek van de Israëlische verdrijving van Palestijnse Arabieren te publiceren, onder andere vierhonderd voorbeelden tijdens 1947-1949 van dorpen die werden weggevaagd. Dit drong echter niet door tot hun schoolboeken. Ook Arabische Palestijnen hebben een selectief geheugen: zij spreken van het ‘rampjaar’ 1948 en zien zichzelf als machteloze slachtoffers.
15 mei 1948 werd de Britse vlag gestreken en verlieten de laatste Britse militairen Palestina, een dag eerder had David Ben-Goerion in Tel Aviv de staat Israël geproclameerd. Meteen gingen de Arabische landen in de aanval, maar hun legers waren slecht getraind en hadden een laag moreel. De oorlog sleepte zich heel 1948 voort, Israël wist onder meer West-Jeruzalem en de Negev-Woestijn te veroveren. Begin 1949 was er een wapenstilstand, de bestandslijnen werden internationaal erkend als de nieuwe grenzen en Israël werd toegelaten tot de VN. De Gazastrook kwam onder Egyptisch bestuur, de Westoever van de Jordaan onder dat van Transjordanië. In 1950 lijfde koning Abdoellah dit in en veranderde de naam van zijn rijk in Jordanië. Voor de Palestijnse Arabieren bleef er niets over.
De oorlog bracht een vluchtelingenstroom van 500.000 tot 750.000 Arabische Palestijnen op gang die voornamelijk in vluchtelingenkampen op de Westoever en in de Gazastrook belandden. Israël stond hun terugkeer niet toe. Voor hulp waren de vluchtelingen – voortaan Palestijnen – aangewezen op de VN, die een aparte organisatie opzette. De kampen werden permanente woonoorden en werden broeinesten van frustratie en radicalisering. De leiders van de Arabische buurlanden deden vrijwel niets voor de Palestijnen. Zij vonden dat ze als ontheemde vluchtelingen een welkom propagandawapen waren tegen Israël. Geen enkel Arabisch land erkende Israël of was bereid tot een vredesakkoord.

Hfst. 3: Arabieren tegen de staat Israël

3.1 Israël consolideert zich
Van ’48 tot ’51 verdubbelde de Israëlische bevolking naar 1,3 miljoen, waarvan een derde deel overlevende van de Holocaust was. Het verband tussen de ramp en Israëls bestaansrecht leefde sterk. Het proces in 1961 in Jeruzalem tegen oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann, die in Argentinië gekidnapt was door de Israëlische geheime dienst, de Mossad, bracht dit weer in herinnering. Hij kreeg de doodstraf. Israël was omringd door vijanden en raakte tot de tanden gewapend. Met dienstplicht voor mannen én vrouwen was het leger sterk en ook de Mossad was belangrijk.
Rond 2000 was het aantal inwoners gegroeid tot zes miljoen, waaronder een miljoen Arabieren, nakomelingen van diegenen die niet gevlucht waren in ’48. Zij kregen burgerrechten, maar waren uitgesloten van militaire dienst (en voorzieningen voor veteranen) en konden geen land kopen. Veel nieuwkomers waren Joden uit de Arabische wereld, wiens voorouders als minderheid tussen moslims hadden geleefd. Deze Sefardim (met voorouders uit Spanje, Portugal en later ook Arabische landen) hadden andere culturele waarden dan de Asjkenazim (afkomstig uit overig Europa). Sefardim waren voor een hardere lijn tegenover de Arabische buurlanden dan Asjkenazim. Ook de tegenstelling van orthodoxe Joden en voorstanders van een seculiere samenleving, vormde een breuklijn door de bevolking.

3.2 Arabisch nationalisme en socialisme
Egypte was vanwege het Suezkanaal, dat in Britse handen was, van strategisch belang. In 1952 werd in een staatsgreep koning Faroek afgezet. Egypte werd een republiek, het parlement werd naar huis gestuurd en politieke partijen werden verboden. Twee jaar later trad kolonel Gamal Abdel Nasser als sterke man naar voren. Hij werd een militair dictator die Egypte het leiderschap in de Arabische wereld wilde bezorgen. In ’58 liet hij Egypte en Syrië samengaan in de Verenigde Arabische republiek, die in ’61 weer ontbonden werd. Hij beschouwde Israël als aartsvijand van alle Arabieren en Egypte bevrijden van de Britse aanwezigheid: hij belichaamde het Arabisch nationalisme. Ook verkondigde hij het socialisme: hij wilde miljoenen arme boeren een eigen stukje grond geven door landhervormingen. Hij schafte oude titels af en maakte een begin met sociale voorzieningen en nationalisaties van grote bedrijven. Veel van zijn plannen bleven onuitgevoerd, maar toch was hij tot zijn dood zeer populair in de Arabische wereld.
Het Midden-Oosten was een van de strijdtonelen van de Koude Oorlog. Nasser was antiwesters en neigde naar het Russische kamp. De Russen leverden vanaf ’55 wapens aan Egypte en Syrië, maar Egypte bleef officieel neutraal. Israël was duidelijk verbonden met het westen: Premier Ben-Goerion zag dat het militair en financieel afhankelijk was van de Verenigde Staten en geloofde niet in vrede met de Arabieren. Nasser wakkerde agressie richting Israël aan en er waren veel aanslagen en aanvallen, waarop Israël reageerde door Egyptische doelen onder vuur te nemen: er was een toestand van sluimerende oorlog.
Ook in Syrië en Irak schoot het Arabisch nationalisme wortel: er groeiden machtige Baath partijen. Baath betekent opleving van de Arabische staat en ontstond als reactie op de Franse overheersing. Zij streed voor dekolonisatie en predikte gelijkheid tussen mensen: ze was nationalistisch en socialistisch. In ’46 was Syrië onafhankelijk geworden en in ’63 kwam de Baath-partij door een staatsgreep aan de macht. Vanaf 1970 tot zijn dood in 2000 was luchtmachtcommandant Hafez al-Assad staatshoofd van een dictatuur. Er waren enkele radicale maatschappijhervormingen, als de nationalisatie van het bank- en verzekeringswezen. Verzet van strenggelovige moslims werd in ’82 met harde hand onderdrukt, waarbij tienduizenden doden vielen. Assad gaf de boodschap dat de Baath-ideologie een seculiere staat centraal stelde. Ook Syrië steunde guerrilla-acties tegen Israël door Palestijnse militanten.
In Irak was er in ’58 een staatsgreep, waarbij de gehele Koninklijke familie werd uitgemoord. Irak werd een republiek en wijzigde radicaal van koers: grootscheepse landhervormingen werden afgekondigd, die mondjesmaat werden uitgevoerd. De prowesterse koers werd vervangen door een oriëntatie op Moskou. In ’68 greep de Baath-partij, gesteund door delen van het leger, de macht. Nieuwe president Hassan al-Bakr – met in zijn schaduw Saddam Hoessein – gebruikte de Baath om een netwerk van persoonlijke macht te bouwen. Toch zorgde de Baath niet voor meer eenheid in de Arabische wereld: hun leiders zorgden in eerste instantie voor hun eigen land. Naast regimes van nasseristen en Baathisten bleef in het Midden-Oosten ook een aantal conservatieve regimes overeind, zoals dat van koning Hoessein van Jordanië en in Saudi-Arabië en de Golfstaten. Het enige bindmiddel was de haat tegen Israël. De Arabische Liga bleek een machteloos orgaan en vooral een podium voor onderlinge vetes en verschillen tussen de 23 lidstaten.

3.3 Drie oorlogen met Israël
Groot-Brittannië zag in Nasser een nieuwe Hitler, o.a. omdat hij oud-nazi’s aantrok als adviseur. Hij was op zoek naar buitenlandse financiers voor een belangrijk prestigeobject, de Assoeandam in de Nijl, dat voor veel welvaart zou zorgen. Westerse banken weigerden het project te financieren, waarop Nasser een Russisch aanbod accepteerde en de nationalisatie van het Suezkanaal aankondigde. De tolgelden zouden helpen de Assoeandam te financieren, ook zette hij zo de Britten een hak: het Suezkanaal was hét symbool van de westerse overheersing. De Britten zetten samen met de Fransen en Israëli’s een krijgsplan op: Israël zou Egypte aanvallen en vervolgens zouden Britse en Franse militairen posities innemen langs het Suezkanaal. Dit gebeurde oktober ’56, Britten en Fransen bombardeerden Egyptische stellingen en deden een invasie. Amerika was echter bang voor een kernoorlog en Eisenhouwer reageerde woedend op dit imperialistische optreden. Onder deze druk trokken de drie landen zich terug, er werden VN-vredestroepen langs de Israëlisch-Egyptische grens. Nasser was de grote winnaar: hij hield het Suezkanaal, Assoeandam werd gecompleteerd en dit was weer een stap in de dekolonisatie. Vanaf nu ging Amerika zich actief met het Midden-Oosten bemoeien: Eisenhower verkondigde in ’57 het recht van de VS om met een gewapende macht de onschendbaarheid van naties (Israël) te beschermen.
In ’67 was het aantal grensincidenten rond Israël sterk toegenomen: Syrië en Egypte werkten militair nauw samen. Nasser mobiliseerde zijn leger, dwong de VN de blauwhelmen weg te halen uit de Sinaï en maakte Israëlische scheepvaart in de Golf van Akaba, Israëls enige zeeverbinding met Azië, onmogelijk. In Israël leefde angst: een gezamenlijke Arabische actie zou het kunnen verpletteren. Officiële persorganen in Egypte, Syrië en Irak spiegelden Israël af als de voorpost van de westerse imperialisten. De Israëlische regering concludeerde dat de vijand op het punt stond aan te vallen en besloot als eerste toe te slaan. Op 5 juni schakelden Israëlische vliegtuigen de luchtmacht van Egypte en Syrië uit en binnen zes dagen versloeg het leger de strijdkrachten van Egypte, Jordanië en Syrië. In deze Zesdaagse oorlog veroverde Israël de Sinaï-woestijn en Gazastrook op Egypte, de Westoever van de Jordaan, inclusief Oost-Jeruzalem, op Jordanië en de hoogvlakte van Golan op Syrië. Israël liet weten Jeruzalem nooit meer op te zullen geven en de verovering van de Westoever en Gazastrook zorgde ervoor dat honderdduizenden Palestijnen onder rechtstreekse Israëlische bezetting kwamen. Kort na de oorlog nam de Veiligheidsraad van de VN resolutie 242 aan, waarin o.a. Israël gevraagd werd haar strijdkrachten terug te trekken uit de jongst toegevoegde gebieden. In ruil voor erkenning leek Israël aanvankelijk bereid de bezette gebieden (behalve Jeruzalem) terug te geven, maar de Arabische wereld weigerde met Israël te onderhandelen of het te erkennen. Daarnaast had de oorlog in Israël een overmatig zelfvertrouwen gewekt: naast het veiligheidsmotief gingen ook religieuze motieven spelen. De Westoever was immers Bijbelse grond, spoedig gingen orthodoxe Joden daar Joodse nederzettingen stichten, midden tussen de Palestijnen.
Na Nasser’s dood in 1970 werd Anwar Sadat de nieuwe president van Egypte. Hij wilde vrede met Israël op basis van een militaire overwinning. Oktober ’73, tijdens de belangrijkste joodse feestdag Jom Kippoer, vielen het Egyptische en het Syrische leger Israël binnen. Egyptische troepen staken het Suezkanaal over en Syrische manschappen doorbraken de linies op de Golanhoogvlakte. Na felle gevechten keerden de kansen: een Amerikaanse luchtbrug hielp Israël aan wapens. Generaal Ariel Sharon stak zelfs het Suezkanaal over. Ook werd de Golan heroverd. Omdat de Sovjet-Unie dreigde met het atoomwapen, probeerde Amerika Israël halt te laten houden. Onder toezicht van VN-officieren werd na drie weken vechten een wapenstilstand gesloten. Tijdens deze Jom Kippoer-oorlog beseften de Arabische landen dat hun olie een machtig wapen waren, ze verhoogden de prijzen drastisch en stelden een olieboycot in tegen landen die Israël steunden. De oliecrisis zorgde ervoor dat veel landen partij kozen voor de Arabieren. In ’75 nam de Algemene vergadering zelfs een resolutie aan die het zionisme bestempelde als racisme.
In ’73 probeerde Amerika tot een duurzame vrede tussen Egypte en Israël te komen en in ’77 deed Sadat een spectaculaire stap: hij reisde af naar Jeruzalem om het Israëlisch parlement toe te spreken. Buiten de radicale Arabische landen was men hierover zeer enthousiast. De Amerikaanse president Carter nodigde Sadat en de Israëlische premier Begin uit op het presidentiële buitenverblijf Camp David, waar in ’79 een reeks akkoorden werden getekend. Deze hielden o.a. in: wederzijdse erkenning, een vredesverdrag waarbij Israël de Sinaï zou teruggeven en Israëlische schepen vrijelijk door het Suezkanaal en de Golf van Akaba mochten varen en Israëls instemming met een beperkte vorm van zelfbestuur voor de Palestijnen in bezet gebied. Israël ontruimde de Sinaï in fasen, maar de onderhandelingen over Palestijns zelfbestuur raakten spoedig in het slop. De meeste Arabische landen noemden Sadat een verrader en hij werd in ’81 tijdens een militaire parade door radicaalislamitische landgenoten doodgeschoten. Zijn opvolger Hosni Moebarak handhaafde vrede met Israël, maar zocht ook toenadering tot andere Arabische landen.
In Israël kreeg het rechtse Likoedblok in de jaren ’70 steeds meer aanhang, vooral onder Israëli’s die vonden dat er harder moest worden gereageerd op terroristische acties van de Palestijnen. In ’77 won Likoed de verkiezingen. De nieuwe premier, Menachim Begin, liet weten nieuwe Joodse nederzettingen te gaan bouwen op de Westoever en Gazastrook, met als doel ‘verjoodsing’ van de gebieden. De ‘land-voor-vrede ’gedachte van VN-resolutie 242 werd een illusie. Likoed wilde het Bijbelse Judea en Samaria voorgoed bij Israël voegen. De Palestijnen daar voelden zich beroofd van hun elementaire rechten.

3.4 De Palestijnen en hun organisaties
Tot de Zesdaagse Oorlog hadden de Palestijnse vluchtelingen gewacht op het moment dat de Arabische landen Israël zouden vernietigen, het merendeel bleef wonen in vluchtelingenkampen. Na ’67 besloten zij hun lot in eigen handen nemen: het Palestijns nationalisme kwam op. In ’64 was op initiatief van de Arabische Liga al de Palestinian Liberation Organization opgericht, waarin de guerrillaorganisatie El Fatah van Yasser Arafat weldra een hoofdrol speelde. Gewapende strijd moest tot een eigen staat leiden. In ’69 kreeg Aragat de leiding over de PLO, guerrillagroepen probeerden met vliegtuigkapingen de aandacht van de wereld te trekken. Niet alle Arabische regeringen waren blij met die acties: in Jordanië maakte het leger in 1970 bloedig korte metten met Arafats strijdgroepen, toen die dit land over dreigden te nemen. De PLO week uit naar Libanon. In ’72 werd de Israëlische atletiekploeg tijdens de Olympische Spelen in München gegijzeld, elf Israëli’s stierven tijdens een bevrijdingsoperatie. De Israëlische luchtmacht nam steevast wraak op de terreuracties door de daders te liquideren.
In ’87 kwamen Palestijnen op de Westoever in opstand: de intifada (‘het zich weer oprichten’). Jonge Palestijnen gooiden met stenen op zwaarbewapende Israëlische soldaten, die er op los mepten. Het conflict werd zo ook een mediaoorlog. Israël kreeg een storm van kritiek te verwerken: het drong door dat het Palestijnse vraagstuk de kern van de problematiek in het Midden-Oosten vormde. Arafat nam het initiatief over en probeerden de PLO om te vormen tot een politieke beweging. Hij verklaarde zelfs de staat Israël te willen erkennen, mits deze instemde met de vorming van een Palestijnse staat op de Westoever en de Gazastrook.

Hfst. 4: Oorlogen om Allah en olie

4.1 De sjiitisch-islamitische revolutie in Iran
Iran, het vroegere Perzië werd vanaf 1941 geregeerd door vorst sjah Mohammed Reza Pahlavi. Hij was prowesters, dictatoriaal en een trouw bondgenoot van de Verenigde Staten. Het leger was een van de grootste ter wereld en beschikte over de modernste snufjes. De sjah wilde zijn land opstoten in de vaart der volkeren: grootscheepse landhervorming moest de boeren eigen grond geven, analfabetisme moest worden uitgeroeid, er kwamen hospitalen en moderne industrieën en vrouwen kregen beter toegang tot opleidingen en banen. Deze inbreuken op de traditionele samenleving leidden tot conflicten met de sjiitische geestelijkheden daar. De belangrijkste sjiitische geestelijke, ayatollah (‘oog van God’) Ruhollah Khomeini, wees de westerse af en was tegen de secularisering van de wetgeving. Khomeini was door de sjah verbannen en leefde al jaren in Irak en Parijs. In 1978 veranderde de onrust in een volksopstand en begin 1979 vluchtte de sjah. Khomeini, inmiddels 76, keerde terug en was erg populair.
De daaropvolgende revolutie was uniek: eerdere revoluties stonden in het teken van een ideologie van vooruitgang en modernisering. Dit was een conservatieve omwenteling. De bron van de islam werd het oriëntatiepunt van de samenleving: fundamentalisme. De islamitische republiek werd uitgeroepen en kreeg een nieuwe grondwet op basis van de islam. In 1981 kreeg Khomeini ruime bevoegdheden, ook was er een democratisch gekozen parlement. Alle invoeringen van de sjah werden taboe en veel voormalige politici werden geëxecuteerd, anderen vluchtten. Er kwamen zware lijfstraffen, bioscopen, alcoholgebruik en prostitutie werden verboden, vrouwen moesten op straat weer gehuld gaan in de chador, een gewaad dat enkel het gezicht laat zien, en de zedenpolitie waakte over deze kleding.
De chaos was in 1979 nog groot, fundamentalisten leken een strijd op leven en dood uit te vechten met gematigde leiders en Khomeini gaf slechts algemene richtlijnen. Amerika weigerde de sjah uit te leveren, dus een groep fundamentalisten gijzelde het Amerikaanse ambassadepersoneel in Teheran, wat 444 dagen duurde. Khomeini noemde Amerika ‘de satan’, een lange periode van vijandschap volgde. Vlak voor zijn dood in 1989 vaardigde Khomeini per fatwa een doodvonnis uit tegen schrijver Salman Rushdie voor godslasterlijke passages in zijn boek De duivelsverzen (1988). Hij moest jarenlang onderduiken.

4.2 Opmars van het moslimfundamentalisme
Voor moslims elders was de revolutie in iran een voorbeeld. In Turkije verdedigde het leger de seculiere staat, maar islamitische partijen wonnen er vanaf de jaren tachtig de verkiezingen, o.a. door de grote aantrekkingskracht van islamscholen. In 1995 kwam de Welvaartspartij aan de macht die herstel van islamitische waarden beloofde. Na 2000 haalde de nieuwe, islamitische Gerechtigheids- en Ontwikkelingspartij overwinningen. In Egypte lukte het Moebarak niet de miljoenen armen te helpen. Zij klopten aan bij liefdadige religieuze instellingen zoals de Moslim Broederschap die vanaf 1928 actief was. De Broederschap beheerde een netwerk van hospitalen, liefdadigheidsinstellingen en rechtswinkels en kreeg na 1980 een grote toeloop. In 1981 waren zij het brein achter Sadats moord. Moebarak trad streng tegen hen op, vooral wanneer fundamentalisten zich tegen westerse toeristen richtten. In 1997 kostte een aanslag in Luxor 58 toeristen het leven. De
volgende onderdrukking trof ook gematigde fundamentalistische organisaties en de Broederschap won aan populariteit.
Sayyid Qutb was de Broederschaps belangrijkste ideoloog. In ’66 was hij opgehangen, maar zijn ideeën leefden nog sterk. Uit de Broederschap kwam in ’87 de Palestijnse terreurbeweging Hamas voort, die opereerde vanaf de bezette Gazastrook en Israël wilde vernietigen. Daders van zelfmoordaanslagen zouden martelaars worden en in het paradijs opgewacht worden door tweeënzeventig maagden. Hamas gaf steun financiële aan hun families. Ook Hezbollah (partij van God), een sjiitische organisatie die sterk gesteund werd door Iran en die vanuit Syrië en Libanon opereerde, en de Islamitische Jihad werden actief.
In Saudi-Arabië leefde een strenge variant van de islam: het wahabisme. Dankzij Saudishe oliedollars verspreidde het zich. Miljonairszoon Osama Bin Laden was een grote aanhanger, hij trok in 1980 net als duizenden geloofsgenoten naar Afghanistan om tegen de Russische bezetters te vechten. Later protesteerde hij tegen de stationering van Amerikaanse militairen in Saudi-Arabië. Hij ging naar Soedan, dat een vrijplaats bood aan radicale islamitische strijders. In 1996 kwam hij als gast van het de fundamentalistische taliban terug naar Afghanistan. Hij riep op tot geweld tegen alle Amerikanen en vormde een netwerk van islamitische militanten: Al Qaida. Zijn eerste wapenfeiten waren aanslagen op Amerikaanse bassades in Kenia en Tanzania in 1998. Amerika deed maar halfslachtige pogingen hem uit te schakelen.

4.3 Irak onder Saddam Hoessein
Vanaf 1920 was Irak moeilijk bestuurbaar geweest, drie bevolkingsgroepen waren samengevoegd in dit land: Koerden in het noorden, soennieten in het midden en sjiieten (60%) in het zuiden. In 1968 kwam de Baath-partij aan de macht, waarbij veertien Joden in Bagdad werden opgehangen als publiciteitsstunt. Ook organiseerde ze showprocessen waarbij duizenden omkwamen. Alle oppositie werd op hardhandige wijze aangepakt en de Baath veranderde van een seculiere, op gelijkheid gebaseerde en op modernisatie gerichte beweging in een machtspartij.
In 1972 werd de Britse Iraq Petroleum Company genationaliseerd, het regime nam de controle van de oliebronnen over en Irak groeide uit tot een van de belangrijkste olieproducerende landen. In ’73 stegen de prijzen spectaculair, waardoor de bestuurders onderwijsprogramma’s, scholen, wegen en ziekenhuizen konden realiseren. Ook werd geïnvesteerd in de industrie, zodat er werk in overvloed was en ziekenzorg en hoger onderwijs werden vrijwel gratis toegankelijk.
Saddam Hoessein (1937) kwam uit een boerenfamilie rond Tikrit en werd opgevoed door zijn oom, die symphatie koesterde voor Hitler en de Britten haatte. In ’58 was Saddam betrokken bij een mislukte staatsgreep, waarna hij vluchtte. In Syrië maakte hij kennis met Michel Aflaq, stichter van de Baath, en in Cairo raakte hij onder de indruk van Nasser. Saddam zette de geheime veiligheidsdienst van de Iraakse Baath op toen die aan de macht kwam. Irak werd een totalitaire staat. In 1979 werd hij president, partijvoorzitter en hoofd der strijdkrachten. Hij bleek een wreed dictator met een netwerk van spionnen dat hem van informatie voorzag over mogelijke tegenstanders, die bij duizenden werden geëxecuteerd. Hiermee liet hij ook de sjiitische meerderheid weten dat zij zich beter gedeisd konden houden: zijn kliek bestond uit enkel Soennieten.
Hoessein liet met zijn eigen bloed een handgeschreven Koran maken en een stamboom die hem als afstammeling van Mohammed aanwees – in strijd met het seculiere uitgangspunt van de Baath. Overal waren zijn beeltenissen te zien. Tegenover de antiwesterse Khomeini in Iran, zag men in het westen Hoessein liever als een ‘goede’ dictator met wie het goed zaken doen was. Het leger kreeg veel geld te besteden en deed dat bij westerse bedrijven. Ook toonde Hoessein belangstelling voor gifgas, te gebruiken tegen de Joden. Toen hij zijn land wilde voorzien van kerncentrales werd hij ontvangen door Jacques Chirac, hij tekende in Bagdad een miljardencontract met de Fransen, maar ‘personen van het Joodse ras of het geloof van Mozes’ waren uitgesloten van deelname. Alleen Israël maakte zich zorgen over dit nucleaire programma. In 1981 deed hun luchtmacht een aanval op de kerncentrale Osirak om te voorkomen dat er atoomwapens gemaakt zouden worden. Internationaal werd dit afgekeurd en enkele jaren later bleek dat Israël zelf in het geheim atoomwapens had.

4.4 Twee Golfoorlogen
In 1980 brak een oorlog uit tussen Iran en Irak om de grensrivier de Shatt al-Arab, Iraks enige uitweg naar de zee. Hoessein wilde ook de eeuwenoude rivaliteit tussen de Perzen en Arabieren beslechten. Ook zou een overwinning het sjiitische fundamentalisme beschadigen dat een dreiging was voor zijn bewind. De miljoenen sjiieten n Irak bewonderden de islamitische revolutie. Saudi-Arabië, Koeweit en de Golfstaten vreesden een Iraanse opmars en leende Bagdad tiendallen miljarden. In 1984 herstelde Hoessein de betrekkingen met de VS en hij betrok wapens uit de Sovjet-Unie en Frankrijk. Voor hen bleef Khomeini een boeman.
De invasie liep vast en Iran wist in ’82 het grootste deel van het verloren gegane terrein te heroveren. Irak had een materieel overwicht, waar Iran honderdduizenden kindsoldaten tegen inzette, vooraan in de linies en mijnenvelden. Martelaarschap is kenmerkend voor de sjiitische islam. Irak ondernam bombardementen met gifgas en andere chemische wapens. Het ergst was het gifgasbombardement op het Koerdische stadje Halabja op 16 maart ’88, vijfduizend mensen stierven. Dit werd georganiseerd door Hoesseins neef, voortaan bekend als Ali Chemicali. In totaal werden 180.000 Koerden vermoord wegens verdenking van samenwerking met Iran. Khomeini kondigde de jihad af tegen Hoessein. Beide landen schoten elkaars olie-installaties in brand en bestookten elkaars steden met raketten. Pas in ’88 maakte intensieve bemiddeling door de VN een eind aan dit conflict. Ondanks grote verliezen deed Hoessein dit als een overwinning voor en hij liet een ereboog oprichten.
Koeweit en Saudi-Arabië hadden Irak veel geld geleend voor de oorlog en het weigerden deze schulden kwijt te schelden zoals Hoessein eiste. Ook hanteerde Koeweit een lage olieprijs, waarvan volgens Irak vooral het Westen zou profiteren. 2 augustus 1990 viel Irak Koeweit binnen, het werd meteen geannexeerd. George Bush senior, die Saddam voorstelde als een tweede Hitler, trok de vergelijking met de conferentie van München in 1938, toen het Westen toestond dat Tsjecho-Slowakije aan Hitler werd uitgeleverd. Bush wilde niet van appeasementpolitiek worden verdacht. Bovendien was Koeweit van belang als goedgunstige olieleverancier voor het Westen. Het was makkelijk Hoessein zwart te maken en Amerika smeedde een coalitie van meer dan twintig landen om Koeweit te bevrijden. Hoessein gokte op steun van Arabische massa’s, maar landen als Saudi-Arabië, Syrië en Egypte vreesden zijn macht en sloten zich bij de coalitie aan, net als NAVO-lid
Turkije. Jordanië en de PLO steunden Irak als enigen. De Palestijnen geloofden Hoessein als hun ‘bevrijder’ en in Jordanië bestond de bevolking grotendeels uit gevluchte Palestijnen.
De Veiligheidsraad van de VN stelde in een resolutie dat Irak uiterlijk 15 januari 1991 Koeweit moest verlaten, hierna waren ‘alle noodzakelijke middelen’ geoorloogd het land te bevrijden. Irak deed dit niet en dus startte de operatie Desert Storm. Vijf weken van luchtaanvallen volgden. Als reactie nam Irak zowel Israël als Saudi-Arabië onder vuur. Amerika wist met moeite Israël te weerhouden van wraakneming, dit zou een breuk in de coalitie hebben betekend. De geallieerde bombardementen werden gevolgd door een grondoffensief en binnen enkele dagen werd Koeweit bevrijd. Uit wraak liet Saddam de olie-installaties in brand schieten.
Bush senior probeerde niet om Hoessein zelf uit te schakelen, uit angst dat Irak dan uiteen zou vallen. Dit werd betreurd door de sjiieten en Koerden in Irak, die beide het moment gunstig achtten om in opstand te komen. Hoessein had alleen zijn elitetroepen achter de hand gehouden en sloeg de opstanden neer. Volgens de VN werden minimaal 60.000 sjiieten gedood en bij een massale uittocht van Koerden richting Iran en Turkije stierven er minimaal 20.000. Hoewel Irak geen chemische wapens had gebruikt in deze oorlog, bleef men bang dat het massavernietigingswapens had. De VN dwongen Saddam tot het toelaten van inspecteurs, maar Saddam weigerde. De economische sancties troffen alleen de bevolking, met als gevolg massale ondervoeding en kindersterfte. In 1992 deden de VN een aanbod aan Irak om olie te leveren voor voedsel en medicijnen. In 1996 accepteerde die dit. Hij zag het als een teken van zwakheid van de wereldgemeenschap en ging steeds hogere eisen stellen. In 1998 dwong hij de inspecteurs te vertrekken.

Hfst. 5: Kronkelwegen naar vrede en democratie

5.1 Het doodlopen van het Oslo-vredesproces
In 1992 kwam in Israël de Arbeidspartij aan de macht met ‘vredesduif’ Yitzjak Rabin als premier. In 1993 werd in Washington, op basis van geheime besprekingen in Oslo, een akkoord gesloten: Israël en de PLO erkenden elkaar. De PLO zou later de vernietiging van de staat Israël uit haar handvest schrappen. Dit gebeurde onder het goedkeurend oog van Amerikaanse president Bill Clinton. Arafat, Rabin en zijn minister Shimon Peres van Buitenlandse Zaken ontvingen hiervoor de Nobelprijs voor de vrede.
Er kwam een eigen bestuursorgaan in de Gaza en Westoever, de Palestijnse Autoriteit, en Arafat mocht zich president noemen. Hij ging gezag uitoefenen over Gaza en Jericho. In 1994 sloten Israël en Jordanië vrede en zelfs aartsvijanden Israël en Syrië spraken – moeizaam en met weinig resultaat – met elkaar. De Oslo-akkoorden spiegelden weliswaar zelfbestuur voor, maat de Westoever werd opgedeeld in gebiedjes waar de PLO geheel, gedeeltelijk of geen zeggenschap kreeg. Dat laatste gold voor zo’n 140 Joodse nederzettingen die door een netwerk verbonden waren. De Joodse kolonisten wilden hun nederzettingen niet opgeven en waren vijandig tegenover Rabin, die wilde onderhandelen met de PLO. In november 1995 schoot een Joodse extremist Rabin dood tijdens een vredesmanifestatie.
Arafat eiste in de onderhandelingen nu ook het recht terug te keren naar plaatsen binnen Israël waaruit (groot)ouders in ’48 waren verdreven. Voor Israël was dit onbespreekbaar: het tastte het wezen van de Joodse staat aan. In 2000 faalde dus de bemiddeling van president Clinton tussen Arafat en Israëlische premier Barak in Camp David. Barak bood Arafat 95% van de westoever aan, maar de beste stukken bleven Israëlisch. Arafat weigerde. Een ander probleem was Jeruzalem: de Israëli’s bescouwden dit als dé hoofdstad voor hun staat, terwijl voor de PLO een Palestijnse staat zonder Jeruzalem onbespreekbaar was. Voor moslims is Oost-Jeruzalem na Mekka en Medina de heiligste stad op aarde. Arafat voelde zich gesteund door de VN, die de annexatie van dit stadsdeel door Israël hadden verworpen.
De fundamentalistische beweging Hamas voerde sinds 1995 veelvuldig aanslagen uit op Israëlische burgers. Hamas kreeg veel Palestijnen achter zich door controle over de moskeeën, gratis voedseluitdelingen en onderwijs aan de armen. Hamas had grote groep kandidaat-zelfmoordterroristen, honderden Israëli’s kwamen om en de Palestijnse Autoriteit lukte het niet dit geweld te beteugelen. In 2000 bracht aanstaande Israëlische premier Ariel Sharon (Likoed) een provocerend bezoek aan de Al Aqsamoskee. Er brak een opstand uit: de Al Aqsa-Intifada, waarbij duizenden stierven. Opnieuw waren de media van invloed. In 2003 was de honderdste aanslag sinds het begin van deze intifada.
Door de aanslagen voelde men zich in Israël onveilig en Likoed kwam weer aan de macht, omdat die beloofde veel harder op te treden dan de Arbeidspartij. De Likoed-regering besloot tot de bouw van meer Joodse nederzettingen op de Westoever, wat weer nieuwe aanslagen uitlokte. Toen Sharon in 2001 aan de macht kwam werden de onderhandelingen niet meer hervat. Het Israëlische leger trad hard op en sloot delen van bezette gebieden af, vernietigde woningen en infrastructuur. Sharon stelde Arafat verantwoordelijk voor de aanslagen, hoewel die van Hamas kwamen.

5.2 11 september en oorlog in Afghanistan en Irak
11 september 2001 kaapten Arabische moslimterroristen enkele passagiersvliegtuigen in de VS en vlogen daarmee de torens van het World Trade Center in New York en het ministerie van Defensie in Washington in. Drieduizend Amerikanen kwamen om en de wereld was geschokt, maar er waren ook moslims die feestvierden. Israël voelde zich nog sterker verbonden met de VS, zij waren al jaren mikpunt van terroristische zelfmoordaanslagen. George Bush junior weerhield Sharon er niet van de Palestijnen hard aan te pakken, hij kondigde een war on terrorism aan.
Osama Bin Laden eiste de aanslagen op en riep alle moslims op tot de jihad tegen het Westen. Hij hield zich schuil in Afghanistan, waar sinds 1996 de Taliban aan de macht waren, een bijzonder strenge moslimfundamentalistische beweging. Toen de Taliban weigerde Bin Laden uit te leveren, begon Bush met Britse premier Tony Blair en met steun van Afghaanse strijdgroepen en zijn NAVO-bondgenoten een oorlog. Er kwamen bombardementen op trainingskampen van Al Qaida in Afghanistan. Eind 2001 verdreven de Afghaanse bondgenoten de Taliban, maar Bin Laden ontkwam. Hij hield zich tot dit jaar verborgen, naar men dacht in het grensgebied tussen Afghanistan en Pakistan. Om de jacht op terroristen in Afhanistan voort te zetten en de wederopbouw ter hand te nemen, installeerde de NAVO er verschillende troepenmachten.
In 2002 verschoof Bush zijn vizier naar Saddam Hoessein. Hij verklaarde, op grond van informatie die later twijfelachtig bleek te zijn, dat Hoessein massavernietigingswapens bezat en dat hij samenwerkte met Al Qaida. Amerika lanceerde een nieuwe politiek: breng de westerse democratie naar het Midden-Oosten, desnoods met een preventieve oorlog. De VN-Veiligheidsraad nam in november 2002 resolutie 1441 aan, die Irak aan een tijdpad van wapeninspecties onderwierp. Deze resolutie rechtvaardigde nog geen militair ingrijpen, maar Bush wilde ‘regime change’ in Irak. De Arabieren verdachten hem ervan dat het hem vooral om de olie ging. In 2003 had Bush nog steeds geen steun van de Veiligheidsraad, maar hij verklaarde dat de resolutie geweld legitimeerde. Dit werd door veel landen betwist, zoals Frankrijk, Duitsland en Rusland. Wereldwijd werd gedemonstreerd.
20 maart 2003 begonnen de VS en Groot-Brittannië ‘Operatie Iraqi Freedom’. Bagdad werd gebombardeerd en kwam een invasie in Irak. Het Iraakse leger bood enkele weken weerstand, 9 april viel Bagdad in Amerikaanse handen. Hoessein dook onder en werd pas in december 2003 opgespoord. In 2006 werd hij ter dood veroordeeld en opgehangen. Doordat in 2003 de bestuurders van de Baath weg werden gestuurd, viel het land in chaos. De zoektocht naar massavernietigingswapens kreeg geen resultaat.
In 2004 leek Amerika de controle kwijt te zijn: de troepen werden steeds meer beschouwd als bezetters met weinig begrip van de etnische gevoeligheden. Zowel de soennieten als de sjiieten kwamen in opstand, waar bij het herstellen van de orde honderden doden vielen. Het land werd een broedplaats voor terroristen. Ook verschenen er foto’s uit de Abu Ghraib-gevangenis in Bagdad, waarop Amerikaanse militairen die gevangenen mishandelden of vernederden. In de moslimwereld werd dit opgevat als teken van de ware bedoelingen van de supermacht die met christelijk-humanistische idealen ten strijde trok.
Er bleven aanslagen plaatsvinden, meestal vanwege onderlinge haat tussen sjiieten en soennieten. Ook werden westerlingen slachtoffer van gijzelingsacties en soms onthoofdingen, die terrorist Abu Musab al-Zarqawi namens Al Qaida opeiste. Amerika liquideerde hem in 2006, maar de aanslagen en gijzelingsacties gingen door. Door autobommen vielen veel doden. Ook veel Amerikanen stierven. Toch hield Amerika vast aan het tijdschema voor machtsoverdracht aan Irakese politici: in januari 2005 vonden verkiezingen plaats voor een parlement, dat met assistentie van de VN een nieuwe grondwet ging opstellen. Ondanks geweld werd er veel gestemd, de grondwet werd aangenomen en er werd een regering van nationale eenheid gevormd waarin Koerden en sjiieten de overhand kregen. De soennietische minderheid had grotendeels tegen de grondwet gestemd.

5.3 Het Midden-Oosten blijft een kruitvat
In 2006-2007 bleek de war on terrorism nog niet gewonnen. Osama Bin Laden riep vanuit zijn schuilplaats nog steeds op tot daden van martelaarschap tegen het ‘verbond van kruisvaarders en zionisten’, waar velen op reageerden. Al Qaida aanhangers pleegden vele aanslagen. In 2004 (Madrid) en 2005 (Londen) bleek ook Europa niet veilig te zijn voor aanslagen.
De Verenigde Naties schatten een gemiddelde van honderd doden per dag in Irak door geweld tussen sjiieten en soennieten. Februari 2006 werd de sjiitische Gouden Moskee van Samarra opgeblazen met vergeldingsacties als gevolg die opnieuw weer tegengeweld opriepen. Brigades van sjiitische gestelijke leider Muqtada al-Sadr traden ongecontroleerd op en ’s nachts veranderden vele agenten in moordenaars. Het leger en politie waren ongeregeld. Tachtig procent van het geweld gebeurde in Bagdad, met als gevolg dat de stad zich splitste in sjiitische en soennitische wijken. In veel opzichten was het volk er onder de Amerikaanse bezetting slechter aan toe dan onder Hoessein, ook in economisch opzicht. Door het geweld en het uitzichtloze bestaan ontstond er een vluchtelingenprobleem: zo’n twee miljoen Irakezen waren het land uit gevlucht en nog eens 1,7 miljoen waren binnen Irak gevlucht.
Ook werden de sjiieten in Irak actief gesteund door Iran, waarin in 2005 Mahmoud Ahmadinejad president werd, een uitgesproken islamitische ‘havik’. Hij kondigde aan dat Iran het nucleaire programma zou hervatten, officieel om kernenergie op te wekken voor vreedzame doeleinden. Amerika liet doorschemeren een Iraans atoomwapen niet te dulden. Ahmadinejad riep ook op tot vernietiging van Israël. In reactie op de Deense antimoslim-spotprenten in 2006 liet hij in Teheran een expositie organiseren van spotpenten waarin de Holocaust als een leugen werd voorgesteld. Antisemitische lectuur werd overal verspreid. Iran zou beschikken over vele zelfmoordterroristen voor westerse doelen, voor als het werd aangevallen.
In 2003 begon Israël de bouw van een barrière die de Westoever afsloot van het eigenlijke Israël. Het aantal aanslagen verminderde daardoor erg. De Palestijnen protesteerden tegen dit nieuwe symbool van hun onderdrukking, de muur liep veelal door hun gebied. Ook kondigde Sharon tot verbijstering van zijn achterban de terugtrekking van alle kolonisten uit de Gaza-strook aan, wat voltooid werd in 2005. De Israëlische premier Sharon werd begin januari 2006 door een hersenbloeding uitgeschakeld, zijn opvolger Ehud Olmert straalde te weinig leiderschap uit.
In de Gazastrook bleef het onrustig, Israël en de Gazastrook bleven elkaar bestoken. Israël bouwde nieuwe nederzettingen op de Westoever. Begin 2006 haalde de fudamentalistische Hamas een overwinning bij parlementsverkiezingen op de Westoever en in de Gazastrook. In maart vormde Hamas een regering, wiens premier meteen al op gespannen voet stond met president Mahmoud Abbas die de in 2004 overleden Arafat was opgevolgd als hoofd van de Palestijnse Autoriteit. Aanhangers van Hamas en El Fatah kregen het met elkaar aan de stok en sloegen ook over naar de Westoever. President Abbas wilde het vredesoverleg met Israël oppakken, terwijl Hamas het bestaansrecht van Israël nog steeds weigerde te erkennen.
Israël weigerde, in samenspraak met Amerika, de overwinning van Hamas te erkennen, aangezien dat een terroristische organisatie was. Olmert legde de Palestijnse Autoriteit een financiële boycot op, in samenspraak met de VS en EU. De Palestijnse bevolking raakte zwaar gedupeerd en de spanningen daar liepen op. In 2007 verdreef Hamas El Fatah van de Gazastrook, voor president Abbas en Fatah bleef de Westoever over. Zowel Olmert als Abbas beschikten nog over voldoende macht om eventuele concessies in onderhandelingen te verkopen aan hun achterban en de VS leverden geen geloofwaardige inspanning tot een oplossing.
In 2007 kwam de regering-Bush met een plan voor extra wapenhulp aan de vijanden van Iran: Israël, Saudi-Arabië, Egypte en de Golfstaten. Zo hoopte hij het machtsevenwicht dat door Hoesseins van was verstoord te herstellen. Zo zou hij Saudi-Arabië af willen houden van steun aan soennitische milities in Irak en de genoemde landen warm krijgen voor nieuwe vredesbesprekingen rond Israël, een proces dat Bush had laten lopen voor de war on terror. Het was maar de vraag of Iran hierdoor echter geen wapens zou gaan kopen in Rusland of China.
© 2011 - 2012 Tessaem, gepubliceerd in Samenvattingen (Educatie en School) op . Het auteursrecht van dit artikel en antwoorden op reacties ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.

Gerelateerde artikelen
Samenvatting hoofdstuk 12 en 13 uit Laagland voor VWO Dit is een samenvatting van hoofdstuk 12 en 13 uit het boek Laaglan…
Het gymnasium in Nederland In Nederland kennen we binnen het voortgezet onderwijs verschillende opleidingsniveaus. De opl…
Hoe maak je een goede samenvatting Samenvattingen maken is meestal niet het meest geliefde klusje, maar toch is het erg n…
Piloot worden op de KLM Flight Academy Vliegen naar mooie landen, in dure hotels overnachten en een topsalaris. Redenen g…
Nectar biologie 2 deel 2: 14. Grenzen aan groei Dit is de samenvatting van Nectar vwo bovenbouw biologie 2 deel 2. Dit bo…

Reageer op het artikel "Samenvatting Feniks: het Midden-Oosten (vwo)"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Naam: E-mailadres: Meld mij aan voor de wekelijkse InfoNu nieuwsbrief. Reactie:
Infoteur: Tessaem
Rubriek: Educatie en School
Subrubriek: Samenvattingen
Schrijf mee!