Monografie van het boek 'Home and homeland' van Linda Layne

Monografie van het boek 'Home and homeland' van Linda Layne

In het boek 'Home and homeland ' (1994) doet Linda L. Layne onderzoek naar formatie van de collectieve identiteit van bedoeinen in Jordanie. Ze legt bloot hoe deze vorming een continu fluïde proces is tussen verschillende bevolkingsgroepen. Hieronder volgt een monografie van dit boek, waarin veel aandacht is voor het paradigma dat Layne gebruikt.

Home and Homeland

De Abbasieden en de Hashemieten, die veelal als nomadisch en tribaal worden gezien, zijn onderwerp van onderzoek voor Layne. Hierbij wordt er vooral gefocust op de Abbasieden. Layne gaat in op de verhoudingen die er binnen deze groepen bestaan, de interpersoonlijke relaties en de wijze waarop ze hun cultuur vorm geven. Hiernaast speelt echter de wisselwerking met het macroniveau een belangrijke rol in haar onderzoek. Wat zijn de invloeden van de dominante Jordanese cultuur en hoe beantwoorden deze tribale groepen deze invloeden? Het beeld dat zo naar voren komt wat betreft de constructie van de collectieve identiteit, spreidt zich uit over verschillende gebieden. Het boek handelt zowel over de interpersoonlijke relaties en de functies die (symbolische) objecten en arbeidsprocessen hierin spelen. Anderzijds wordt er ook overgegaan naar het macroniveau, waarbij de constructie van de tribale cultuur, politiek en economie in relatie met de dominante cultuur wordt onderzocht. Layne tracht op deze wijze tot een dekkend beeld van de collectieve identiteit van met name de Abbasieden te komen en ze probeert de invloeden die achter deze constructies schuilgaan bloot te leggen.


Dialoog en complementariteit
Omdat het onderzoek naar de tribale groepen in Jordanië diverse velden beslaat, is ook de onderzoeksmethode van Layne niet eenduidig. Aan de ene zijde staat de participerende observatie op de voorgrond. Dit komst het meest duidelijk naar voren als er ingegaan wordt op de interpersoonlijke relaties en politieke vertegenwoordiging binnen en vanuit de tribale groepen. Anderzijds staan dit microniveau continu in verbinding met bespiegelingen over theoretische kaders en condities op het macroniveau. Wat betreft de macroniveaus gaat het niet zozeer om statisch materiaal, maar eerder om overheersende politiek, culturele en economische structuren die bepalend zijn. Een duidelijk voorbeeld hiervan is het onderzoek naar de wijze waarop politieke vertegenwoordiging tot stand komt. Hierbij wordt er allereerst gekeken naar interpersoonlijke relaties binnen de tribale groepen en hoe hieruit politieke afgevaardigden naar voren komen, anderzijds wordt er gekeken hoe de dominante cultuur van invloed is op deze afvaardiging. Hoe is de vorm van het staatsapparaat van invloed op de politieke structuren binnen de groepen? En welke invloed oefenen deze groepen zelf weer uit op de dominante politieke structuur. Er ontstaat zo een beeld van complementariteit, waarbij vooral de continue dialoog naar voren komt.

Methodologie
Vanwege de diversiteit in het onderzoek, het beslaat meerdere velden van de Jordaanse maatschappij, probeert Layne de delen van het onderzoek te verbinden door een historiserende component toe te voegen. Vanuit deze beschrijving wordt vertrokken omdat naar haar inzicht het structuur functionalisme er niet in is geslaagd de interpersoonlijke relaties en historische gebeurtenissen adequaat te analyseren. Hiernaast wijst ze ook op de problemen die opkomen bij een essentialistische benadering en deze benadering zou zich te veel vastleggen op een bepaalde visie en daardoor andere visies uitsluiten. Layne neemt daarom het dialogische model als uitgangspunt, waarbij binnen omlijnde kaders (bijvoorbeeld de natiestaat) een niet eenduidige ontwikkeling binnen en tijd en ruimte plaatsvindt. Dit dialogische model past uitstekend bij het onderzoek naar de Bedoeïen, die een deel van het jaar als nomaden leven. Ze zijn niet gefixeerd in de ruimte en moeten continu hun relaties met personen en objecten opnieuw bepalen, ze zijn continu relationeel. Binnen dit dialogisch model past ze verschillende disciplines toe. Ten eerste is er het geschiedkundige aspect dat er toe bijdraagt dat het onderzoek naar de constructie van collectieve identiteit van de marginale groep omlijnd wordt door en geworteld is in de tijd. Hier komt weer het relationele naar voren, alles is tevens bepaald ten opzichte van de tijd. Binnen deze omlijning komen ook sociologische theorieën op de voorgrond. Vooral de invloed van productieverhouding op het leven van de Bedoeïen krijgt hierbij de aandacht. Layne refereert diverse malen aan marxistische theorie die de dominante cultuur veelal als hegemonisch beschouwd. Ze plaatst echter wel kritische kanttekeningen bij deze theorieën, die ze ongenuanceerd vindt. Binnen dit historische en sociologische kader vindt de antropologische praxis van participerende observatie plaats. Door deze opbouw in het onderzoek wordt de indruk gewekt dat het historische en theoretische kader prevaleert op het observeren zelf. Men krijgt enigszins het idee dat de observaties gevormd worden vanuit de voorkennis. Dit neemt echter niet weg dat Layne, door deze multidisciplinaire benadering, in staat is het complexe geheel dat naar voren treedt bij de constructie van collectieve identiteit, adequaat te onderzoeken.

Relationele autonomie
In het begin van het boek vertrekt Layne vanuit het historische perspectief. De Groene Revolutie is ook van invloed geweest op het leven van Bedoeïen. Ze zijn niet meer puur nomadisch maar betrekken in de winter huizen. Voor een deel wordt zo het kapitalistische productieproces in het leven geïntegreerd, hoewel ze zich zelf eerder bezighouden met merchandise, wat gezien kan worden als een voorstadium van het kapitalistische productieproces. De status die ontleend wordt aan de architectuur van een huis kan gezien worden als een gevolg van deze integratie in de nationale economie. Toch kan gezegd worden dat de Bedoeïen een redelijke autonomie hebben ten opzichte van de nationale bemoeienis. Dit komt mede voort uit het feit dat persoonlijke en relationele autonomie hoog gewaardeerd worden in Arabische landen. Dit resulteert erin dat de Bedoeïen veel zaken niet gefixeerd hebben en dat bijvoorbeeld de plaats van geboorte wordt aangegeven wordt als een sociale relatie, relationeel dus. Heel de sociale hiërarchie bij de Bedoeïen is gebaseerd op sociale relaties, zo geven zitplaatsen in de tent de hiërarchie aan. Door de specifieke sociale structuur zijn ze echter in staat hun autonomie als groep voor een deel te behouden. De modernisering dringt echter wel degelijk door bij de deeltijd-nomaden. Zo zijn er steeds meer industriële producten bij hen te vinden. Dit deed binnen Jordanië ook de discussie oplaaien of de Bedoeïen nu wel of niet tribaal zijn, of welke andere status ze hebben. Aan de ene kant worden ze gezien als onislamitisch maar aan de andere kant worden ze ook gezien als echte Arabieren. Belangrijk is echter dat Bedoeïen een belangrijke bron van inkomsten zijn voor de nationale overheid, ze zijn een trekpleister voor toeristen. Hierdoor staat de mening over de Bedoeïen in verband met de internationale buitenwereld en minder met de Bedoeïen zelf .

Dominante cultuur en gemarginaliseerde cultuur
In chapter 6 van het boek wordt ingegaan op de relatie tussen de Bedoeïen en de overheid. De Bedoeïen participeren wel in het politieke systeem, hoewel de vertegenwoordigers uit tribale groepen weinig steun krijgen. Het proces van vertegenwoordiging blijkt grotendeels af te hangen van belangenbehartiging. Iemand die een vertegenwoordiger steunt, verlangt in ruil hiervoor dat zijn belangen behartigd worden. Het kiezen voor een vertegenwoordiger staat dus veelal los van tribale groepsstructuren of ideologische overwegingen. Als een vertegenwoordiger wel beantwoord aan het principe van ‘voor iets, hoort iets’, kan deze de steun krijgen van een persoon uit een andere tribale groep. Een andere opvallendheid is dat er veelal mondeling gestemd wordt en dat de performance op de voorgrond treedt. Dat de stem luid wordt uitgesproken, zou interpreteert kunnen worden als verzet tegen de fragmentarisering van het privé-leven en het geïnstitutionaliseerde gebeuren. Deze zijn niet meer logischerwijs met elkaar verbonden, maar nemen elk een aparte plaats in. Het stemgedrag wordt door Layne niet alleen als pragmatisch beoordeeld, maar ook als symbolisch. De nationale overheid heeft het stemmen als ritueel nodig om zichzelf te legitimeren. Hier komt dus de dialogische relatie tussen de Bedoeïen en de overheid naar voren. Zo is het eveneens gesteld met de constructie van het zelfbeeld dat de Bedoeïen hebben. Dit beeld staat in continue dialoog met geobjectiveerde beelden die ze voorgeschoteld krijgen. Het dragen van traditionele kleding kan gezien worden als een uiting van deze zelfbewustheid. De objecten uit hun cultuur worden echter steeds meer tot symbolen. Er vindt een proces van metaforisering plaats. Dit wordt door Layne beoordeeld vanuit een marxistisch kader: het kapitalistische systeem maakt dat we objecten en producten een vooraanstaande rol in leven geven. In een museum, overigens opgericht door een Abbadis, dat ingericht is met een tentoonstelling over het leven van Bedoeïen zijn vooral voorwerpen te zien. Deze symbolisering van de tribale cultuur beoordeelt Layne als het opgaan in het hegemonische kapitalistische systeem, dat een nadruk legt op de voorwerpen. Enerzijds personaliseren de Bedoeïen het staatsapparaat, maar dit heeft ook tot gevolg dat ze minder opvallend worden. Ze worden steeds meer anoniem. Layne benadrukt echter dat deze visie maar een enkele visie is, en dat de verschillende discoursen tegelijk aan het werk zijn. Volgens haar is er in Jordanië sprake van een ‘mix-and-match proces’ wat betreft culturele representatie. Als Layne dit in verband brengt met processen op macroniveau komt ze tot de conclusie dat de Jordanese cultuur fluïde en gefragmenteerd is. Dit komt volgens haar mede door de invloed van het internationale kapitaal die de arbeidsverhoudingen beïnvloeden. De Bedoeïen laten zich niet bepalen door de ruimte, ze trekken een groot deel van het jaar rond. De overheid en metname de koning zijn eveneens niet gefixeerd, maar maken hun rondes langs de Bedoeïen om support te winnen. De ruimte wordt tot een fluïde geheel. Layne merkt verder de ontwikkeling van een natie veelal als lineair wordt gezien, wat ook komt door de invoerting van de klok. Ze wijst er op dat de Bedoeïen gebeurtenissen als geïsoleerd in de tijd zien. Hoewel ze steeds meer tijdstermen van de dominante cultuur overnemen. De gemarginaliseerde cultuur en de dominante cultuur zijn complementaire ten opzichte van elkaar. In dit dialogisch kader zijn de postmoderne opvatting van ruimte en tijd (fluïde) van toepassing op de Jordanese cultuur.

Een oordeel
Als gekeken wordt naar kritiekpunten op het boek komen enkele zaken naar voren. Ten eerste valt op dat Layne dat er niet geheel in slaagt her boek tot een vloeiend verhaal te maken. Ze slaagt er slechts deels in de multidisciplinaire benadering op te werken tot een vloeiend geheel. De ene keer ligt het zwaartepunt bij de economische invloeden en de andere keer bij de sociale invloeden. Hoewel dit complexe geheel van invloeden wel gaat dagen als op het boek als geheel wordt teruggekeken, maar het blijft tijdens het lezen enigszins verborgen. Het boek zou dan ook gezien kunnen worden als een stukje postmoderne fragmentatie, waarbij het ene perspectief het andere afwisselt van moment tot moment. Een ander kritiekpunt is het gebrek aan statistische gegevens. Dit gaat vooral op als Layne spreekt van de economische invloeden. Als ze bijvoorbeeld spreekt van de invloed van het internationale kapitaal, verzaakt ze met cijfers te komen. Hierdoor blijven de invloeden die van het macroniveau uitgaan beperkt tot observatie die gelinkt wordt aan een theoretisch kader. Dit komt het wetenschappelijke karakter van het boek niet ten goede. Ondanks deze kriekpunten moet toch gezegd worden dat het boek een heel aardige benadering is van de complexe realiteit. Mogelijk mede door de postmoderne eclectische benadering, waarbij verschillende theoretische en disciplinaire kaders worden gebruikt voor een onderzoek. Mede door deze multidisciplinaire benadering slaagt Layne erin een boek te schrijven dat zowel voor historici, sociologen als antropologen relevante informatie bevat. En daarnaast natuurlijk voor een ieder die erin geïnteresseerd is.
© 2010 - 2012 Jeroen04, gepubliceerd in Samenvattingen (Educatie en School) op . Het auteursrecht van dit artikel en antwoorden op reacties ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.

Gerelateerde artikelen
Fitna - De film van Wilders Geert Wilders heeft enige tijd geleden aangegeven een film te willen maken over de Islam. In…
Is Wilders de reïncarnatie van Fortuyn? Geert Wilders won de gemeenteraadsverkiezingen 2010 in feite enkel door zich…
Geert Wilders: Jordanië is Palestina Tijdens een interview met de Belgische krant De Standaard op 28 juni 2008 gaf G…
Antwoord op "Fitna" van Wilders: Al Mouftinoun Geert Wilders heeft vele reacties uitgelokt met zijn film "Fitna…
Geert Wilders alsnog vervolgd door het Openbaar Ministerie Kamerlid Geert Wilders moet alsnog vervolgd worden voor discri…

Bronnen en referenties
  • Layne, Linda L. (1994) Home and Homeland: The Dialogics of Tribal and National Identities in Jordan
  • Princeton: Princeton University Press

Reageer op het artikel "Monografie van het boek 'Home and homeland' van Linda Layne"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Naam: E-mailadres: Meld mij aan voor de wekelijkse InfoNu nieuwsbrief. Reactie:
Infoteur: Jeroen04
Rubriek: Educatie en School
Subrubriek: Samenvattingen
Bronnen en referenties: 2
Schrijf mee!