Samenvatting module 5 geschiedenis memo
Hieronder staat een zeer uitgebreide samenvatting van module 5 van het geschiedenisboek memo. Het gaat over de ontwikkelingen tussen 1870 en 1975 van Nederland en de Verenigde staten. Ik hoop dat je er wat aan hebt.Samenvatting module 5: De weg naar welvaart
1. 1870 – 1914: De opkomst van de industriële samenleving
Negatieve kant industrialisatie: werk saaier, mensen behandeld en gebruikt als verlengstuk van een machine.Positieve kanten: komst van grammofoonplaat, film en gloeilamp.
1.1 Economische ontwikkelingen in Nederland en de VS
Nederland:
1/3 van alle 3 miljoen mensen werkten in de landbouw, 20% in de nijverheid. Mensen woonden vooral in kleine dorpjes en stadjes.
80% van de industrie- en nijverheidsbedrijven had minder dan 10 werknemers in dienst. Bestonden al wat echte industrieën (suiker- en aardappelmeelfabrieken).
Industrialisatie (begon rond 1890) had grote gevolgen voor landschap.
Westen (Twente en Brabant): Textielindustrie (eerste die moderniseerde) en chemische industrie à mensen waren bereid om voor veel lagere lonen te werken dan in westen.
Westen: scheepvaart- en machine-industrieën (havens en benodigde grondstoffen dichtbij).
Nederlands-Indië: hieruit verkregen geld eerst gebruikt voor kanalen, wegen en spoorwegen (1860-1870). Daarna afzetgebied en grondstoffen voor Unilever en Shell (was veel olie)
Door ontwikkeling Duitsland vanaf 1890 à Rotterdam werd de grote transitohaven (haven waar allerlei goederen van overzee worden overgeladen op andere vervoermiddelen en doorgevoerd naar andere landen).
Crisis landbouw in 1880 à urbanisatie: proces van snel groeiende steden (er was meer werk).
Mensen gingen investeren à grootindustrieën (philips, shell en een voorloper van unilever). Deze gingen samen met buitenlandse bedrijven à eerste mulinationals.
Landbouw had steeds minder mensen nodig, industrie steeds meer.
VS
In 1865 net burgeroorlog voorbij à kwam er sterker uit dan ooit.
Voor immigranten land van belofte à tussen 1865 en 1917 66 miljoen mensen extra.
Infrastructuur en communicatietechnieken verbeterden snel. 1869 verbinding oost & west per spoor.
Spoorwegen belangrijk voor: 1. ontwikkeling van grootschalige bedrijven 2. als stimulans om het bank- en kredietwezen te moderniseren.
1870: agrarische natie, 75% in landbouw (vooral tarwe, katoen en maïs). Ook begin met grootschalige veeteelt (cowboys). Land was gratis onder bepaalde voorwaarden en er werd regelmatig goud gevonden (veel buitenlanders wilden klein boerderijtje stichten).
Voorwaarden voor snelle grootschalige industrie:
- Veel (goedkope) arbeidskrachten
- Infrastructuur moet in orde zijn (havens, kanalen, communicatie).
- Afzetgebieden voldoende groot, er moeten mensen zijn die alles willen kopen.
- Aanwezigheid van voldoende grondstoffen.
- Bank- en kredietwezen moet voldoende ontwikkeld zijn. Ondernemers moeten immers aan geld kunnen komen om hun dure moderniseringen door te kunnen voeren.
- Er moet bereidheid zijn nieuwe uitvindingen toe te passen en ook moet de kennis om dat te doen aanwezig zijn (Amerikanen maakten ook veel uitvindingen (telefoon, gloeilamp (beide door Tomas Edison +distributie van elektriciteit), typemachine enz.)
- Bij dit alles moet de overheid meewerken
Big business: zeer grote combinaties van financiële en industriële bedrijven die streven naar het beheersen van hele bedrijfstakken.
Noordoosten: grote industrieën (textielindustrie, staal- en machinefabrieken) à hier kwamen de immigranten en waren de grote havens (makkelijk voor aan- en afvoer van grondstoffen en eindproducten).
Trusts: Samenwerkingsverband tussen grote bedrijven onder gemeenschappelijke leiding waarbij de concurrentie zoveel mogelijk wordt beperkt.
Grote bedrijven beheersten al 50% v.d. productiecapaciteit van Amerika.
Ook steeds meer mensen werkzaam in de industrie i.p.v. landbouw.
1.2 Sociale ontwikkelingen: veranderingen in de gelaagdheid van de bevolking
Nederland
In het eind van de 19e eeuw verschil tussen de groepen groot.
Rijken: grote woningen, bedienden
Armen: kleine donkere woningen, smerig en gevaarlijk werk, lange werkdagen (11 uur), lage inkomsten (70 cent p. dag was veel), geen beschermende maatregelen van de overheid, geen inspraak in de politiek.
Door toename van aantal fabrieken en de groei van de steden viel de armoede veel meer op.
Nationaal inkomen (geld dat alle mensen in een land samen verdienen) steeg van 1860 tot 1910 met 25%. Toenemende koopkracht à meer vraag naar luxe producten als suiker en tabak. Mensen werden ook ouder en langer (eerst 35 daarna 50).
De middengroep van hoger opgeleide arbeiders en administratief personeel groeide snel. Deze voegde zich bij de oude middenstand van ambachtslieden en winkeliers. (meer dan helft nog wel ongeschoold arbeider).
VS
Andrew Carnegie, begon als hulpje in textielfabriek en eindigde als eigenaar van grootste staalbedrijf ter wereld. Hij wilde zijn geld aan goede doelen besteden, zó dat de mensen die ervan profiteerden zichzelf ook echt verder konden ontwikkelen.
Tussen 1860 en 1900 ging men 50% meer verdienen en tussen 190 en 1914 nog eens 37% extra. Verschil tussen arm en rijk nam toe maar men kon makkelijk iets hoger komen. 10% van de bevolking kon over 75% van het nationaal inkomen beschikken. Armen dus heel weinig. Door enorme toestroom van immigranten steeds weer nieuwe mensen die helemaal onderaan moesten beginnen.
Naarmate industrialisatie vorderde meer nostalgie naar kleine boerengemeenschappen van vroeger. Socialisten weinig aanhang. Armoede en uitbuiting werd gezien als iets tijdelijks dat bij het immigrantenbestaan hoorde.
Werkdagen waren ook lang, ongelukken in fabrieken schrikbarend hoog, 20% van de kinderen tussen 10 en 15 jaar werkte.
1.3 Reacties op industrialisatie en schaalvergroting
Veel mensen wilden op allerlei manieren iets doen aan de ellende van arbeiders. Vooral voor vrouwen en kinderen werd werken in fabrieken afgekeurd.
Politieke organisaties in Nederland
Er werd vakbeweging opgericht. Daarna politieke partijen die streden voor de rechten van de arbeiders.
Specifiek aan ontwikkeling vakbeweging: zonder rellen en er ontstonden verzuilde vakbewegingen.
Algemeen Nederlands werklieden verbond (ANWV): eerste vakbond, van geschoolde arbeiders en werklieden. Geen ideële grondslag maar wens naar betere afspraken met de werkgevers.
Het nationaal verbond van vakverenigingen (NVV): sociaal democratisch.
Er waren ook radicalere vakcentrales maar die kregen niet veel voor elkaar.
Christelijk nationaal vakverbond: protestants, opgericht in 1909
Katholieken richtten ook eigen vakcentrale op
Na succesvolle spoorwegstaking à overheid verbood stakingen door overheidspersoneel à algemene staking (1903), deze mislukte doordat de christelijke bonden afhaakten en zich organiseerden in een “comité voor verweer” tegen een dreigende revolutie.
Gevolgen van mislukking:
- het aantal leden van confessionele vakbonden nam toe
- sociaal-democratische bonden gingen een andere strategie volgen: kleine gerichte acties, door onderhandelingen collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) à poging tot kortere werkdagen en betere beloning.
De overheid
Wetten ter bescherming:
- Kinderwetje van van Houten (1874): kinderarbeid in fabrieken verboden
- arbeidstijd voor vrouwen en jongeren verkorten tot maximaal 11 uur per dag en nachtarbeid voor hen verboden (1889): door liberale minister Ruys de Beerenbrouck.
Thuiswerk en landarbeid vielen nog niet onder de beschermende wetten.
- De Woningwet (1901): mensen moesten fatsoenlijk dak boven hun hoofd (had de industrie zelf ook baat bij)
- Leerplichtwet: verplicht basisschool (had industrie ook baat bij).
- Ongevallenwet: Wanneer iemand invalide werd door een ongeluk kreeg hij of zij een uitkering van 70% van het laatstverdiende loon.
Acties in de VS
Na aantal zeer gewelddadige mislukte acties (spoorwegstaking 1877) kwam de vakbeweging op.
American federation of labor (AFL) 1886: Leider Samuel Gompers (Nederlands), geen moeite met kapitalistische systeem en probeerde hogere lonen en betere arbeidsomstandigheden te krijgen. In 1917: 2,5 miljoen leden.
Geen echte socialistische partijen kwamen van de grond.
Progressive movement: beweging die zich wel om de arbeiders en boeren bekommerde en grote invloed kreeg op de al bestaande politieke partijen, de republikeinen en de democraten.
Onderwijs, bescherming van de belangen van de consumenten belangrijk.
De overheid
Ondernemers hadden meeste invloed op beleid van Amerikaanse overheid: Grote industrieën gesteund met hoge importtarieven, bedrijven die dus de vrije markt probeerde te ondermijnen kregen alle kans.
Dit verandert door Theodore Roosevelt en Woodrow Wilson (democratisch), stonden onder invloed van de progressive movement. Ze zorgden voor wetten die monopolies en trusts moesten aan pakken en stelden een federal trade comission in die de consument moest beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken, ook de importtarieven werden verlaagd.
Beschermende wetgeving voor vrouwen en kinderen ging langzaam, moest per staat geregeld worden en als geregeld vaak weer tegengehouden door Hooggerechtshof.
2. 1914-1945: Van roaring twenties naar crisis
Kleding werd moderner en luxe producten waren geen uitzonderingen meer. Amerika had enorme invloed op de wereld, vooral op economisch gebied. Grote crisis van ’30 begon hier ook. De crisis dwong de overheid meer in te grijpen in de economie.2.1 De jaren twintig: aanloop naar de crisis
Roaring twenties in de VS
Van Progressive movement bleef niet veel over. Grote ondernemingen gingen hun gang, vakbonden waren zwakker dan ooit. Harding en Coolidge, de presidenten van de jaren twintig, waren Republiekeinen die er juist op uit waren de omstandigheden voor de (grote) bedrijven zo optimaal mogelijk te maken (bijv. met importtarieven flink verhogen). Met de rest van de economie bemoeide de overheid zich nauwelijks, met de moraal des te meer. Enige punt van de Progressive Movement dat overbleef was afkeer tegen alcohol à alcoholverbod op 1 januari 1920. Iedereen dronk wel gewoon door en de georganiseerde misdaad profiteerde.
In 1929 waren er voor het eerst 5 miljoen auto’s gefabriceerd. De auto-industrie veranderde het aanzien van de VS en voor een veranderende bedrijfscultuur: rationalisatie en efficiency, er werd van alles bedacht om de productie zo snel en goedkoop mogelijk te maken. Autofabrikant Ford voerde de lopende band in.
Oorzaken uitbreken crisis:
- spectaculaire stijging arbeidsproductiviteit in o.a. auto-industrie
- veroudering sommige industrietakken (textiel en spoorwegen) à grote werkloosheid. Industrieën ook deels overbodig of konden niet meer meekomen.
- Crisis landbouw door gestaag dalende prijzen (was overal in de wereld zo). In de VS nog erger omdat ze tijdens en net na de Eerste Wereldoorlog een deel van de Europese productie hadden overgenomen à geld geleend en flink uitgebreid. Later gingen de Europeanen weer zelf hun voedsel verbouwen à Amerikaanse boeren met enorme overproductie en schulden. Velen konden dit niet terugbetalen en gingen failliet.
- Weinig controle op bankwezen. Deze had onvoldoende reserves, door crisislandbouw raakten de reserves van de plattelandsbanken op. Deze banken waren aan de grote banken gekoppeld dus de grote banken raakten ook hun reserves kwijt. De banken konden de klap niet opvangen.
Ook werd er op grote schaal gespeculeerd met geleend geld. Dit was gemakkelijk en goedkoop door beleid van de centrale bank (federal reserve board).
- Oneerlijke inkomensverdeling. 5% ontving 30% van het nationaal inkomen. Arbeiders profiteerde onvoldoende van de door hen gerealiseerde stijging van de arbeidsproductiviteit à hun extra productie kon op den duur niet meer verkocht worden à overproductie.
Nederland in de jaren twintig
Pas na de Eerste Wereldoorlog werden bedrijven steeds groter en gingen ze de grens over (multinationals zoals Philips en Shell). De AKU (Algemene Kunstzijde Unie) ging synthetische stoffen produceren vanaf 1918, later kwam uit dit bedrijf de chemische multinational AKZO-nobel voort. De kapilaatgoederenindustrie (staal, scheepsbouw, machinebouw, elektrische motoren) ontwikkelde zich verder: Hoogovens werd in 1918 opgericht (staalfabriek). Unilever ontstond uit de Margarine Unie en Lever Brothers (1929).
Arbeidsproductiviteit steeg enorm. Grote bedrijven stuurden vertegenwoordigers naar Amerika en voerden allerlei maatregelen door om de efficiency te vergroten. De lonon per hoofd van bevolking stegen ook met 20% (vooral middenklasse en geschoolde arbeiders profiteerden hiervan).
Er werkten nog steeds vrouwen in fabrieken.
De prijzen van graan daalden vanaf 1925 constant. Protectiemaatregelen belemmerden export, landbouw was hier steeds meer afhankelijk van.
2.2 Crisis
De crisis in de VS
Op 29 oktober 1929 stortten de beurskoersen plotseling volledig in. Meer dan 16 miljoen aandelen werden tegen bodemprijzen verkocht à mensen konden hun leningen niet meer terug betalen à banken gingen failliet.
Mensen kochten niets meer à veel fabrieken en andere bedrijven moesten sluiten. De volgende 2 jaren verloor 1 op de 4 Amerikanen zijn baan en werden de lonen gehalveerd. Productie werd ook gehalveerd. 1 op de 4 boeren moest stoppen. Zwarten, Mexicanen, getrouwde vrouwen en ongeschoolde arbeiders als eerste ontslagen.
Mensen kwamen in actie (boeren verbrandden graan leger ging op Bonus Mars op Washington met eis dat regering alvast deel van het later in vooruitzicht gestelde geld zou betalen).
Eind 1932: 13 miljoen werklozen. De mensen zochten de schuld bij zichzelf (selfmade man). Weinig strijdlust. Mensen zwierven rond in hun auto op zoek naar werk.
De crisis in Nederland
Afgezien van landbouw ging het beter dan ooit met de economie. Nederland kreeg crisis door afhankelijkheid van andere landen die leden aan de crisis. Deze landen gingen over tot extra bescherming van de eigen economie à wereldhandel schrompelde ineen. Nederland kon alleen nog maar reclameborden schilderen met “uitverkoop”.
Import en export werden in korte tijd gehalveerd. Philips verplaatste deel van de productie naar buitenland om importtarieven te ontlopen. Tussen 1930 en 1933 werd bijna de helft van het personeel ontslagen.
Fabrieken probeerden door verlaging van kosten de concurrentie af te troeven à verlagen van lonen à alleen maar erger. In 1934-1935 kwart van bevolking werkloos.
Begin van jaren dertig stakingen tegen loonsverlagingen en bezuinigingen. Inzet van buitenlandse arbeidskrachten zorgde voor eind van de staking.
Stakingen en (honger)rellen werden met groot geweld aangepakt.
De gemeentelijke bureaus die steun (uitkering voor mensen die geen recht hadden op andere uitkeringen) moesten uitkeren lieten de steuntrekkers iedere dag opdraven om een stempel te halen, het beruchte stempelen.
Van steun kon men niet rondkomen à iedereen probeerde aan geld te komen.
Mensen die een of andere uitkering kregen moesten met minder dan de helft zien rond te komen van wat ze daarvoor hadden.
Honderdduizenden waren langer dan een jaar werkloos en raakten daardoor nogal ontmoedigd. Steun werd zoveel mogelijk uitgesteld.
2.3 De houding van de overheid
The red man in the White House
Vrijheid en gelijkheid waren heel belangrijk voor de Amerikanen, gaat moeilijk samen. Vroeger te veel vrijheid à ongelijkheid
President Hoover vond dat de overheid slechts adviseren mocht. Steun aan werklozen zou de individuele ondernemingslust ondermijnen. Hij deed dus niets.
President Rooselvelt (gekozen in 1932) vond gelijkheid nu belangrijker dan vrijheid. In de eerste honderd dagen van zijn bewind slaagde hij erin zeer vergaande maatregelen door het congres aanvaard te krijgen.
New Deal:
Het politieke programma van president Roosevelt, gericht op een bepaalde aanpak van de crisis van de jaren dertig. Deze aanpak bestond uit een combinatie van grote werkgelegenheidsprojecten, sociale wetgeving en een bijbehorende uitbreiding van het overheidsapparaat.
Bankwezen werd gered met veel overheidssteun. 80% was al failliet gegaan en dit ondermijnde het vertrouwen in de economie heel erg.
Voor het eerst nam de federale overheid op grote schaal maatregelen om het lot van haar burgers te verbeteren. Iedere categorie in de economie (landbouw, industrie, werknemers. Consumenten) werd geholpen met wetten (acts) en organisaties om die wetten goed uit te voeren (administrations).
Acts en administrations:
- Agricultural adjustment act : boeren moesten hun productie beperken, zodat de overproductie afnam en de prijzen weer zouden stijgen.
- Federal emergency relief act: uitkering voor werklozen
- Works progress administration: deel van werklozen werd via allerlei werkverschaffingsprojecten aan het werk gezet. Dit werd opgericht om al die projecten op te zetten en uit te voeren (1935). Een groot project was bijvoorbeeld de bouw van stuwdammen in Tennessee. Doel: 1. elektrificatie van het platteland 2. Modernisering van de landbouw in dit achtergebleven gebied.
- National industrial recovery act: werkgevers en werknemers zouden afspraken maken over lonen, prijzen en arbeidsvoorwaarden. Door deze wet werden ook minimumlonen, maximumwerktijden en een verbod op kinderarbeid geregeld, evenals minimumeisen aan producten.
- National recovery administration (NRA): moest zorgen dat recovery act uitgevoerd werd. Deze werd uiteindelijk door het supreme court ongrondwettig verklaard.
- Social security act (1935): zorgen voor eenvoudig systeem van sociale verzekeringen.
In 1936 werd Roosevelt herkozen. Hij zette zijn economisch beleid ongeveer voort maar oorlogsdreiging en andere problemen gingen dit beleid overschaduwen.
Het optreden van de Nederlandse overheid.
Wat de overheid doet, is in een democratie afhankelijk van degenen die in de regering zitten en de steun hebben van het parlement. In Nederland zijn dat altijd coalities: verschillende partijen moeten samen de regering vormen.
Deze periode bestond de regering uit de confessionelen (katholieken en protestants-christelijke) en liberalen. Ruys de Beerenbrouck was de katholieke minister-president toen de crisis uitbrak. Hij begon met bezuinigingen op ambtenarensalarissen en werkloosheidsuitkeringen.
Zijn opvolger Colijn van de Anti-Revolutionaire Partij vond dat Nederland zich moest instellen op lager welvaartspeil. Hij hield vast aan de gouden standaard, de koppeling van de gulden aan een vaste hoeveelheid goud à Nederland duur voor buitenland omdat onze munt niet in waarde verminderd werd t.o.v. andere landen.
Effecten van dit beleid moesten weer gerepareerd worden door crisiswetten (vooral voor landbouw). Uiteindelijk veel verder dan bedoeld à hogere prijzen à consument de dupe.
In 1936 liet Nederland de gouden standaard los à waarde van gulden daalde met 20%àexport verbeterde.
Helft van werklozen kreeg geen steun (vooral vrouwen, jongeren en ouderen), geen waarde voor productieapparaat. Wel werkverschaffingsprojecten voor mensen zonder recht op uitkering en langdurig werklozen.
Direct na uitbreken van crisis zeiden de SDAP-kamerleden dat het een afzetcrisis veroorzaakt door gebrek aan koopkracht was. Hun plan van de arbeid: komen aan oplossing van de economische crisis. Dit plan voorzag in een groot aantal werkgelegenheidsprojecten en overheidsinvesteringen die eventueel betaald zouden moeten worden door de staatsschuld te laten oplopen.
De SDAP werd tot 1939 buiten de regering gehouden, o.a. door mislukte revolutiepoging direct na de Eerste Wereldoorlog.
Nadeel Roosevelt: ging in 1937 bezuinigen op aantal grote projecten à explosieve werkloosheid en industriële productie daalde met 30%.
Resultaat van de New Deal: overheid ging belangen van al haar burgers behartigen à nieuw evenwicht in maatschappij à economie evenwichtiger.
Nadeel Colijn: liet staatsschuld van 2,3 tot 4 miljoen oplopen door steun en landbouwcrisiswet.
3. 1945-1975: Van oorlogseconomie naar welvaartsstaat
Tussen 1945 en eind ’60 verschil in welvaart tussen Ned. en VS snel kleiner. Kwam door: 1. economische ontwikkelingen 2. beleid van de overheid 3. diverse groepen in de maatschappij.3.1 economische ontwikkelingen
VS
Door oorlogsindustrie groot tekort aan arbeiders à iedereen welkom. In gebieden met vroeger meeste werkloosheid, het westen en zuidwesten, werden grote industrieën opgezet. Problemen van landbouw verdwenen ook à gingen nu mechaniseren.
Koopkracht steeg, nog geen duurzame consumptiegoederen dus gingen sparen.
Vanaf 1940 aanhoudende economische groei door:
- Iedereen wilde zijn spaargeld uitgeven. Daarnaast ook babyboom à bevolking groeide tussen 1945 en 1960 met 40 miljoen en nationaal inkomen verdubbelde.
- Overheid was grotere rol gaan spelen als vrager van goederen en diensten. Veel geld voor defensiedoeleinden en technologische vernieuwingen à bevorderde ontwikkeling en toepassing van nieuwe technieken en verdere ontwikkeling van de chemische, elektronische en luchtvaartindustrie.
- Amerikaanse industrie had wereldwijd monopoliepositie en kon zich volledig toeleggen op technologische vernieuwingen à enorme groei van productiviteit.
Begin ’70 opeens slechter door besef dat de voorraad grondstoffen (als olie) niet oneindig was à hogere olieprijzen. Amerika juist afhankelijk van auto-industrie en goedkope grondstoffen à tussen 1973 en 1990 nam de armoede toe. Verbeterde sociale zekerheid en grotere vraag vanuit de overheid zorgde dat de economie niet meer helemaal in elkaar kon storten.
Nederland
Veel materiële schade van oorlog. Geen geld voor noodzakelijke importen en grootste afzetgebied (Duitsland) ook in puin. Daarnaast verwikkeld in koloniale oorlog en verloor Nederlands-Indië.
Politieke initiatieven om de bevolking meer op één lijn te brengen door de verzuiling te doorbreken mislukten à teleurstelling.
1950 oorlogsschade grotendeels hersteld.
3 factoren voor mogelijk maken van economisch wonder (groei):
- Nederlandse bevolking was bereid hard te werken en af te zien van consumptie. Weinig te consumeren, alles schaars en via distributiestelsel zo eerlijk mogelijk verdeeld. Hiervoor wel meer zekerheid in de vorm van sociale voorzieningen en verzekeringen. (1953 werkloosheidsverzekering, 1957 oudedagsvoorziening). Daarnaast nog een babyboom.
- Nederland ontving tot 1957: 978,2 miljoen dollar door marshallhulp (economisch hulpprogramma van VS om Europa na 2e WO weer op de been te brengen). Dit werd gebruikt voor voedselhulp, noodzakelijke import van allerlei technische apparatuur uit VS en uitwisselingsprogramma’s. Amerikanen probeerden rationele bedrijfsvoering, massaproductie, modern personeelsbeleid en zelfbediening over te brengen en hun ideale samenleving: iedereen werkt aan voortdurende economische groei, dit samenwerken nam Ned. over. Ook spoorde Amerikanen Europese integratie en vrijhandel aan. Ned. exportgericht en dus vrijhandel belangrijk.
- De overheid trad vanaf het begin zeer sturend op (meer dan in VS), idee van ondernemingsgewijze productie bleef wel.
In 1952 voor eerst betalingsbalans weer overschot. Chemische nijverheid en metaalsector ontwikkelden zich verder. Lidmaatschap Europese Gemeenschap (1958 opgericht) ook gunstig. In 1959 grote aardgasbel gevonden, kon toenemende energiebehoefte mee worden voldaan. Bedrijven ook steeds groter, 5 grootste multinationals verantwoordelijk voor 15% van werkgelegenheid ß richtten zich op verhoging arbeidsproductiviteit (d.m.v. computers bijv.)
Werkgelegenheid in industriesector nam niet veel toe, was wel speerpunt van overheid. Dienstensector steeds belangrijker.
3.2 Overheidsbeleid
VS
Door inzichten van Engelse econoom J.M. Keynes vonden mensen dat regering zich niet langer afzijdig kon houden van functioneren van markt. Elke president werd na oorlog geacht iets te doen als economie dreigde in te zakken en men wilde de belangrijkste onderdelen van de New Deal in stand houden. Democratische presidenten probeerden New Deal eigen draai te geven: Truman: Fair Deal, Johnson: Great Society.
Truman (opvolger van Roosevelt) zorgde ervoor dat de teruggekeerde veteranen goed begeleid en geschoold werden, zodat ze weer makkelijk in het arbeidsproces opgenomen konden worden. 2e probleem: stijgende prijzen door exploderende vraag naar consumptiegoederen. Verzet tegen controle op prijzen en lonen was te groot à regering kon prijsstijgingen niet tegen houden.
Na Truman kwam Eisenhower: handig politicus die verworvenheden van New Deal behield. Geen echte verbeteringen publieke sector. 25% van Amerikanen deelden niet in de welvaart.
Na Eisenhower kwam Kennedy met “War on Poverty”, maar raakte verstrikt in Vietnamoorlog. Na moord op Kennedy kwam Johnson met aantal maatregelen als: subsidies voor het onderwijs en een ziekteverzekering voor ouderen. Van Great Society ook weinig door te veel geld naar Vietnamoorlog. Johnson heeft meeste wetten op gebeid van sociale zekerheid en hulp aan zwakkeren door congres geloodst in korte periode dat hij daartoe gelegenheid toe had.
Wantrouwen van Amerikanen ten aanzien van federale overheid is gebleven à president machteloos tegen bestrijding armoede. Welvaart minder belangrijk dan individuele rijkdom. Grote groep armen hebben niet eens politieke macht en zijn niet interessant genoeg.
Nederland
Werkgelegenheid in landbouw nam af. Alternatief: Nederland zou een op export gericht industrieland moeten worden. Hoe, werd vastgesteld in industrienota’s die tot 1963 beleid bepaalden. De productiviteit moest omhoog, dit moest door particuliere ondernemingen die zelf het risico wilden nemen en winst wilden maken gebeuren. Overheid moest hiervoor voorwaarden creëren zodat ondernemingen zo min mogelijk risico liepen à overheid zorgde voor geld (goedkope leningen voor bedrijven), lage loonkosten, belastingsfaciliteiten en een “industrierijpe” bevolking ç door propaganda en onderwijs.
Sfeer binnen bedrijven werd verbeterd met psychologisch en sociologisch onderzoek gefinancierd met marshallhulpgeld. Baas moest moderne manager worden die met mensen kon omgaan. Vakbeweging werd vanaf begin betrokken bij de besluitvorming.
Stichting van de arbeid: Organisatie van werkgevers en –nemers waarin overlegd wordt over de algemene loonontwikkeling. Vaak zit de regering er ook bij.
Sociaal-economische raad: Adviesorgaan v.d. overheid waarin vertegenwoordigers van werkgever, -nemers en deskundigen zitten.
In ruil voor lage lonen kregen werknemers betere sociale zekerheid. Na de oorlog begonnen rooms-rode coalities (KVP en PVDA) onder leiding van Drees met de opbouw van de verzorgingsstaat: overheid zorgt voor zowel op het materiële vlak (uitkeringen) als immateriële (voorlichting) vlak voor uitgebreide voorzieningen.
Uitgangpunt was: bevorderen van grote gezinnen met als kostwinner vader en moeder een strik verzorgende taak. Na oorlog wilden mensen ook alleen zeker bestaan binnen de geborgenheid van een gezin. Men kreeg kostwinnerstoeslag en kinderbijslag.
Uitgaven voor sociale zekerheid, onderwijs en andere voorzieningen nam sterk toe. Pas na oliecrisis in 1973 kritiek à flink bezuinigd maar sociale zekerheid bleef.
3.3 Effecten op de samenleving
VS
Blanke arbeiders en de middenklasse profiteerden meest van nieuwe welvaart (hadden ook meest van New Deal geprofiteerd). Velen trokken naar suburbs (buitenwijken), daar ontwikkeling van consumptie gerichte levensstijl. Klasseloos maar zonder zwarten.
Ideale vrouw was: getrouwd op haar 16e, 4 kinderen, actief als vrijwilligster op school enz. (balanced homemaker). Viel het meest aan te verkopen.
Kwam kritiek op ongebreidelde consumptiedrang. Men zou te veel te besteden hebben à overheid zou belasting moeten verhogen om de kwaliteit van het bestaan te verbeteren door voorzieningen op gebied van milieubescherming, zorg en onderwijs (J. Gailbraith). Bij 1e generatie tiener babyboomers onbehagen over nieuwe welvaart en consumptiecultuur à gepaard met nieuwe stijl. Ook onvrede over Vietnamoorlog ß geen zin in dienstplicht.
Kwart die nog wel onder armoedige omstandigheden leefde, werd nauwelijks geholpen. Ze zouden zelf wel aan de beurt komen als de economie bleef groeien. De zwarten onder hen accepteerden dit niet meer. Ze hadden de plaatsen ingenomen van blanken in de binnensteden maar werkgelegenheid ging naar suburbs à bleven achter met slechte huizen en slecht baantjes. Ze kregen wel weer politieke rechten. Nog steeds grote achterstand à rellen in getto’s.
Nederland
In de 20 jaar na 1953 ingrijpende verandering: veel bevolkingsgroei en economische groei. Koopkracht verviervoudigde. De geleide loonpolitiek, het bewust laag houden van de lonen, bleek niet vol te houden à arbeidsmarkt te overspannen. Lonen stegen vanaf 1954 en vanaf 1965 explosief.
Iedereen bleef nog veel sparen, jongeren consumeerden eerst. Automobiliteit kwam in ’60 goed op gang: van 500.000 auto’s steeg het naar 2 miljoen in 1968. Introductie van supermarkt: consumptiemaatschappij.
Sociale mobiliteit nam toe door: 1. betere mogelijkheden op de arbeidsmarkt 2. Verbeteringen in onderwijs. Samenhang verbrokkelde door onafhankelijkheid van andere mensen. Dit deed mensen verlangen naar vrijheid en die was er niet in de verzuilde samenleving à protesten.
Jongeren van babyboom-generatie kwamen met kritiek op consumptiemaatschappij, oneerlijke verdeling van de welvaart, milieuvervuiling enz. Er werden ludieke acties gevoerd en strenge seksuele moraal overboord. Men luisterde ook naar ze.
Vanaf eind ’50 gastarbeiders, buitenlandse werknemers die (zo dacht de regering en de mensen zelf) tijdelijk in Ned. waren om de krapte op de arbeidsmarkt op te lossen. Zij deden het zware werk, ze bleven echter in Nederland (allochtonen) omdat er in hun eigen land geen economische mogelijkheden waren à nieuwe groep, werden in ’70 zwaarst getroffen.
Nederland is meest achtergebleven als het gaat om het werken van vrouwen. Dit werd vanaf ’60 langzaam ingehaald. Tegenwoordig al minder maar maken nog steeds minder carrière. In de VS wel meer.
© 2007 - 2012 L0rah, gepubliceerd in Samenvattingen (Educatie en School) op .
Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van L0rah is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer informatie…
ASUS Eee Pad MeMo: is het een telefoon of een tablet? Steeds lichter, kleiner én krachtiger. Maar ook multifunctionalitei…
Samenvatting geschiedenis Sfinx 4 vmbo-T Thema 3.1 tot 3.3 De industriele revolutie in Nederland. Wat er veranderde. De v…
Trouwen en wat eraan vooraf gaat Trouwen is een belangrijke gebeurtenis in het leven en gaat niet zomaar. Er gaan voor de…
De Industriële Revolutie De industrialisatie veranderde de wereld radicaal. Massa's nieuwe uitvinden werden ontdekt,…
Gerelateerde artikelen
Correspondentie - verschillende manieren Bij correspondentie kunt u aan een heleboel soorten denken; klachtenbrief, aanma…ASUS Eee Pad MeMo: is het een telefoon of een tablet? Steeds lichter, kleiner én krachtiger. Maar ook multifunctionalitei…
Samenvatting geschiedenis Sfinx 4 vmbo-T Thema 3.1 tot 3.3 De industriele revolutie in Nederland. Wat er veranderde. De v…
Trouwen en wat eraan vooraf gaat Trouwen is een belangrijke gebeurtenis in het leven en gaat niet zomaar. Er gaan voor de…
De Industriële Revolutie De industrialisatie veranderde de wereld radicaal. Massa's nieuwe uitvinden werden ontdekt,…
Reageer op het artikel "Samenvatting module 5 geschiedenis memo"
Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.