Samenvattingen en Jan Siebelink

Boekverslag: Laatste schooldag

Boekverslag: Laatste schooldag

Schrijver: Jan Siebelink Titel: Laatste schooldag Eerste druk: mei 1994 Gelezen uitgave: vierde druk, augustus 1994 Uitgeverij: Meulenhoff Amsterdam Aantal bladzijden: 216 blz.


Boekbeschrijving

  • Jan Siebelink, laatste schooldag, 1e druk. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam, 1994.
  • Laatste schooldag kent 223 pagina’s.
  • De twee ongenummerde bladzijden die direct op het laatste verhaal volgen, geven een verantwoording over de eerdere verschijning van de verhalen uit het boek. Daarna treft de lezer een aantal ongenummerde bladzijden aan waarop een idee wordt gegeven van eerder werk van de auteur.
  • De eerste bladzijde van het boek bevat een lijst van boeken van Jan Siebelink en pas op bladzijde 3 staat onder de titel de aanduiding ‘verhalenbundel’.
  • Bladzijde 5 vermeldt de titels van de elf verhalen.

Samenvatting van de inhoud

Laatste schooldag (blz. 7)
De ‘ik’ wist dat zijn collega Bobby Kolvoort soms leerlingen had veroverd. Nu hij ouder was, ging dat niet zo gemakkelijk meer. Met Mark Lukkien uit zes Atheneum, die de ‘ik’ ook in de klas had, wilde het niet lukken. Net zoals zijn collega’s werd de ‘ik’ steeds ouder. Henk Resink was inmiddels overleden. Aan die collega kon de ‘ik’ niet terugdenken zonder brok in zijn keel te krijgen. Als jong docent had hij veel steun van Henk gekregen hoewel de schoolleiding hem gewaarschuwd had voor deze slechte vriend. Het is met Henk Resink slecht afgelopen. Ook de schrijver Eric Wille is het niet goed vergaan. Er waren in de loop van de jaren veel collega’s die verdwenen, maar Bobby Kolvoort was gebleven ondanks zijn evidente angst voor het lesgeven. Die angst was het best te zien aan het eind van de koffiepauze als hij zich er maar moeilijk toe kon zetten om naar het biologielokaal te gaan. Vandaag, op de dag dat de diploma-uitreiking zal plaatsvinden waarbij alle leraren verplicht aanwezig zijn, ziet de ‘ik’ Bobby Kolvoort de school verlaten. Hij gaf hem gelijk. In de loop van de jaren heeft Bobby alle greep op de klassen verloren. De rector wilde hem laten afkeuren, maar daaraan gaf Bobby geen medewerking. De ‘ik’ had lang niet doorgehad hoe erg het voor Bobby was in de klassen. ‘Regelmatig, maar op de meest onverwachte momenten, werd zijn les onderbroken door een soort melodietje, dat door de klas met gesloten mond gezongen werd, dat langzaam aanzwol, dat over ging in woorden … stik, vuilak … stik…’(blz. 11) Terwijl de rector in de aula de leerlingen een voor een persoonlijk toesprak dacht de ‘ik’ in de koffiekamer terug aan de tijd toen hij zelf kersvers van de universiteit de school was binnengestapt en Bobby hem onder zijn hoede had genomen. Hij had de ‘ik’, die geen dahlia van een gladiool kon onderscheiden, ook de pracht laten zien van een natuurgebiedje achter de school. De binnentuin was trouwens ook een initiatief van Bobby Kolvoort. Plotseling ziet de ‘ik’ dat Bobby terug is gekomen. Hij heeft een boeketje in zijn handen, half achter zijn rug. De massa in de aula zette zich in beweging, richting kantine waar een drankje geschonken zou worden. Hij zag hoe de geslaagde Mark zijn biologiedocent op een meter passeerde, zijn vriendin om zijn hals. Bobby wilde Mark aanraken, maar hij hield zich bijtijds in. Hij wendde zich af en tuurde om zich een houding te geven met zijn hand boven het schelle licht. De ‘ik’ geloofde dat hij huilde. De andere liepen met een boog om hem heen.

De ochtend van Waterloo (blz. 19)
Peter van Ofwegen is pas drie dagen benoemd aan het Willem de Zwijger. Het is zijn eerste baan. Tegen zijn collega Henk Resink zegt hij bang te zijn het vak nooit te zullen leren. Die antwoordt bemoedigend: ‘We hebben het allemaal moeilijk in het begin, maar geen partij is gespeeld voor de laatste kaart. Nooit is Napoleon dichter bij zijn eindoverwinning geweest dan op de ochtend van Waterloo’. (blz. 19) De school wordt geleid door een jonge conrectrix; de rector heeft zijn sabbatical jaar. Op een ochtend wordt Peter bij haar geroepen. Ze laat hem lang wachten, meer dan een uur. Als de deur van haar kamer eindelijk opengaat en het rode lampje uit, stappen er heren en dames van het curatorium naar buiten. De conrectrix wil Peter spreken over de steun die hij zoekt bij Henk Resink. Van zo’n figuur kan hij niets leren. Er heerst een vreemde sensuele spanning in de kamer. Op het terras van café Marktzicht drinkt Peter een biertje met Henk Resink, maar over wat de conrectrix heeft gezegd, zwijgt hij. In de dagen daarna doet hij halfslachtige pogingen om Henk te mijden. Hij wil ‘Jenny’ niet tegen zich in het harnas jagen. Een week later wordt Peter weer bij haar geroepen. Ze vraagt hem te helpen bij het sorteren van dossiers, stapels losse papieren en mappen. Die middag zal hij beginnen. Opeens, terwijl hij iets in een legkast deponeert, plaatst de conrectrix haar rechterhand op zijn schouder, de vingers gespreid, zover mogelijk. Hij maakt de vingers langzaam één voor één los. Jenny gaat aan haar bureau zitten en mompelt ‘Ik begrijp je zo goed…’ Ze vindt dat hij knap heeft laten merken dat hij ‘daar’ niet zo van gediend is. De volgende dag gaat Peter naar het lokaal van Henk. Leerlingen scholen samen voor de gesloten deur. Peter ziet door het raam zijn collega onbeweeglijk zitten. Op het bord is een sticker geplakt met de tekst: Fuck the teacher.

Het incident was de druppel die de emmer deed overlopen. Heren en dames van het curatorium snelden de school in en uit. Het eind van het liedje was, zo vertelde Henk aan Peter, dat hij de keus kreeg tussen zich ziek melden of onmiddellijke schorsing wegens onvermogen. Bij een volgende sorteerzitting probeert de conrectrix Peter te kussen. Hij houdt zijn lippen stijf op elkaar. Boos duwt ze zijn gezicht weg als de telefoon overgaat. Het afscheid van Henk Resink is inmiddels onvermijdelijk. Het ‘feest’ zal niet op school maar bij Henk thuis gevierd worden. De schijn wordt opgehouden met vriendelijke toespraken en een cadeau van de school, een tuinstoel met verstelbare hoofd- en voetensteun. Gedurende de avond ziet Peter Henk op de rand van zijn tuinstoel zitten met een boekje op zijn schoot en een pen in zijn hand. Hij begint de namen van zijn collega’s te lezen. Wie aanwezig was, kreeg een kruisje. Peter kijkt om zich heen om te zien of de anderen zich bewust zijn van de gênante vertoning. De meesten schenken geen aandacht aan Henk of zijn te dronken.

Op school gaat hij bijna in op de toenadering van Jenny. Hij streelt haar over de huid onder haar ogen. Zij zegt zich bij hem ‘zo goed’ te voelen. Maar dan onttrekt Peter zich aan haar en mompelt dat de affaire Resink hem nog dwarszit. Henk overlijdt aan een hartaanval. Was het wel een hartaanval? Jenny kondigt de dood van de ex-collega aan door de intercom. De lessen zijn afgelast. Peter heeft alle tijd om na te denken over zijn dode vriend en te verlangen naar Jenny. Hij neemt zich voor net zo lang in zijn lokaal te blijven tot ze hem bij zich roept.

Een evenwichtig bestaan (blz. 34)
Sinds Eric geschorst was, spraken ze dagelijks over de gebeurtenissen in Café Marktzicht. Eric Wille en Ernst Greve vroegen zich af of de gebeurtenissen te voorzien waren geweest. Een jaar gelden was Ernst Greve op school gekomen als leraar Nederlands. Hij was bijzonder gelukkig op het Willem de Zwijger College te E. aangesteld te zijn. Daar immers werkte Eric Wille, de schrijver die het onderwerp was geweest van zijn doctoraalscriptie. Het schoolleven met al z'n afkortingen als 'ALV', 'MR' en 'DORA' viel Ernst niet mee. Op zijn eerste ALV (Algemene lerarenvergadering) hield hij zich kalm. Hij vroeg zich wel af waar Eric Wille zat. In de veelheid van gezichten herkende hij dat van zijn geliefde schrijver niet meteen. Pas bij de rondvraag, toen Eric Wille voorstelde zorgvuldiger om te gaan met de beplanting rondom de school, herkende hij hem. Na de vergadering leidde conrector Minkman hem door de school die behalve uit nieuwbouw ook uit een serie noodlokalen bestond. Daar bevond zich het lokaal van Eric Wille, volgens Minkman een middelmatig schrijver wiens boeken psychologisch niet klopten. Hij gaf verre de voorkeur aan Vestdijk . Een paar dagen later had Ernst voorgewend verdwaald te zijn en zo ontmoette hij in het oude gedeelte van de school Eric Wille, die hem vriendelijk te woord stond en uitnodigde voor een drankje na schooltijd in Marktzicht. Minkman merkte dat de twee regelmatig met elkaar optrokken en hij waarschuwde Ernst. ‘Wille is misschien op zijn manier een goed docent, maar hij houdt afstand. Ons bestaan en het bestaan van de leerlingen raakt hem niet wezenlijk. Ik verdenk hem er zelfs van dat hij hier slechts is om de school als organisme te bestuderen. Maar daar heb ik geen bewijzen voor.’ (blz. 41)

De school bestond vijftig jaar. Er werden allerlei activiteiten voorbereid. Zo zou er een cabaret worden opgevoerd waarin, vreemd genoeg Wille en Minkman elkaars tegenspelers zouden zijn. Op een dag hoorde Ernst, terwijl hij net de garderobe wilde verlaten, de stem van Minkman. Deze waarschuwde Eric Wille. In de cabarettekst zaten negatieve opmerkingen over de schrijver/leraar en die zou Minkman moeten uitspreken. Hij had de tekst niet zelf geschreven, maar wist wel dat er op die kritische manier ook op verjaardagen en feestjes over Wille werd gesproken. Eric Wille, die eerst geen kwaad had gezien in kritische opmerkingen in een satirische context, werd nu boos en wilde dat alle opmerkingen over hem uit het cabaret zouden worden geschrapt. De tekst werd gewijzigd. Dat gaf nogal wat opschudding in de lerarenkamer, waar degenen die tegen Wille waren, in zijn ingrijpen alleen maar het bewijs van hun eigen gelijk zagen.

Nog voor het cabaret werd opgevoerd, bood het curatorium de leraren en hun partners een diner aan op slot Doornenburg, midden in de Betuwe. Na de maaltijd kregen Wille en Minkman ruzie. Ze spraken weer over het cabaret en de gevolgen van het schrappen van een aantal zinnen voor de populariteit van Wille bij zijn collega's. Tijdens het hoogtepunt van de woordenwisseling duwde Eric Wille de lastpost Minkman van zich af. De man struikelde en kwam met zijn zij tegen de bovenrand van een plantenkuip terecht. De volgende dag werd bekend dat een rib zijn long was binnengedrongen. Hij verkeerde niet meer in levensgevaar. Bij de opening van het nieuwe schooljaar, het tweede van Ernst, was Eric Wille er niet meer bij. Ernst zou hem later verslag doen op het terras van Marktzicht.

Museumplein (blz. 53)
Sander Diemont was afgestudeerd in de kunstgeschiedenis. Zijn benoeming aan het Willem de Zwijger College was niet de vervulling van zijn wens om een museumfunctie te kunnen bekleden, maar voor een tijdje wilde hij zich best verschrikkelijk inspannen om een goede leraar te zijn. De afstandelijke rector had al een keer aangegeven best tevreden over hem te zijn en met een collega Nederlands, Dorien Kraats, die in het lokaal naast het zijne lesgaf, kon hij best overweg. Af en toe dronken ze in een tussenuur een kop koffie in café Marktzicht. Het enige incident dat hij op school beleefd had was een gesprek met conrector Minkman. Het gesprek was begonnen met een compliment; het leek of Sander al jaren op school rondliep. Maar het venijn volgde snel. Waarom moest Sander zichzelf zo ‘showen’, waarom had hij zich zo nodig moeten opgeven voor de commissie fusiehaalbaarheid? De conrector had de indruk dat Sander zich eigenlijk te goed voelde voor de school en andere ambities had. Sander voelde zich een beetje betrapt en vertrouwde ook de vriendelijke opmerkingen van de rector niet meer. Werd er achter zijn rug om over hem gesproken? Vlak voor kerst zag Sander de rector in Amsterdam. Hij wandelde hand in hand met Dorien Kraats over het Museumplein. Hij begon het tweetal op school te observeren, maar merkte niets bijzonders. Op een schoolfeest vertelde hij, in vertrouwen, wat hij gezien had aan zijn collega handtekenen, Willemsen. Die reageerde niet verbaasd. Iedereen wist toch van die verhouding! Maar de volgende dag werd Sander bij Minkman geroepen. De zaak was ernstig. Of hij het hele verhaal nog eens wilde herhalen, werd hem dreigend gevraagd. In de pauze liep Sander Willemsen tegen het lijf. Hij had Minkman ingelicht omdat in het fusieproces van de school een kwetsbare onderhandelaar, zoals de rector kennelijk was, nooit goed kon zorgdragen voor de belangen van de school. Even later werd Sander door medewerkers uit alle geledingen aangesproken. Iedereen kende zijn verhaal, van de tuinman tot de bibliothecaresse. Het duurde niet lang voordat ook het bestuur het ooggetuigenverslag uit zijn eigen mond wilde horen. Sander werd al snel verzocht de kamer te verlaten. ‘Maar er moet iets gebeuren.’ hoorde hij Minkman nog net zeggen. Boven de rectorskamer brandde geen rood lampje zodat Sander op goed geluk naar binnen stapte. Hij vertelde wat hij gezien had en wie hij het had meegedeeld. De rector was al op de hoogte. Ook Dorien en de vrouw van de rector waren ingelicht. Maar het verhaal berustte op een misverstand. Die middag was de rector niet alleen in het gezelschap van Dorien, maar ook van zijn eigen vrouw geweest. Sander mocht het controleren. ‘Weinig blijft hier onbekend. Ik heb de indruk dat jij daar een beetje van staat te kijken. In elke gemeenschap, maar zeker in een kleine wereld als een school, met al zijn geledingen, met hoog- en laagbetaalden, met schoonmakers en gepromoveerden enzovoort, heerst in het beste geval een hoogst labiel, een hoogst precair evenwicht. Het geringste incident kan dit verstoren. Maar omdat iedereen onbewust de natuurlijke orde wil handhaven, slaat alle nieuws in als een bom, wordt direct op alle niveaus alarm geslagen. Men denkt dat er koppen zullen rollen. De roddels worden steeds beestachtiger, steeds onwaarschijnlijker, en op een dag is alles voorbij. Ik voorspel je dat het ook dit keer zo gaat. Geef de mens een vijand in zijn mond en je hebt geen kind aan ze.’ (blz. 66)

Tijdens de plenaire vergadering over de fusie, de volgende dag, heerste de rector. Er werden veel besluiten genomen. Na de vergadering werd Sander uitgenodigd om nog even met de onbetwiste leider mee te lopen naar zijn kamer. De rector gaf aan Sander te mogen, maar er volgde een verwijt. Sander had te weinig eerbied voor het evenwicht in de gemeenschap getoond. Dat moest hij nog leren. Alleen in het schoolgebouw liet Sander de film van die middag nogmaals voor zijn ogen langs gaan. Daar was Dorien Kraats, daar was de rector. ‘Maar van zijn vrouw geen spoor.’

Het onbereikbare Kanaän (blz. 70)
Rolf, de zoon van leraar Bosman aan het Willem de Zwijger College, was briljant geslaagd voor zijn Atheneum-diploma. Tijdens de vaststelling van de eindexamenresultaten door de leraren, applaudisseerden alle collega's voor Bosman. Dat deed hem goed. Hij voelde zich als ex mavo-leraar enkele jaren na de fusie nog steeds niet echt zeker als leraar aan het College. Die avond zou de traditionele tocht van leraren langs geslaagde leerlingen plaatsvinden. Dat betekende, nu Rolf geslaagd was, dat nagenoeg alle collega’s bij Bosman langs zouden komen. Bosman verliet de school op weg naar huis om de voorbereidingen voor de avond te treffen. Hij had last van zijn ene oog toen hij het felle zonlicht instapte. Uit het andere oog had hij een half jaar geleden het licht verloren. Nog steeds botste hij onverwacht tegen deurposten op. De laatste jaren waren niet mild geweest voor Bosman. Twee jaar geleden was zijn vrouw overleden en op school was hij de macht over de klassen voor een groot deel kwijtgeraakt.

Dat had wellicht te maken met het feit dat hij de omgeving van zijn vertrouwde mavo had moeten inruilen voor het veel gewichtiger College waar hij een van de laagst opgeleide leraren was. Na de officiële diploma-uitreiking was Rob met een aantal vrienden naar café Marktzicht gegaan. Bosman schikte de flessen en de glazen op de tafel met het witte tafellaken en wachtte. De eerste gasten zouden niet voor half negen arriveren. Hij bladerde wat in zijn album met kostbare postzegels die Rolf later zou erven. De hele stoet trok in de loop van de avond langs. Dat was een opluchting voor Bosman, die er rekening mee gehouden had dat de schoolgemeenschap hem zou overslaan. Alle gasten waren heel ontspannen, net alsof ze dik bevriend waren met Bosman. Sommigen hadden zelfs een klein presentje meegenomen hoewel dat geen usance was. De laatste bezoeker nam kort na middernacht afscheid. Een kleine teleurstelling bekroop Bosman. In de loop van de avond had hij gehoopt dat men in zijn huis wat langer zou blijven hangen. Rolf was nog even weggegaan met een aantal klasgenoten. Na het, alleen, opruimen maakte Bosman tegen twee uur nog een wandeling. Hij kwam langs het huis van een collega wiens dochter geslaagd was. Het huis en de tuin zagen zwart van de mensen. Hier had zich dus de hele school verzameld. Ook Rolf zou hier wel zijn. Hij keek over de heg de tuin in, tot hij plotseling de stem van zijn zoon hoorde die zei: ‘Pa, alsjeblieft, ga hier weg.’ Thuisgekomen voelde Bosman zich eenzaam. Hij besloot de postzegelalbums niet aan zijn zoon na te laten. ‘Bosman moest tegen teveel dingen tegelijk vechten. Had een leerling die hij iets had opgedragen, hem niet toegebeten: Och stik, man. Hij kon niet aan zoiets denken zonder hevig te gaan beven. Zijn hele lichaam rilde. Zojuist was hij door zijn eigen zoon verloochend. Die twee dingen hadden met elkaar te maken. De wereld spande tegen hem samen.’ (blz. 85) De neiging om zich van de wereld af te zonderen, om er misschien wel uit te stappen, die Bosman de laatste tijd een paar maal had gevoeld, kwam weer opzetten. Rustig in bed liggend wist hij te relativeren. Toen zijn zoon thuiskwam en gewoontegetrouw even op de kamer van zijn vader zijn thuiskomst kwam melden, was Bosman weer met het leven verzoend.

Met een half oog (blz. 88)
Die ochtend was Onno Rijnstra tijdens het dagelijkse joggen plotseling het zicht in zijn rechteroog kwijtgeraakt. De huisarts had hem naar de oogarts verwezen die op zijn beurt had doorverwezen naar het Radboudziekenhuis. Men had zelfs een taxi voor hem besteld. In het ziekenhuis was glaucoom geconsta¬teerd, een ziekelijke verhoging van de oogdruk die de oogzenuw aantast. De beschadiging was onomkeerbaar. Rijnstra was geschokt, maar niet in paniek. Toen de taxi hem thuis had afgezet nam hij contact op met de rector van zijn school om het geval uit te leggen. De volgende dag wilde hij weer voor de klas staan. Dat vond de rector geen goed idee. Hij vroeg Onno Rijnstra contact op te nemen met de bedrijfsarts. Onno wilde voordat hij zich naar de GGD zou begeven nog een bezoek aan het openluchtzwembad brengen. Hij wilde zichzelf ervan verzekeren dat hij nog steeds een salto van de hoge duikplank durfde te maken. Het lukte. De bedrijfsarts vond de situatie ernstig. Van werken zou voor Rijnstra voorlopig geen sprake zijn. Hij zou eerst het verlies van zijn oog moeten verwerken. Wat Onno Rijnstra vooral niet moest doen, was ontkennen dat er iets ingrijpends aan de hand was. Nu hij gedwongen werd zijn werk tijdelijk in de steek te laten, vond Onno dat eigenlijk wel prettig. Hij moest nog allerlei karweitjes rond het huis verrichten. Voor zijn kippen en de dahliatuin zou hij nu wat tijd hebben. Het was anders wel vreemd om zo vlug na het begin van het schooljaar uit de circulatie te zijn. Hij had net de namen van de nieuwe leerlingen geleerd. Die avond besloot hij zijn oom op te zoeken die sinds de dood van Onno's vader het meest geliefde en vertrouwde familielid was. De vader van Onno was bloemenkweker geweest. De laatste jaren van zijn leven had hij niet meer kunnen werken. De kassen waren verzegeld en het bedrijf gesaneerd. Het enige inkomen van zijn vader was een uitkering geweest. Op de dag van zijn vijfenzestigste verjaardag was hij overleden, zodat hij nooit AOW had ontvangen. Oom Karel woonde in een bejaardenhuis in Renkum. Hij besteedde zijn tijd al jaren aan het verkrijgen van zijn recht. Voor de oorlog had hij een concessie voor een gebied op Sumatra waar een rijke goudader was. Hij was de enige directeur van NV Sumatra's Goudmijn en had volgens zichzelf als enige recht op de inkomsten uit de mijn die al ten tijde van Salomo bekend was. Diens schepen hadden namelijk niet naar Afrika, maar naar Sumatra gevaren, zo beweerde Oom Karel. Onno Rijnstra genoot van de verhalen van zijn oom. Hij vergat even de problemen met zijn oog.

Een van de volgende dagen belde een jonge vrouw die Onno op school zou vervangen. Hij wilde niet meer dan strikt noodzakelijk met haar te doen hebben, vooral toen zij duidelijk maakte een vriend te hebben. Rijnstra had een reputatie als versierder. Regelmatig werden leerlinges uit de hogere klassen verliefd op hem. Eenmaal had de moeder van een meisje waarmee hij een affaire had, gedreigd naar de onderwijsinspectie te gaan. De zaak was met moeite gesust. Een andere keer had een collega Onno gezien in een naburige stad, in innige omhelzing met een leerlinge. Daarna hadden de meeste collega's op school hem links laten liggen. De onderzoeken in het ziekenhuis duurden voort en men besloot tot een laserbehandeling aan het rechteroog. Dat zou de druk definitief doen dalen waardoor het kleine beetje zicht dat over was, behouden bleef. Voor het linkeroog was men niet bang. Dat had een andere structuur en van die ongelijkheid, die biologisch vrij bijzonder was, profiteerde Onno nu. Daarmee was medisch de kous af. Van de professor in Nijmegen mocht Onno weer aan de slag, maar rector en bedrijfsarts dachten daar anders over. Het rouwproces was nog niet voltooid. Na veel aandringen mocht Onno Rijnstra weer zeven uur voor de klas staan. Dat duurde echter maar kort. De leerlingen gedroegen zich anders dan vroeger en hijzelf kon zijn draai niet vinden. Toen hij tijdens een schoolonderzoek een meisje hielp, was de maat vol en werd hij weer met volledig ziekteverlof naar huis gestuurd. Hij onmoette op een van zijn lange wandelingen een vrouw, Attie Brinkhof, die hem, min of meer ongevraagd voorzag van allerlei documentatie over glaucoom. Het zou geen ziekte van het oog zijn, maar een uiting van de totale lichamelijke gesteldheid. Hij las het materiaal, maar ging niet in op haar duidelijke wens tot nader contact. Inmiddels was oom Karel overleden. Onno was nu de enige eigenaar van de mijnmaatschappij. Langzaam rijpte in zijn hoofd het plan om de situatie maar eens ter plekke in Indonesië te gaan bekijken. De bedrijfsarts hielp mee, zonder het zelf te weten. Onno moest in therapie bij het RIAGG, een proces dat lang zou duren. Vlak voor Kerstmis stapte Onno het vliegtuig in. Zijn linkeroog deed schrijnend pijn. Plotseling leek het ‘(…) of iemand met een zwarte doek dat oog afdekte. Hij botste tegen iemand op, wilde zich excuseren, maar er kwamen geen woorden uit zijn mond. Onno Rijnstra kon niets onderscheiden. Een stewardess leidde hem naar zijn plaats.’ (blz. 137)

Intercom (blz. 138)
Bennie Peters ging sinds de komst van zijn nieuwe collega steeds vaker in het weekeinde naar school. Hij was de conciërge van de school. Tijdens die weekend-bezoekjes zette hij de intercom aan en liet zogenaamde boodschappen door de school galmen die alleen gehoord konden worden door zijn hond Speedy Gonzales. Ben hield van zijn werk dat hij steeds goed alleen had aangekund. Toen de school groter werd, was er een tweede conciërge benoemd. Hoewel er niets concreet mis was met de nieuwe collega, voelde Bennie Peters zich onzeker door zijn aanwezigheid. Zijn taak om de boodschappen via de intercom om te roepen, viel hem zwaarder dan voorheen. Op een dag deelde de rector hem mee dat het beter zou zijn als Teubner, de nieuwe man, die taak zou overnemen. Bennie Peters begon met het lenen van geld uit de collectepot die hij beheerde. Hij liet in de geldkist een briefje achter waarop de geleende bedragen werden verantwoord. Het geld gaf hij uit aan medische zorg en attributen voor zijn hond. Toen conrector Minkman vroeg om de overdracht van het geld zei Peters de sleutel van het geldkist je niet bij zich te hebben. Op een dag werd Bennie Peters gedwongen het kistje te openen in aanwezigheid van Minkman en de rector. Het was leeg. Het briefje met de schuldbekentenis had Bennie allang verscheurd; de rest van het geld was allang uitgegeven. De rector probeerde nog te zoeken naar een logische verklaring of, indien die er niet zou zijn, naar een eervolle oplossing. Maar Bennie Peters liep weg, wilde naar huis waar zijn hond was. Bij de onbewaakte overweg stopte hij net op tijd. ‘De trein passeerde. Hij stak zijn hand omhoog. In lange tijd had hij zich niet zo goed gevoeld. Bennie Peters verlangde naar zijn hond en begaf zich op weg naar huis.’ (blz. 150)

Ziekteverlof (blz. 151)
Stellingwerf nam zijn hond Mistral mee op een van zijn uitstapjes. Ze wandelden graag in het besneeuwde bos. Stellingwerf dacht aan de school en de confrontaties met de staf. Het was begonnen met een conrector die vijf minuten voor het eind van de les was binnengekomen in het lokaal en had gezien dat er geen leerlingen meer waren. Die hadden mogen vertrekken als ze hun proefwerk af hadden. De conrector stelde niet op prijs dat de schoolregels geschonden waren. Daarnaast waren er de sociale gesprekken die stafleden met de docenten voerden. Men had willen weten waarom Stellingwerf tijdens de pauzes in zijn lokaal bleef, waarom hij niets van werkweken wilde weten en geen belangstelling voor leerlingbegeleiding had. Er waren klachten binnengekomen over het gebrek aan belangstelling dat Stellingwerf zou tonen voor de mavo-klassen. Stellingwerf had aangegeven bepaald niet neer te kijken op leerlingen die de mavo-stroom volgden. Hij was zijn eigen schoolloopbaan ook op een MULO begonnen en hij had zich tot leraar op een categoriaal Gymnasium weten op te werken. Na de fusie was hij gedwongen om ook mavo-leerlingen les te geven. Daar was hij niet voor opgeleid. ‘Ik kijk niet op mezelf en op mijn afkomst neer. Maar het is waar dat ik enige moeite heb om met ze om te gaan.’ (blz. 155)
De stroom verzoeken, bevestigingen van gesprekken en hele en halve verwijten, liet niet af. Deze ochtend had hij een brief van het bestuur in zijn postvakje gevonden.

De wandeling was voorbij, Stellingwerf hield de deur open voor Mistral, maar die had nog geen zin om in de auto te komen. Stellingwerf reed een eindje door, maar de hond bleef in de sneeuw rennen. Hij liet de motor wat extra razen om zijn geliefde hond te laten weten dat het nu ernst was.
Hij stopte onder een brug waar een man stond met een groen jack zoals boswachters en onbezoldigde milieu beschermers dragen. Zodra Stellingwerf uitstapte vertelde de man hem dat hij de hond niet in het bos mocht achterlaten. Hij vroeg Stellingwerf om de hond dan naar een dierenasiel te brengen. Stellingwerf vond dit te dol voor woorden. Hij riep dat hij van zijn hond hield en hem helemaal niet achter wilde laten. De man geloofde hem niet, dat was duidelijk, en hij herhaalde zijn verzoek, daaraan toevoegend dat hij er niet tegenkon als dieren leed werd aangedaan. Stellingwerf trilde van onmacht, gaf de man een zet zodat hij languit in de sneeuw viel. Stellingwerf begon hem te trappen en kon niet meer ophouden. De hond keek met gespitste oren van achter de ruit toe.

Fraude (blz. 161)
De rector las de opgaven van het examen Frans dat de dinsdag daarna zou worden afgenomen. Hij maakte het werk in korte tijd en deed de opgaven weer terug in de envelop waarvan hij het zegel had verbroken. De antwoorden waren bestemd voor zijn geliefde Yvonne. Yvonne kon de multiple-choice opgaven maar niet onder de knie krijgen. Eerder in het schooljaar had zij onder zijn toezicht op zijn kamer regelmatig extra opgaven gemaakt. Zo was hun relatie begonnen. Na zijn scheiding woonde de rector weer bij zijn moeder, wiens grootste wens was dat hij tegen een lieve vrouw zou aanlopen. De verhouding met een 18-jarige had hij voor haar verzwegen. Tot vorige week hadden de rector en Yvonne in grote harmonie hun avonden doorgebracht op het terras van de stationsrestauratie waar ze ook na sluitingstijd mochten blijven zitten omdat de eigenares hen kende. Een dag of wat geleden had Yvonne hem aangesproken en hem op hun vertrouwde lokatie bekend verliefd te zijn op een jongen die ze op een feestje had ontmoet. De wereld van de rector stortte in elkaar. Inmiddels had hij in de examenzaal de antwoorden van het examen Frans onder haar opgaven geschoven. Hij zat op zijn kamer en hoorde voetstappen. Hij klom uit het raam en ging naar het terras van de stationsrestauratie. De eigenares schonk hem een biertje. Het was drie uur in de middag. 's Avonds laat zat hij er nog. In gedachten zag hij Yvonne voor zich staan. Ze droeg de kleren waar hij zo van hield. Hij riep haar naam en vroeg zich af waarom er nu mensen voor hem kwamen staan. Toen besefte hij dat het ‘onvermijdelijke, het finale’ al gebeurd was.

Afscheidsdiner (blz. 168)
Drs. C. den Duin, docent aan het Willem de Zwijger College en medewerker van het Christelijk Pedagogisch Centrum had een lezing gegeven over 'geheugensteuntjes' bij het voortgezet onderwijs. Hij reed tevreden terug naar huis; de lezing was voorspoedig verlopen. Hij reed langs restaurant De Luchte, waar zeetong in de aanbieding was. Hij had onaangename herinneringen aan het restaurant, maar reed toch de parkeerplaats op.

Binnen bestelde hij koffie. Den Duin dacht terug aan zijn begintijd op de school. Na een 'glorieuze tijd' als straaljagerpiloot had hij met zijn mo-a akte Nederlands gesolliciteerd op een betrekking in Brummen. Het was hem niet meegevallen. De klassen boeiden hem niet en zijn collega's, op één uitzondering na, lieten hem links liggen. Hij deed geen echte pogingen om in de groep te worden opgenomen. Bij de collega met wie hij wel omging, Prins, heerste volledige wanorde in de klas. Iedereen wist dat, en Coen den Duin bewonderde Prins om de wijze waarop hij toch met liefde over zijn leerlingen kon spreken. Na het eind van het kalenderjaar mocht Prins met vervroegd pensioen. Het afscheidsdiner werd gehouden in restaurant De Luchte. Namens het gemeentebestuur was een ambtenaar aanwezig in plaats van de wethouder. Deze ambtenaar had verzonnen dat iedereen een geïmproviseerde afscheidstoespraak voor Prins moest houden. Coen den Duin schrok. Ontsnappen was niet mogelijk. Hij moest iets origineels verzinnen. Alle andere collega's maaiden het gras voor zijn voeten weg, bedacht hij in paniek. Opeens vroeg de ambtenaar die tafelvoorzitter was, om stilte. Het diner was voorbij. Men had Coen den Duin overgeslagen. Hij stond op en kondigde aan ook het woord tot Prins te willen richten. Als antwoord kreeg hij toegesnauwd dat hij beter weer kon gaan zitten. Het hoofd van de afdeling onderwijs zei: ‘U heeft op school al genoeg last veroorzaakt.’ (blz. 174) Coen liep op de man af en gaf hem bijna speels een klein zetje om hem daarna zonder enige reserve op zijn mond te slaan.

Ereprijs (blz. 176)
Oscar Kristelijn, niemand op school zou hem kunnen vergeten. Hij was de school binnengekomen als nette jongeman van nog geen dertig. Nieuwe leraren werden geacht tijdens de eerste lerarenvergadering even op te staan als ze door de rector werden geïntroduceerd. Oscar zat te dromen en stond niet op. De rector zei met een knipoog dat dit geen beste beurt was. Oscar Kristelijn had lesgegeven op een lagere school en op een kleine MAVO. Hij had lang geaarzeld of hij de benoeming aan de grote HAVO/atheneum school wel zou aanvaarden. Tijdens het sollicitatiegesprek had hij nauwelijks zijn mond durven opendoen, totdat men hem gevraagd had naar zijn mening over godsdienstige zaken. Op dat stuk was hij duidelijk en overtuigend geweest. Gedurende de eerste week op school was Oscar aangesproken door Ralf, tegen wie hij hoog opzag. Ralf was een doctorandus die in Amsterdam Engels gestudeerd had. Tijdens de openingsvergadering had hij vaak het woord gevoerd, iets wat Oscar niet durfde. Al snel ging Ralf om advies aan Oscar vragen over artikelen die hij schreef op onderwijskundig gebied voor diverse vaktijdschriften. De artikelen gingen meestal over hoogbegaafden, een in Ralfs ogen vergeten groep. Op een van de feestjes die Oscar met zijn vrouw Laura bezocht ontmoette hij Nettie Cosijnse die Nederlands studeerde in Utrecht. Haar man werkte als chemicus op het zuivelinstituut. Oscar gaf aan dat hij meestal op dinsdag in Utrecht was waar hij een avondstudie voor zijn Akte-B Frans volgde. Er kwamen kinderen in het gezin Kristelijn en Oscar werd populair op school. Hij bezocht op zondag trouw de kerk, terwijl zijn kinderen naar de zondagschool gingen. Laura ging niet mee. Op een avond trof hij in Utrecht Nettie Cosijnse die hem wilde versieren. Even kwam hij in de verleiding, maar toen zij in een café naar het toilet ging, wierp Oscar geld op de tafel en vluchtte naar zijn auto. Thuis wilde hij Laura over het incident vertellen, maar het leek alsof zij het al wist. De populariteit van Oscar nam toe. Hij speelde vaak volleybal met zijn collega's en Laura was uitgenodigd om lid te worden van de vrouwenclub van het Willem de Zwijger College. Hij had vaak lange gesprekken over onderwijskundige zaken met Ralf. Tijdens een diner was zijn ster gestegen toen hij een karateleraar, die was geïntroduceerd door een tijdelijk benoemde tekenlerares, volop het gezicht had geslagen. Inmiddels had Oscar zijn akte in bezit en studeerde hij door voor zijn doctoraal. Het duurde niet lang voordat Laura het bordje Drs O. Kristelijn op haar voordeur kon bewonderen. Veertien dagen voor zijn doctoraalexamen had Oscar het laten maken en de dag na de ontvangst van zijn bul had hij het op de deur bevestigd.

Nog eenmaal werd Oscar verleid door een vrouw. Het betrof Ankie van Looijengoed, de lerares gymnastiek. Maar hij kon Laura niet ontrouw zijn en het avontuur in de slaapkamer van Ankie liep met een sisser af. Inmiddels was het vak Frans op de middelbare school onder druk komen te staan. Het dreigde in de brugklas afgeschaft te worden en zou dan niet snel meer vrijwillig gekozen worden door leerlingen in de hogere jaren. Oscar onttrok zich aan de activiteiten van de actie-voerende collega's. Hij deelde hen mee liever dood te gaan dan te proberen de minister duidelijk te maken dat Frans belangrijk was. Oscar wilde ook geen lid worden van een vakbond. ‘Je hoeft voor mij niet te vechten. Onze salarissen zijn hoog, gelijk aan of nog hoger dan dat van een referendaris op een ministerie. Mijn vader stond 's morgens om vijf uur op en kwam 's avonds bij donker weer thuis. Met een inkomen van ver onder het minimum. Hij klaagde nooit, kwam nooit in opstand, demonstreerde niet.’ (blz. 203) Oscar vond het eigenlijk zelfs beschamend dat hij in de vakantie werd doorbetaald. De populariteit van Oscar op school nam zienderogen af. De kerk had hem al verloren, een jaar terug had hij afscheid genomen van dat instituut toen hij gemerkt had niet meer oprecht te kunnen bidden. Op een dag verving hij het 'doctorandus-bordje' op de voordeur door een bordje waarop alleen zijn naam stond. Via zijn contacten met een wethouder en de administrateur van de school wist Oscar een nieuwe toekomst voor zichzelf te vinden. Laura wist allang dat Oscar niet op school wilde blijven. Hij sprak vaak over zijn vader die bloemenkweker was geweest. Zij was dan ook niet verbaasd toen de bestelwagen met de houten rolluiken voor de deur stond. Oscar zou bloemen gaan verkopen op het nieuwe marktplein, op de plek waar vroeger café Marktzicht stond. Omdat de wethouder ook diaken in de kerk was, had hij de klandizie van de kerk gekregen. Ook zijn geloof had hij hervonden. Dat was hij eigenlijk nooit echt kwijt geweest. De voormalige collega's hadden eerst wat schroom moeten overwinnen, maar nu kochten zij grif van Oscar. Hij was niet duur en de ambtenarensalarissen gingen maar steeds omlaag.

Vertelsituatie

In het eerste verhaal van de bundel Laatste schooldag is een ‘ik’ aan het woord. Op de eerste pagina van dit verhaal worden veel namen genoemd die later in andere verhalen terugkomen. In die overige verhalen hanteert Siebelink de personale vertelsituatie, waarbij meestal het perspectief ligt bij een jonge leraar die contact vindt bij een oudere collega die zijn idealen verloren heeft en die lesgeeft in een afgelegen hoek van het schoolcomplex. De jonge collega ziet zijn mentor ondergaan in de 'hel' van het schoolleven, hetzij aan gebrek aan orde in de klas, hetzij aan gebrek aan aanpassingsvermogen, zoals het geval is bij Bosman die zich mavo-leraar bleef voelen, ondanks zijn benoeming aan een havo/atheneum.

Tijd

De verhalenbundel geeft een beeld van het onderwijs op het moment dat de leraar zijn status als elitair lid van de maatschappij verloren heeft. Het intellect moge nog aanwezig zijn; het aanzien is weg. Het beroep is vol risico's. Wat vroeger met de mantel der liefde bedekt werd, wordt nu in 'disfunctioneringsgesprekken' aan de kaak gesteld. Het fusiespook slaat toe, salariszekerheden behoren tot het verleden en de leerlingen zijn harder voor hun opvoeders dan ooit: Siebelink geeft een beeld van het onderwijswereldje aan het eind van de jaren '80.

Ruimte

De verhalen in Laatste schooldag spelen zich af in het stadje E. dat door een spoorlijn met Amersfoort verbonden is. Het is een provinciestadje waar op een bepaald moment de zogenaamde wisseldiners mode waren. Zo'n diner vond plaats in verschillende huizen; bij de eerste gastheer of -vrouw werd het voorgerecht geserveerd, vervolgens bij een ander het hoofdgerecht enzovoort. Het is bij het dessert van een dergelijke happening dat Oscar Kristelijn in het verhaal 'Ereprijs' een karateleraar een dreun geeft. De wereld in de provinciestad is klein en benauwd, maar de wereld daarbuiten heeft in Laatste schooldag weinig meer te bieden. Het ziekenhuis, in het verhaal 'Met een half oog' waar Onno Rijnstra zijn onheilsboodschap hoort en de Universiteit van Utrecht in 'Ereprijs' waar Oscar Kristelijn geconfronteerd wordt met een dame die zich wil opdringen. Buiten de provincieplaats kun je betrapt worden met willige leerlinges; de stationsrestauratie in het eigen 'dorp' waarvan je de eigenares kent, zoals de rector in 'Fraude', biedt meer bescherming. Vakanties buiten het land leveren ook weinig variatie op. Bij de openingsvergadering worden in alle verhalen steevast annekdotes over 'Carnac, Carnac Plage en Sarlat' uitgewisseld.

Personages

Opvallend, zeker gezien de flaptekst van Laatste schooldag is de afwezigheid van leerlingen. Leerlingen komen voor in het onderwijs, dat Siebelink kent 'als geen ander', maar ze spelen in dit boek geen rol. De leerlingen zijn slechts de beulen van de mannelijke leraren die hun ondergang in de school tegemoet gaan. Ook de vrouwen zijn zwak vertegenwoordigd in deze verhalenbundel. In 'De ochtend van Waterloo' zien we even op afstand een conrectrix en in 'Ereprijs' een gymnastieklerares als verleidster. Daarmee is de bijdrage van de 'zwakke sekse' gegeven. Zouden zij het in de wereld van Siebelinks onderwijs minder moeilijk hebben dan de mannen, die ten prooi vallen aan de verleiding van mooie jongens en verliefde meisjes'? Zouden zij minder last hebben van 'fusiehaalbaarheidscommissies',?

Johan Diepstraten zegt in de Stem in twee figuren absoluut niet te geloven: de rector die fraudeert om zijn minnaresje te gerieven en de homoseksuele docent die tijdens de diploma-uitreiking bloemen wil uitdelen aan zijn geheime geliefde. De figuur van Onno Rijnstra in 'Met een half oog' daarentegen is zeer geloofwaardig. Het verhaal is voor een niet gering deel gebaseerd op autobiografische gegevens. Interessant is ook Oscar Kristelijn in 'Ereprijs', die vlak voor de laatste horde die hem uit zijn middenklassemilieu zal verheffen - het behalen van de academische titel 'doctor' - besluit een heel andere weg te gaan, die van bloemenman op het plein waar vroeger café Marktzicht zich bevond.

Thematiek

De besloten wereld van de school waarin je als docent niet te veel moet opvallen, maar genoeg om de schoolleiding te gerieven, is het onderwerp van Laatste schooldag. Een kleine verstoring van de balans, binnen een betrokkene of binnen de schoolgemeenschap, of beide, heeft gigantische gevolgen. De oorzaak van de 'ordeverstoring' wordt meedogenloos opgespoord en verwijderd. De 'oorzaak' is vaak een mens! Die verdwijnt dan van het tableau, meestal onvrijwillig, maar wel netjes. In een geval neemt een leraar op eigen initiatief afstand: Oscar Kristelijn in 'Ereprijs'.

Stijl

De stijl van Siebelink munt niet uit door soepelheid. Rob Schouten meldt in Trouw: 'Stilistisch is het werk van Siebelink nooit erg bijzonder geweest (met de roman De overkant van de rivier als uitzondering). Ook Laatste schooldag beantwoordt aan dat beeld, al valt de soms geforceerde harkerigheid van Siebelinks vroegere werk hier minder op. En ze wordt gecompenseerd door een toegenomen soepelheid in het neerzetten van decors.'

Literatuurgeschiedenis

Jan Siebelink is geboren op 13 februari 1938 in Velp. Zijn vader was kweker van bloemen. Het milieu waaruit hij afkomstig is, was zeer orthodox-christelijk. Zo bezocht Jan Siebelink de openbare school omdat de christelijke te 'licht' was. Siebelink is korte tijd in het lager onderwijs werkzaam geweest, bracht geruime tijd door bij de luchtmacht en ging uiteindelijk na een studie Frans werken aan het Marnix-College te Ede. Naast verhalen, novellen en romans schreef Siebelink voor diverse tijdschriften zoals Haagse Post en Vrij Nederland. Zijn late debuut (1975) is getiteld: Nachtschade. Voor de roman De overkant van de rivier ontving Siebelink in 1991 de Bordewijkprijs.
© 2007 - 2009 Cheri, gepubliceerd in Samenvattingen (Educatie en School) op 26-03-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Cheri is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Boekverslag: Laatste schooldag"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.