Samenvattingen en Blockmans

Blockmans & Hoppenbrouwers - Eeuwen des Onderscheids h3

Hier treft u een samenvatting van hoofdstuk 3 het boek Eeuwen des Onderscheids van Wim Blockmans en Peter Hoppenbrouwers.


3. De volksverhuizingen


Barbaren

Voor mensen die buiten de grenzen van het Rijk woonden, gebruikten de Romeinen een Griekse term: 'barbaren', oorspronkelijk de benaming voor iedereen die geen Grieks sprak. Men beschouwde de barbaren met een mengeling van angst, bewondering en minachting.

De waterscheiding tussen beschaafde Romeinen en onbeschaafde barbaren diende vooral een ideologisch doel. Ze had weinig te maken met de werkelijkheid. Het RR was een bruisende smeltkroes van culturen met een grote barbaarse component. Hun overwicht dankten de Romeinen hoofdzakelijk aan hun superieure organisatievermogen.

De barbaren van het noorden
Romeinse auteurs deden hun best om orde aan te brengen in de brij van barbaren die hen van alle kanten omringden. Zij deelden hen dus netjes in in nationes en gentes.

De globale driedeling die in veel moderne literatuur wordt gemaakt tussen Kelten, Germanen en Slaven is voor alle duidelijkheid niet aan de antieke etnografie ontleend. Wetenschappelijk gezien is het onzin.

Nu hadden de materiële culturen van alle barbaarse groepen die een Keltische, Germaanse of Slavische taal spraken wel degelijk een gemeenschappelijk fundament: een sedentair-agrarische levenswijze.

De boeren woonden in kleine nederzettingen van vijf tot tien boerderijen of op geïsoleerde hoeven.

De barbaren van het oosten en het zuiden
De niet-sedentaire barbaren die bij tijd en wijle een niet te onderschatten invloed op de Europese geschiedenis van de late Oudheid en de vroege Middeleeuwen hebben gehad, zijn te verdelen in twee grote categorieën: steppenomaden en woestijnnomaden.

Van de contacten van nomaden met agrarische samenlevingen ging voor de laatste altijd een potentiele dreiging uit.

Nomaden slaagden vaak in langdurige exploitatie van sedentaire groepen (1) dankzij hun grote mobiliteit en bekwaamheid in de martiale kunsten (2).

De dreiging die daarvan uitging voor West-Europa is altijd beperkt gebleven. Ten westen van de Karpaten ontbreekt eenvoudig de open ruimte die onmisbaar is voor zowel een vreedzame nomadische levenswijze als voor een echte 'Mongolenstorm'.

Van de woestijnnomaden of bedoeïenen hebben de Arabieren de grootste invloed op de middeleeuwse geschiedenis gehad. Ze waren aanwezig in de invloedssfeer van de Romeinen en Perzen.

De volkeren van de volksverhuizingen
Barbaarse groepen uit de tijd van de volksverhuizingen worden in de literatuur gewoonlijk aangeduid als stammen of volkeren. Nu verwijst 'stam' in de antropologie naar een bepaald stadium van politieke organisatie. Voorzover we kunnen zien, beantwoordden de meeste barbaarse groepen uit de volksverhuizingstijd niet aan deze definitie. Daarom wijzen wij de benaming 'stammen' af.

'Volk' heeft in de sociologie en antropologie twee betekenissen: etnische groep en natie; het verschil zit in de graad van politieke organisatie. Een etnische groep is een duurzame gemeenschap die zich los van enig staatkundig verband duidelijk onderscheidt door een eigen cultuur. Een natie is óf een etnische groep die een politieke invulling heeft gegeven aan zijn identiteit, óf een staatkundig verband dat zich bewust voordoet als een etnische groep.

Aan het onderzoek naar etnische groepen in het verleden zitten tal van haken en ogen en dat maakt het buitengewoon lastig om barbaarse groepenn uit de volksverhuizingstijd als zodanig aan te merken.

Bijzondere omstandigheden kunnen de dynamiek van etnische groepen sterk vergroten en bovendien etnische sentimenten politiseren. Dat is precies wat in de volksverhuizingsperiode regelmatig is gebeurd: etnische groepen sloten zich met bijzondere oogmerken aaneen tot grote multi-etnische verbanden.

Wanneer dergelijke multi-etnische confederaties maar lang genoeg in stand bleven, konden ze uitgroeien tot nieuwe volkeren met een eigen identiteit, die echter voor een meer of minder belangrijk deel was geënt op de cultuur van de dominante - vaak naamgevende - groep binnen de confederatie. Dit proces wordt wel aangeduid als etnogenese. Vooral in de eerste jaren na de machtsovername door barbaarse groepen, die overal numeriek kleine minderheden vormden, kon etnische onderscheiding gaan dienen als criterium om het aantal mensen dat mee mocht delen in de voordelen van de nieuw verworven positie beperkt te houden. Dit zette aan tot vormen van etnische segregatie, die echter nergens lang vol te houden waren.

Verhuizingen

Achtergronden: push- en pull-factoren
Het traditionele geschiedbeeld van de volksverhuizingen gaat al terug op laat-antieke auteurs, die de toestroom van barbaren naar het Rijk stelselmatig in sombere en schrille toonaarden hebben geschilderd. Het dramatische effect wordt nog verder verhoogd door bewegingen die elk afzonderlijk vaak decennia - en soms nog langer - in beslag namen en die zich, bij elkaar opgeteld, over meer dan twee eeuwen hebben uitgestrekt, in een woeste wirwar van pijlen, op één geografische kaart samen te persen.

In werkelijkheid gingen achter de volksverhuizingen drie verschillende typen bewegingen schuil, waarvan grootscheepse invallen van barbaarse confederaties in het RR er slechts één was. Aan het andere uiterste stond de geleidelijke infiltratie van grensgebieden binnen het rijk door barbaarse boeren-kolonisten. tussen beide uitersten bevinden zich allerlei meng- en overgangsvormen. Een gemene deler is de formatie van barbaarse huurlingenlegers die werden ingeschakeld bij de grensverdediging of de bestrijding van binnenlandse vijanden.

De barbaarse inmenging in het RR werd steeds groter. Daar zijn verschillende oorzaken voor aan te wijzen, die enigszins schematisch zijn te herleiden tot push- en pull-factoren. De laatste hadden vooral te maken met ontwikkelingen binnen de Romeinse militaire organisatie, de eerste met sociaal-economische en politieke omstandigheden aan de barbaarse zijde van de noordelijke rijksgrens.

Al in de tijd van Julius Caesar maakten de Romeinen voor hun militaire operaties op aanzienlijke schaal gebruik van barbaarse hulptroepen. De barbarisering van de Romeinse legers zou in de late keizertijd echter door twee omstandigheden verder worden versneld. Ten eerste gingen de Romeinen tegen het einde van de derde eeuw over op een nieuw 'strategisch hoofdconcept'. Het grootste voordeel was een sterk verbeterde benutting van de actieradius van Romeinse hoofdmachtlegers. Daar stond als nadeel tegenover dat de grens gemakkelijk kon worden gepenetreerd. Men heeft geprobeerd dat bezwaar te ondervangen door de vorming van menselijke bufferzones van groepen barbaren die toestemming kregen om hun woongebieden buiten de rijksgrenzen uit te breiden over dunbevolkte gedemilitariseerde zones binnen de limes. Vanaf die tijd werden regelmatig overeenkomsten afgesloten met omvangrijke groepen die zich formeel onderwierpen, maar vervolgens bij elkaar mochten blijven, waarna ze zich dikwijls een grote mate van autonomie toe-eigenden.

Het groeiende belang van de foedera voor de handhaving van de Romeinse orde stond niet op zichzelf en dat voert ons naar het tweede punt. De opvoering van de legioensterkten onder Diocletianus (284-305) en zijn opvolgers zorgde door gebrek aan autochtone mankracht voor een snelle toename van allochtone soldaten in de reguliere legioenen. Een logisch uitvloeisel was het doordringen van barbaarse krijgsaanvoerders tot de top van de Romeinse militaire commandostructuur.

Het foederati-beleid verleidde steeds nieuwe barbaren tot een inval en hun leiders leken wel een beetje op geesten uit een fles: eenmaal opgeroepen waren ze maar moeijlijk in toom te houden.

De belangrijkste push-factor achter de groeiende instroom van barbaren in het Rijk is uiteindelijk terug te voeren op het enorme verschil in economische potentie en daardoor ook in rijkdom en welvaart tuusen het RR en de barbaarse wereld van vooral Noord- en Midden-Europa. Van de Romeinse rijkdom werd aan de overzijde van de limes in zeer ongelijke mate geprofiteerd. Deze situatie leidde tot een verscherping van sociale tegenstellingen. Deze uitte zich in een geregelde hergroepering van barbaarse confederaties buiten de rijksgrenzen, in een verhoging van de migratiedruk en vaak ook in gewelddadige invallen.

Chronologie
De gebeurtenissen die het symbolische begin van de volksverhuizingen inluidden, hadden echter niets te maken met ontwikkelingen in de Romeinse-barbaarse contactzone, namelijk het verschijnen van de Hunnen in de westelijke steppen van Centraal-Azië. De terreur die deze Altaïsche nomaden in het Zwarte-Zeegebied zaaiden dreef een grote groep Goten op de vlucht. Deze groep vroeg en kreeg in 376 toestemming om de Donau over te steken. De Goten kwamen in opstand en hakten een Oost-Romeins leger in de pan bij Adrianopel (378). Aan de Goten werd toen de status van foederati verleend en ze kregen woongebieden in hte huidige Servië toegewezen. In het eerste decennium van de vijfde eeuw trok Alarik tweemaal door Italië als foederatus van de Oost-Romeinse keizer, die een einde wilde maken aan de macht van Stilicho in het westen . Zijn opvolger maakte rechtsomkeerten leidde de Goten uit Italië naar Gallië. In 418 werd een nieuw foederati-contract gesloten, waarbij de Goten een deel van de provincie Aquitanië kregen toegewezen.

Het rijk van de Goten - of Visigoten zoals ze van toen af dikwijls werden genoemd - breidde zich in de loop van de vijfde eeuw uit over het grootste deel van Gallië ten zuiden van de Loire en over het Iberisch schiereiland.

In dezelfde tijd dat de Goten in Aquitanië arriveerden, verlieten de Romeinse legioenen Spanje. Dat leidde wel tot voortdurende onderlinge strijd tussen Vandalen, Sueben en Visigoten. In 429 staken volgens eigen opgave 80.000 Vandalen - mannen, vrouwen en kinderen - de zeeengte tussen Spanje en Marokko over.

Van andere verplaatsingen van hetzelfde type, zoals die van Burgundiones, weten we veel minder. Ze vormden, mogelijk als foederati, in het eerste kwart van de vijfde eeuw een legendarisch koninkrijk langs de midden-Rijn. Toen hun macht in het midden-Rijngebied was gebroken, raakten de Bourgondiërs opnieuw op drift, totdat ze uiteindelijk een gebied beheersten dat zich ongeveer uitstrekte van Bazel in het noorden tot Avignon in het zuiden. In 534 werd 'Bourgondië" door de Franken veroverd en toegevoegd aan de koninkrijken van de Merovingen.

Bij de Franken en de Alemannen was eerder sprake van een geleidelijk opschuiven, dat in de tijd niet precies is te volgen en dat gepaard ging met boerenkolonisatie.

Het midden tussen een 'tocht' en de kolonisatie van aangrenzend gebied vormen de invallen van Noord-Duitse en Zuid-Scandinavische barbaren in Engeland. De echte vestiging van deze groepen gaat terug tot het begin van de vijfde eeuw, toen de Romeinen hun reguliere troepen terugtrokken uit Engeland en de verdediging tegen barbaren uit Ierland en Schotland, waaronder de Picten, overlieten aan Angelen, Saksen, Juten en Friezen uit de continentale kustgebieden langs de Noordzee, die daartoe, alweer, formeel de status van foederati kregen.

Een geheel nieuwe fase in de geschiedenis van de volksverhuizingen werd ingeluid toen in 476 geen aparte keizer meer over het westelijk rijksdeel werd aangesteld. In elk geval kon op dat moment de fictie worden gevestigd van een opnieuw ongedeeld RR. Keizer Zeno wist de Ostrogotische aanvoerder Theodorik listig over te halen tot een veroveringstocht naar Italië, waar Odovakar nog altijd de touwtjes in handen had.

Ofschoon Theodorik er alles aan deed om zijn koninklijke gezag als een door de keizer van Constantinopel gedelegeerde bevoegdheid voor te stellen, maakten de feitelijke onafhankelijkheid en de groeiende macht van de Ostrogoten nieuwe interventies in Italië onvermijdelijk. Ze resulteerden in 535 in de Gotische oorlogen. Zoals gebruikelijk zijn daarbij regelmatig barbaarse foederati ingezet, onder andere Langobarden. Toch lag aan de grote inval van de Langobarden in Italië in 568 geen rechtstreekse opdracht of verzoek van de keizer in Constantinopel ten grondslag.

Binnen enkele jaren wisten de Langobarden grote, maar territoriaal niet aaneengesloten delen van Italië aan zich te onderwerpen. De Byzantijnen verloren veel terrein maar wisten toch belangrijke steunpunten te behouden, zowel langs de kusten en in het binnenland, alsmede de hele zuidpunt.

De laatste fase van de volksverhuizingsperiode begint als rond 570 onder Avaarse heerswchappij levende Slavische groepen uit het beneden Donaugebied de Balkan en Griekenland binnen. Begonnen als plundertochten, kregen de invallen, die, met regelmatige tussenpozen, ongeveer een halve eeuw zouden aanhouden, steeds meer het karakter van agressieve migraties met als doel blijvende vestiging.

Het karakter van de barbaarse vestiging
Door de verschillende vormen die volksverhuizingen hebben aangenomen, liep ook het karakter van de vestiging van barbaarse groepen uiteen. De enige gemeenschappelijke trek is dat de nieuwkomers overal kleine minderheden waren - zelfs in het huidige Engeland, waarover men lang een andere opvatting heeft gehad. De ene keer vormden invallende barbaren een dermate kleine groep dat ze niet onmiddelijk tot gebiedsbeheersing van enige betekenis konden overgaan.

In andere gevallen was kolonisatie van meet af aan de primaire drijfveer achter barbaarse ´invallen´. Ook dan moeten we ons van de aantallen betrokkenen niet al te grote voorstellingen maken.

Elementen van politieke organisatie: chiefdoms, gefolgschaften, koningschap
De noordelijke barbaren waren géén stammen in de antropologische betekenis. Ze stonden minstens één sport hoger op de ladder van politieke organisatievormen. Men spreekt dan van chiefdoms - een woord dat moeilijk in het Nederlands is te vertalen. Kenmerkend voor chiefdoms is de vorming van lokale elites die in staat zijn om hun machtspositie als het moet met geweld te handhaven. Daartoe moeten ze kunnen beschikken over gewapende volgelingen en bondgenoten die ze aan zich weten te binden door middel van materiële gunsten. Dit veronderstelt weer het voorhanden zijn van hetzij geregelde oorlogsbuit, hetzij geregelde agrarische overschotten, die bij de leiders terechtkomen en die zo omzetten in door hun krijgers of bondgenoten gewaardeerde prestigegoederen. De geregelde vervaardiging van prestigegoederen vereist enige economische specialisatie. Ten slotte is de maatschappelijke ongelijkheid in chiefdom-samenlevingen veelal religieus gesanctioneerd.

Romeinse bronnen duiden gewapende gevolgen van barbaarse krijgsheren aan met de term comitatus, maar populairder is de moderne Duitse vertaling, Gefolgschaft. De comitatus was net als de Romeinse clientela een relatie tussen een 'leider' en 'volgelingen' met wederzijdse verplichtingen en verwachtingen, maar verschilde toch in omvang en functie. De clientela kon zeer uitgebreid zijn en een erfelijk karakter hebben en diende vooral om de politieke positie van de 'leider' te versterken. De opkomst van Gefolgschaften past geheel in het eerder beschreven proces van militarisering van de noordelijke barbaarse wereld.

Dit alles maakte van de Gefolgschaften nog niet meteen vechtmachines van wagneriaanse allure.

In het westelijke deel van het RR vormden de nieuwe barbaarse overheersers overal koninkrijken en daarmee is het koningschap de dominante staatsvorm van middeleeuws Europa geworden. Het is de vraag of de barbaren gewoon de heerschappijvorm implanteerden die ze van oudsher bezaten, of dat het koningschap een nieuwe constructie was die, mede onder invloed van Romeinse opvattingen, geleidelijk zijn definitieve vorm heeft gekregen. Voor het laatste valt het meeste te zeggen.

Behalve een Romeins kregen de meeste barbaarse koningschappen in het Westen ook meteen een christelijk patina. Koningen werden graag voorgesteld als herders aan wie hun volk als een kudde schapen was toevertrouwd.

In de gebruiken ten aanzien van de opvolging in barbaarse koningschappen zijn vanaf het begin twee tendensen te onderscheiden: één tot erfopvolging en dynastievorming, en één tot electie door de belangrijkste aristocraten. Geen van beide principes is in zijn zuivere vorm toegepast.

Evenmin overheerste de opvatting dat koningkrijken deelbaar waren. Wel werd de uitoefening van het koningschap bij gelegenheid gedeeld, bijvoorbeeld tussen vader en zoon, of tussen twee broers, maar dat leidde vervolgens meestal niet tot een opdeling van het territorium. De Merovingen (Franken) vormen in dit opzicht een uitzondering.

De barbaarse koninkrijken

Wie de politieke kaart van Europa van omstreeks 200 zou vergelijken met die van rond 500 moet wel onder de indruk raken van het succes van die betrekkelijk kleine groepen invallers. Het meest uitgestrekte van die rijken was ongetwijfeld dat van de Visigoten. Hun macht reikte aan het einde van de vijfde eeuw van de Loire in het noorden en de Rhône in het oosten tot aan de zuidpunt van het Iberisch schiereiland. Aan het Gotische rijk in Spanje kwam een even abrupt als radicaal einde in 711 (moslims olv Tarik).

Nog kortstondiger bleken de koninkrijken van de Bourgondiërs in de Rhônevallei en de Savoie, van de Vandalen in Noord-Afrika en van de Ostrogoten in Italië. Het eerste werd, zoals gezegd, in 534 door de Franken veroverd. Het tweede kwam na een korte campagne in 533 terug in handen van de keizer van Constantinopel, dus ruim één eeuw na de oversteek van de Vandaalse confederatie naar Noord-Afrika.

Dat het rijk van Theodorik na zijn dood snel ineenstortte, had hoofdzakelijk te maken met de aspiraties van de Oost-Romeinse keizer Justinianus om Italië daadwerkelijk terug bij het RR te voegen.

Over het rijk - of de rijken - van de Langobarden in Italië, dat tot de Frankische verovering in 774 zou standhouden, zijn historici de laatste jaren positiever gaan denken. Vroeger zag men de Langobarden graag als onbedorven woeste barbaren die nog nauwelijks in aanraking waren geweest met de beschaving.

Minstens zo verbazingwekkend als de snelle ondergang van het koninkrijk van de Ostrogoten zou een waarnemer in 500 de snelle opgang van het regnum francorum, het koninkrijk van de Franken, hebben gevonden. Na Childeriks dood in 481 breidde Clovis zijn macht in het noorden van Gallië verder uit, maar de grote successen kwamen pas later in zijn leven. in 507 versloeg hij de Visigoten. Het leverde hem in één klap Aquitanië op. Vervolgens schakelde hij in meedogenloze campagnes enkele rivaliserende Frankische koninkrijkjes in het Rijnland uit, waaronder dat van de Riquarische Franken rond Keulen. Onder Clovis' opvolgers werd het rijk van de Bourgondiërs geannexeerd. Andere buren werden in enige vorm van afhankelijkheid gedwongen.

Het beeld, ten slotte, dat we van Groot-Brittanië omstreeks 500 hebben, is volstrekt diffuus. De groepen Angelen en Saksen die Engeland sinds het begin van de vijfde eeuw als foederati waren binnengekomen, hadden zich er permanent gevestigd en vermengd met de Romano-Britse bevolking. Het overwicht van de invallers was toch wel zo groot dat zij hun taqal hebben kunnen opleggen. Hele delen van Groot-Brittanië bleven echter buiten bereik van de Angelsaksische vestiging. Cornwall (tot de negende eeuw), Wales en Schotland behielden daardoor hun Keltische taal en hun eigen karakter. In het door continentale barbaren beheerste Engeland ontstonden vele kleine 'koninkrijkjes' die elkaar voortdurend beoorlogden. Op den duur groeiden hieruit zeven grotere eenheden (Essex, Sussex, Wessex, Kent, East Anglia, Mercia en Northumbria). Van deze zeven heeft Mercia - dat we in de Midlands moeten situeren - in de vroege Middeleeuwen over het algemeen de grootste importantie gehad.

Segregatie of integratie?
Men heeft lang gedacht dat de barbaarse invallers er in hun nieuw gevestigde koninkrijken alles aan hebben gedaan om zich van de autochtone bevolking af te zonderen. Dat zou dan langs drie wegen zijn gebeurd: via het verbieden van gemengde huwelijken, via het doorvoeren van het beginsel van rechtspersonaliteit en door willens en wetens het arianisme, een ketterse richting binnen het christendom, aan te hangen. De laatste tijd wordt ernstig getwijfeld, niet alleen aan de mogelijkheden om strikte segregatie op etnische en religieuze basis te effectueren, maar ook aan de wil van barbaarse koningen om apart te blijven.

Van de genoemde segregatiemiddelen is rechtspersonaliteit - het beginsel om elke etnische groep of sociale categorie binnen een staatkundig geheel volgens haar eigen recht te behandelen - het meest problematische. De indruk bestaat dat barbaarse machthebbers nooit principieel voor rechtssegregatie waren maar die in het begin in de dagelijkse praktijk toch moesten tolereren doordat rechtszoekenden zich op hun eigen traditionele rechtsregels bleven beroepen, barbaren op hun gewoonterecht, Romeinen op geschreven Romeins recht. De koning moest dus desgevraagd in beide kunnen voorzien.

Per saldo zijn de aanwijzingen voor bewust nagestreefde segregatie dus maar dun. Alleen gedurende korte tijd na de overname van de macht in een bepaald gebied was segregatie een optie, maar die werd ingegeven door de wens van barbarenleiders om de beloning van hun krijgers te garanderen en op een permanente leest te schoeien en niet door een weloverwogen politiek van apartheid. Alleen onder bepaalde omstandigheden werd op etnische sentimenten gespeeld.

Hiertegenover zijn de bewijzen van integratie talrijker en sterker. Barbaarse invallers en autochtone populaties zijn overal spoedig na komst van de eerste archeologisch nog maar moeilijk uit elkaar te houden, hetgeen wijst op snelle acculturatie. Daarnaast gaven de invallers bijna overal snel en gemakkelijk hun eigen taal op.

Proto-natievorming
Buiten Italië heeft integratie tussen barbaarse minderheden en autochtone meerderheden bijgedragen aan het ontstaan van een nieuw besef van bovenlokale saamhorigheid, van het idee dat men samen één volk vormde. Waar dit besef sterk gepolitiseerd was, dat wil in deze context zeggen: zich nauw verbond met het koningschap, zou men van proto-natievorming kunnen spreken.

Bij de beschouwing van proto-natievorming in de vroege Middeleeuwen dienen we natuurlijk elke gedachte aan modern nationaal bewustzijn uit te bannen - vandaar dat 'proto'. De barbaarse koningen beschikten bij lange na niet over de militaire en communicatieve mogelijkheden om de uitgestrekte gebieden waarover hun macht zich in naam uitstrekte, ook volledig en continu te beheersen. Ze moesten daarom, of ze wilden of niet, altijd een grote mate van lokale en regionale autonomie tolereren.

De Arabische veroveringen

In ongeveer dezelfde tijd dat de Langobarden Italië binnenvielen en groepen Slaven uitzwermden over de Balkan, werd in Mekka, aan de westkant van het Arabische schiereiland, Mohammed (ca. 570-632) geboren. Wat we van hem weten, weten we uitsluitend uit de Arabische overlevering, die pas eeuwen later op schrift is gesteld, verre van onbevooroordeeld is en niet via andere bronnen kan worden gecontroleerd. Volgens die overlevering kreeg Mohammed op latere leeftijd visioenen waarin God zijn wil aan hem openbaarde. Op bevel van Allah droeg Mohammed de openbaring uit, werd hij Allah's profeet. Zijn aanhang breidde zich toen snel uit over het westen en zuiden van Arabië. Onder zijn eerste opvolgers (kaliefen) verliep de expansie van de Mekkaanse macht, die hand in hand ging met de verbreiding van het nieuwe geloof, de islam, in een onvoorstelbaar tempo. Binnen een eeuw na Mohammeds dood reikte de Arabische macht van Spanje in het westen tot Samarkand en de Indusdelta in het oosten. Het centrum ervan was kort na 660 verplaatst van Mekka naar Damascus, de zetel van de kaliefen uit het geslacht der Umayyaden. Deze beslissing is van immens belang geweest voor de Arabische cultuur, die daardoor sterke Syrische en Perzische invloeden heeft ondergaan.

De snelle Arabische expansie verliep niet zonder problemen. Sommige hadden te maken met opvolgingskwesties, de meeste echter met de beheersing van het enorme gebied dat de Arabische legers hadden veroverd. Van een gebiedsdekkende bezetting kon gezien de geringe omvang van de bevoling van Arabië geen sprake zijn, dus vestigden de Arabische krijgers zich als een heersende bovenlaag in steden en stadjes.

Om in hun onderhoud te voorzien ontvingen de Arabische soldaten-immigranten in de veroverde gebieden van het Midden-Oosten een uitkering uit de belastingen die onderworpen bevolkingen op moesten brengen. De hoogte van zo'n uitkering was afhankelijk van de status van de uitkeringsgerechtigde. De instandhouding van dit systeem, dat een verbazingwekkende bureaucratie veronderstelt, riep op den duur spanningen op tussen zowel uitkeringsgerechtigde Arabieren onderling als tussen de Arabische bovenlaag en de autochtone bevolkingen. Aan het begin van de achtste eeuw is hieraan een einde gemaakt en zijn Arabische en niet-Arabische moslims fiscaal gelijkgeschakeld - dit heeft bekering tot de islam zeer bevorderd. Maar de Arabische bovenlaag bleef de bestuurlijke en militaire macht monopoliseren en dat was op den duur onacceptabel voor de autochtone elites. Van deze onvrede wist abu-Abbas al-Saffah, telg uit een ander Mekkaans geslacht dat verwant was aan de Profeet, in 749 gebruik te maken door in het noordoosten van Iran een opstand tegen de Umayyaden te ontketenen. De opstand lukte en leidde tot het kalifaat van de Abassieden, die een nieuwe hoofdstad lieten bouwen aan de Tigris: Bagdad.

De Abassieden voerden een rigoreuze centralisatiepolitiek, die leidde tot verdere bureaucratisering. Deze politiek stond of viel met de effectiviteit van de machtsmiddelen waarover de kaliefen konden beschikken - en dan vooral de militaire steun van de Iraniërs die de Abbasieden in hte zadel hadden geholpen. Overal sluimerde regionaal separatisme. Sommige kaliefen hebben geprobeerd het tij te keren door het treffen van hervormingsmaatregelen. Al-Mutasim (833-842) was de eerste die experimenteerde met uit eigen zak betaalde legertjes, voornamelijk bestaande uit slaven afkomstig uit afgelegen grensgebieden. Dit zou het begin zijn van een lange traditie in de islamitische wereld. In de tiende eeuw ontstond het systeem van wat in het Arabisch mamlukken heette. Daarbij werden krijgers te paard van onvrije status ingedeeld in compagnieën van beperkte omvang onder een eigen commandant, door wie ze werden betaald en aan wie ze gehoorzaamheid verschuldigd waren. Dit schiep een sterk esprit-de-corps, waarvan homoseksuele relaties niet zelden een onderdeel vormden.

Een tweede maatregel die bedoeld was om het hoofd te bieden aan de crisis was de uitgifte van zogenaamde iqta. Dat waren contracten waarbij de staatsinkomsten binnen een bepaald gebied voor een beperkte periode aan een hooggeplaatst persoon werden verleend die dan over dat gebied zowel het civiele als militaire bestuur waarnam. Als tegenprestatie verplichtte de houder van de iqta zich tot de betaling van troepen, indien hij een militair commando bekleedde.

Na het eerste kwart van de tiende eeuw bleef van de macht van de kalief niet veel meer over. De touwtjes kwamen in handen van zijn militaire oppercommandant die de titel amir al-umara ging voeren. Dit ambt werd vanaf de tweede helft van de tiende eeuw vrijwel gemonopoliseerd door de Buyiden.

Dat de Buyiden een eigen vorstendom konden creëren, was symptomatisch voor het uiteenvallen van het Arabische eenheidsrijk - dat feitelijk al een precedent had in 750, toen de laatste der Umayyaden uit Damascus wist te ontkomen naar Spanje, waar de dynastie nog eeuwen aan de macht zou blijven zonder zich veel van Bagdad aan te trekken.

Vooral in de noordelijke grensgebieden leidde de politieke fragmentatie tot een ernstige militaire verzwakking en het waren de kleine rijkjes van Armeense en Koerdische heersers die de eerste klappen opvingen van respectievelijk hernieuwde Byzantijnse aggressie en van Turkse nomaden die na het begin van de elfde eeuw vanuit de steppen via Azerbeidjan Oost-Irak binnendrongen. Aan de andere kant bood het regionalisme ook kansen voor de vorming van nieuwe sterke kernen, zoals de opkomst van de Fatimieden laat zien. In 969 veroverden de Fatimieden Egypte, waar ze een nieuwe hoofdstad lieten bouwen, al-Qahira. Eerder hadden ze zichzelf al tot kalief uitgeroepen. Aangezien de Umayyade heerser over Spanje veertig jaar tevoren hetzelfde had gedaan, waren er tegen het einde van de tiende eeuw drie kaliefen.

De Fatimidische macht bleef tot het midden van de elfde eeuw overeind, ondanks het bewind van enige op z'n zachtst gezegd merkwaardige kaliefen.

De kracht van de Fatimieden lag in het enorme prestige dat ze genoten, waardoor opvolging nooit een probleem was. Tenslotte genoot Fatimidisch Egypte welvaart. In de elfde eeuw was niet Bagdad maar Caïro het centrum van de islamitische wereld geworden.
© 2008 - 2010 Royale, gepubliceerd in Samenvattingen (Educatie en School) op 02-09-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Royale is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen

Bronnen en/of referenties

  • Blockmans & Hoppenbrouwers - Eeuwen des Onderscheids, Bert Bakker, Amsterdam, 2006

Reageer op het artikel "Blockmans & Hoppenbrouwers - Eeuwen des Onderscheids h3"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.