Samenvattingen en Volksopvoeding

Van kind tot burger: Volksopvoeding via het onderwijs in NL

Dit artikel betreft een samenvatting van het boek 'van kind tot burger: volksopvoeding via het onderwijs in Nederland. Dit stond in 2007 en staat in 2008 op de examenlijst van Geschiedenis voor HAVO/VWO. Deze samenvatting is een goede vervanger voor het boek, maar garandeert geen volledigheid.


Inhoud


Nederland 1780-1848

Staatkundige indeling
Nederland was een republiek, een staat zonder vorst, sinds de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Bij de Vrede van Munster (1648) werd het pas officieel.

Staatkundig was het geen eenheid, maar een statenbond (bond van zelfstandige gewesten). Alleen over het buitenland en het leger beslisten de Staten-Generaal (vertegenwoordigers van gewesten). Er waren grote verschillen: In Holland en Zeeland was de burgerij aan de macht, in Overijssel en Gelderland de adel. De Generaliteitslanden Noord-Brabant, Limburg en Zeeuws-Vlaanderen waren door veroverd en hadden geen eigen bestuur.

Er was weinig sprake van patriottisme, alleen was er een gevoel van verbondenheid door het gezamenlijk winnen van de 80-jarige Oorlog, en door de stadhouders (bijv. Willem van Oranje), die een strijd tegen Spanje leverden.

Religie
Ongeveer 40% van de bevolking was katholiek en 50% was gereformeerd (calvinistisch), de rest waren kleine groepjes van ander protestantse Kerken (Luthers) of Joods. De gereformeerde Kerk was bevoorrecht, zij streden al in de Oorlog tegen het Spaanse katholicisme. Mensen die niet gereformeerd waren, werden niet vervolgd, maar wel als tweederangs burgers beschouwd. Deze verdraagzaamheid is mede te danken aan de welvaart en handel in de Gouden Eeuw. (Katholieken mochten alleen in het geheim belijden ? schuilkerken).

Standenmaatschappij
De Republiek was verder nog een standenmaatschappij, je afkomst bepaalde je stand.
  • De gegoede burgerij vormde de top (10%), het waren vaak grote, rijke ondernemers en andere succesvolle mensen. De hoogste functies werden ook onder hen verdeeld (regenten) en daar kwam veel vriendjespolitiek bij kijken.
  • De kleine burgerij kwam daarna (25%), die bestond voornamelijk uit kleine winkeliers, ambachtslieden en boeren.
  • De overige 65% waren de volksklasse (kleine boeren, werklieden, arbeiders en dienstpersoneel) en de bedeelden (onderaan de maatschappelijke ladder), zij kregen een ‘bedeling’ van de overheid of Kerk.

In het begin aanvaardde men deze standen als door God gewild, je mocht vooral niet boven je stand gaan leven.

Economie
In de 18e eeuw ging de Republiek economisch achteruit, omdat andere (gecentraliseerde) landen hun handel gingen beschermen, dus er was minder internationale handel. Napoleon vocht hard tegen Engeland, maar die heerste over de zee en maakte scheepvaart voor Nederland bijna onmogelijk. Het zwaartepunt verschoof van handel en nijverheid terug naar de landbouw.

Velen hebben deze verarming aan het gebrek van de Nederlandse morele instelling gewijd: men investeerde in de ‘dure’ Franse cultuur (theater, boeken, mode). Later worden de paupers (grote armoedzaaiers) als bedreiging gezien: zij zouden in verzet kunnen komen, zij waren onbeheerst en goddeloos. Dit beeld werd soms ten onrechte toegepast op de hele volksklasse.

Verlichting
In de 2e helft van de 18e kwam de Verlichting op. Het rationalisme was het belangrijkst:
  • mensen zijn van nature vrij en gelijk en hebben mensenrechten
  • de macht moet bij het volk liggen
  • iedereen moet opvoeding en onderwijs krijgen

Patriotten
Aanhangers heten ook wel patriotten (Vaderlandslievenden) en vooral onder de gegoede en kleine burgerij. Volgens hen zouden opvoeding en onderwijs een einde maken aan de armoede en achteruitgang. Initiatieven waren bijvoorbeeld:
  • Het uitschrijven van prijsvragen, met beloning
  • In 1784 werd de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen opgericht, die het volk zou moeten ‘verlichten’. De instantie wilde politiek neutraal zijn (praktijk was patriottistisch). Het had een gedecentraliseerd bestuur en ze stimuleerde het opzetten van scholen en bibliotheken.

Patriotten waren heel belangrijk voor de centralisatie: ze stelden het algemeen belang voorop. Ze propageerden met het verlicht burgerschapsideaal (je zo verlicht mogelijk gedragen), zo ontstond er een christelijk karakter (overigens niet zo in Frankrijk). Bovendien richtten ze zich niet alleen op de gegoede en kleine burgerij, maar op iedereen.

De patriotten waren niet eensgezind (waren ze nou democratisch of decentraal?). Ze wilden dat de gezagdragers voortaan werden gekozen, maar waren het niet eens over wie er dan kiesrecht moest krijgen. Bovendien wilde een deel sterke centralisatie, terwijl het andere deel vóór de zelfstandige gewesten bleef. De kritiek op de prinsgezinde en Willem V (beschermers van het gewone volk) bleef echter bestaan: de stadhouders hadden volgens hen te veel macht, maar ze vonden ook dat de vriendjespolitiek van de regenten moest ophouden.

Franse Revolutie
In 1787 versloeg de koning van Pruisen de legertjes patriotten en vluchtten veel naar het Zuiden. Door de Franse Revolutie (1789) keerde het tij: de Fransen verklaarden oorlog aan alle vorsten. Willem V vlucht naar Engeland, de Fransen riepen de Bataafse Republiek uit (1795, fluwelen revolutie). Nu konden ze zich bezighouden met het inrichten van de staat. De voorstanders van een eenheidsstaat pleegden in 1798 twee staatsgrepen, gesteund door de Fransen. Nederland werd een eenheidsstaat met een grondwet en een centrale regering. Wat veranderde er concreet:

Gevolgen van de Franse Revolutie
  • Sterke centralisatie, centrale regering = uitvoerende macht
  • Gekozen parlement, kiest regering = wetgevende macht
  • Autonomie gewesten afgeschaft
  • Kiesrecht voor mannen die zich in eigen onderhoud konden voorzien en konden lezen en schrijven
  • Vaststellen van de rechten van de burgers
  • Gelijkheid voor de wet, dus achtergestelde groepen (godsdienstig) werden volwaardige burgers
  • Standen werden afgeschaft
  • Scheiding van Kerk en Staat, er was geen bevoorrechte Kerk meer

In 1801 werd de grondwet al herzien, de regering kreeg meer en het parlement minder macht. Het censuskiesrecht werd ingevoerd (alle mannen die veel belasting betaalden, hadden kiesrecht).

In 1805 kwam de raadpensionaris RJ Schimmelpenninck alleen aan de macht.
Reden was dat meer kiezers tot teleurstelling in de politieke verdeeldheid had geleid, en de BR kwam steeds meer onder Frans toezicht te staan (in 1799 had Napoleon Frankrijk al veroverd). In 1806 maakte hij een einde aan de Bataafse Republiek en benoemde zijn broer Lodewijk Napoleon tot koning van het Koninkrijk Holland (1806-1810), waarna het ingelijfd werd bij Frankrijk tot 1813. Juist nu was er sprake van natievorming:

  • Standaardisatie van de taal en cultuur (Kon. Bibliotheek en Rijksmuseum), 1804 officiële spelling.
  • Lager onderwijs werd wettelijk en landelijk geregeld (1806)
  • Sociaal-economische wantoestanden bestreden (armenbestrijding), ook op nationaal niveau
  • Armenwet (1801), armenzorg onder toezicht van de staat
  • 1801: de gulden, de meter en de kilogram
  • Landelijke wetboeken, definitieve achternamen voor burgers, burgerlijke stand
  • Nationaal belastingstelsel en nationale post

In 1813 werd Napoleon deels verslagen, en de Fransen vluchtten. (Koning) Willem I, zoon van Willem V kwam weer aan de macht, maar onder een grondwet (1814).

Congres van Wenen
Op het Congres van Wenen (1815, Engeland, Rusland, Pruisen, Oostenrijk) werd besloten dat de Noordelijke en Zuidelijk Nederlanden weer één werden (constitutionele monarchie). Er was een Staten-Generaal, maar de ministers hoefden alleen verantwoording af te leggen aan de koning. De koning kon ministers benoemen en ontslaan, en buiten het parlement om regeren.

Ondanks de samenvoeging bleef er een verschil tussen Noord en Zuid: Zuid was deels Franstalig, katholiek en liberaal en armer. Zo was een nieuwe natie vormen moeilijk, maar Willem I begon toch met een cultuurpolitiek:
  • Gemeenschappelijke zeden en gebruiken
  • De nationale geschiedenis van Karel V (toen waren Noord en Zuid samen) werd belangrijk
  • Nederlandse taal

Het nationalisme kwam op (saamhorigheid van een volk). Toch is de integratie mislukt (1830) en België ontstond bij deze afscheiding. Na dit richtte Willem I zich op de protestants-christelijke geloofsovertuiging van vooral het Noorden.

Aardappelziekte
De economie stagneerde nog steeds, omdat er in het Noorden geen fabrieken waren (1815) en de werkloosheid was groot. Door de aardappelziekte in 1845 ging de landbouw ook achteruit. Dit trof de hele bevolking en worden ook de zwarte jaren genoemd (1845-1849). Veel mensen van de kleine burgerij zakten naar de volksklasse. Het gezinsloonmodel (kinderen moeten al op jonge leeftijd gaan werken om het gezin te helpen) leidde tot de armoedecyclus (armoede wordt van generatie op generatie doorgegeven).

Verandering in opvoeding en onderwijs (1795-1848)

Locke en Rousseau
Belangrijke schrijvers over opvoeding waren Locke en Rousseau. Volgens Lcoke waren kinderen niet van nature slecht (christendom), maar vormbaar in gedrag (tabula rosa, onbeschreven blad papier). Als goed gedrag werd beloond, gingen ze het goede wel doen. Volgens Rousseau werden kinderen door school in een keurslijf gedwongen, en moesten ze juist zelf bepalen wat ze wilden leren: de opvoeding moest natuurlijk zijn, de opvoeder slechts een begeleider.

De centrale opvatting was dat kennis zou leiden tot deugd. Hiëronymus van Alphen schreef het eerste kinderboek, waaruit kinderen konden leren wat deugdzaam was.

Standenonderwijs
Het onderwijs zoals het nu was, bood geen aanvulling aan deze deugdopleiding. De leerstof varieerde per streek of stad, want het was een gezamenlijk belang van de Kerk en de plaatselijke overheid. Er was sprake van standenonderwijs (alléén lager onderwijs):
  • Gewone kinderen gingen naar stadsscholen die werden gefinancierd. Ze moesten schoolgeld betalen maar niet veel
  • Arme kinderen gingen naar armenscholen, die werden gefinancierd door de Kerk. Zij hoefden geen schoolgeld te betalen
  • Rijke kinderen gingen naar particuliere scholen, die niet werden gefinancierd. Zij moesten daarom heel veel schoolgeld betalen

Kritiek van verlichtingsdenkers
Zwakke punten volgens verlichtingsdenkers:
  • De gebouwen waren te krap en te benauwd
  • Onderwijzers verdienen te weinig en waren slecht opgeleid (er waren geen opleidingen tot)
  • Het ging vooral om lezen en uit het hoofd leren, niet om begrijpen (catechismus opdreunen)
  • Lijfstraffen werden toegepast
  • Scholen waren eenmansbedrijven (er was maar één onderwijzer)
  • Het onderwijs was niet-klassikaal (elke leerling eigen opgaven, ouderen moesten jongeren helpen)
  • Er waren geen vaste programma’s of schooltijden, verzuim was erg makkelijk

Men geloofde dat door klassikaal onderwijs de leerlingen onderling gingen wedijveren over wie de beste was en zo werden de prestaties geoptimaliseerd.

Nationalisme in het onderwijs
De Bataafse Republiek wilde dat alle kinderen naar school zouden gaan. Het was een belangrijk middel om verlicht burgerschap bij te brengen, een nationale eenheid te creëeren en de deugden te herstellen. In 1799 namen ze de 1e maatregel: een minister van Nationale Opvoeding (vd Palm). In 1806 kwam de schoolwet tot stand: het lager onderwijs werd gedemocratiseerd, gemoderniseerd en gecontroleerd:

  • Zoveel mogelijk kinderen moesten het onderwijs volgen, opvoeding volgens de deugden
  • Leerplicht werd ingevoerd
  • Behalve armenscholen werd niets meer kosteloos
  • Nationale eisen aan lesmateriaal/stof en salarissen
  • Klassikaal onderwijs
  • Algemeen christelijk karakter, geen leerstellingen van één bepaalde Kerk meer
  • Lijfstraffen werden afgeschaft
  • Nationaal toezicht
  • Geen oprichting van nieuwe scholen zonder toestemming van de overheid
Dit zijn dus vooral inhoudelijke veranderingen.

Wat niet veranderde:
  • Schoolbesturen en scholen bleven bestaan
  • Onderscheid tussen openbaar (overheid financiert) en bijzonder (niet gefinancierd) onderwijs bleef
  • Niet alle moderniseringen bleken overal te kunnen worden uitgevoerd
In 1811 waren er 1775 openbare en 869 bijzondere scholen.

Ministerie van Onderwijs
In 1918 kwam er pas een Ministerie van Onderwijs, daarvoor viel het onder Binnenlandse Zaken. Adriaan van den Ende was feitelijk oprichter van de schoolwet en landelijk hoofdinspecteur:
  • Schoolopzieners, die het oprichten van nieuwe scholen stimuleerden en examens afnamen.
  • Plaatselijke overheden moesten meer geld uittrekken voor hun scholen
  • Handboek voor de onderwijzers (zwakke punten van het oude systeem)

Succes (gedeeltelijk), namelijk:
  • Gecentraliseerd onderwijs
  • Onderwijsresultaten vielen tegen
Er ontstond veel weerzin bij de bijzondere scholen, omdat de aandacht van Van den Ende vooral naar openbaar ging.
Er was nu klassikaal (stil) onderwijs, en leerlingen werden ingedeeld in drie klassen, als je de leerstof van de ene klas beheerste kon je op naar de volgende.

Moeilijkheden:
  • Tekort aan vakbekwame onderwijzers
  • Drie klassen zaten nog wel in hetzelfde lokaal (pas halverwege 19e eeuw eigen lokalen)
  • Leslokalen moesten aan eisen voldoen en daar was vaak te weinig overheidsgeld voor
  • De nationale overheid had nauwelijks geld voor alle hervormingen
  • Plaatselijke overheden wilden geen geld afstaan aan de landelijke overheid

ABN
Naast lezen, schrijven en eventueel rekenen, stond het gebruik van ABN belangrijk aangeschreven. De standaardspelling kwam in 1804 (Siegenbeek), die veel g’s had. Ze bleef bestaan tot 1883.
De invloed van de overheid:
  • Zorgde voor moderne gestandaardiseerde leermiddelen
  • Landelijke boekenlijst die iedere school moest gebruiken (1810)
  • Sterk moraliserende en vaderlandslievende invloeden

Het Nut
Het ‘Nut’ speelt bij dit alles een belangrijke rol:
  • Uitgever van veel boeken (maatschappelijke en christelijke deugden, vooral gehoorzaamheid)
  • Publicaties van nationalistische liederen (schoolzang)
  • Het stichten van modelscholen
  • Het publiceren van nuttige handleidingen voor onderwijzers
  • Het ontwikkelen van verantwoorde leermiddelen
  • Verbetering van de vakbekwaamheid (examens voor onderwijzers)
  • Betere salarissen (onafhankelijkheid van schoolgeld)
  • Status van onderwijzers (ouderlijke bemoeienis)

Schoolopzieners
De taken van de schoolopzieners:
  • Controle invoering van het klassikale stelsel
  • Aandringen op verbeteren van schoolgebouwen
  • Het scholen van onderwijzers en afnemen van examens (bij gebrek aan kweekscholen)
  • Bijeenkomsten van onderwijzers met als doel uitwisselen van informatie

Examens
Er werden vier examenrangen ingedeeld:
  1. schrijven, lezen en rekenen
  2. 1 + het vak Nederlands
  3. 2 + aardrijkskunde en geschiedenis
  4. 3 + wiskunde en biologie
Naar de rang was ook het salaris van de onderwijzer. Zo steeg ook het onderwijspeil.

Geen volledig succes
Helaas lukte de modernisering niet overal helemaal. Hoewel iedereen voor de wet gelijk was, bleef er standenonderwijs (armenscholen, tussenscholen, stadsscholen en particuliere scholen). Vooral bij de armen bleef het verzuim hoog. Een maatregel hiertegen was dat de ouders alleen maar werden bedeeld door de overheid als ze hun kinderen naar school stuurden. Er waren 2 soorten schoolverzuim: absoluut schoolverzuim (de kinderen gingen nooit), en relatief schoolverzuim (onregelmatig, met onderbrekingen of slechts enkele jaren schoolgaan). Oorzaken van dit laatste waren:

  • Het in de zomermaanden helpen met oogsten op het land (sommige scholen daarom zelfs dicht)
  • Vanaf 9/10 jaar van school gehaald om te werken (arbeidersklasse) of op te passen (dagloners).
  • Omdat de winter duurder was gingen kinderen dan wel (vanwege bedeling overheid)
  • Slechte kwaliteit soms, deed ouders afzien van school laten gaan.

Nederland 1848-1920

Veranderingen
Veranderingen in de 2e helft van de 19e eeuw:
  • Na 1870 economische groei, stoomkracht leidde tot schaalvergroting (fabrieken) en mechanisering
  • Landbouwcrisis in de jaren ’80, omdat VS en Canada goedkoper gingen produceren, moesten de boeren in NL dat ook: landbouwmachines.
  • Door verstedelijking breidde de dienstsector zich uit
  • Industrie en dienstensector werden belangrijker voor de werkgelegenheid
  • Mobiliteit van bevolking nam toe, dus naar steden trekken, dus urbanisatie (steden groeien enorm)
  • De bevolking nam toe door betere medische wetenschap (vooral vanaf 1880), hygiëne en voeding
  • Ontstaan van waterleiding, riolering en het ophalen van huisvuil
  • Kleine burgerij kon niet meer concurreren tegen de fabrieken en neemt af
  • Door groei in dienstensector ontstaat nieuwe middenklasse (kantoorpersoneel en ambtenaren)
  • De gegoede burgerij groeide met briljante mensen
  • Het standsonderscheid nam na 1870 sterk af ? meer sociale mobiliteit (opklimmen van klasse)
  • Boeren en werklieden werken gestimuleerd voor het burgerschapsideaal

Schommelende economie
Doordat een deel van de bevolking (fabrieksarbeiders) ongeschoold was, ontstonden er in de steden al snel sloppenwijken. Zij kregen veel kinderen (later economische en medische zekerheid), in de daarvoor veel te kleine huizen. Ze hadden alle redenen om te vrezen:
  • De economie schommelde, je was nooit zeker van je baan
  • Vrouwen en kinderen waren vaak goedkoper dan mannen, dus mannen kwamen werkloos
  • Door de daling van het sterftecijfer werden gezinnen groter, waardoor de armoedecyclus groeide

Koopkracht
Tussen 1870 en 1900 stegen bijna alle inkomens (eigenlijk koopkracht):
  • Het eten dat werd geïmporteerd uit de VS en Canada werd goedkoper
  • In moderne industriële ondernemingen stegen de lonen
Door stijging van de koopkracht konden vooral arbeiders hun geld aan het onderwijs besteden, i.p.v. alleen maar aan eten.

De rol van kinderen veranderde hierdoor ook:
  • Ze waren niet meer een verzekering als bron van inkomsten of later als ziekenverzorging
  • Er moest in ze geïnvesteerd worden in de vorm van liefdevolle zorg en onderwijs
  • Er werd gedacht over geboortebeperking (NIET door orthodox-protestanten of katholieken btw)
  • Het gezinsloonmodel werd vervangen door het kostwinnersmodel (alleen man was kostwinner)

Willem II
In 1840 trad Willem I af, opgevolgd door zoon Willem II. Het liberalisme kreeg meer aanhang, en in 1844 kwamen zij met een voorstel tot grondwetswijziging (Thorbecke), met als doel de macht van de koning te beperken. In de 2e Kamer hadden de conservatieven de meerderheid en wezen het voorstel af. In 1848 braken in verschillende landen revoluties uit tegen de vorsten. Willem II schrok zo, dat hij Thorbecke aanstelde de grondwetswijziging voor te bereiden. Wijzigingen waren:

  • Koning mag geen zelfstandige besluiten meer nemen, zijn macht was praktisch niets meer
  • Ministers moesten nu verantwoording afleggen aan het parlement (ministeriële verantwoordelijkheid)
  • De Tweede Kamer werd het belangrijkst, de Eerste Kamer kon alleen nog goedkeuren of afwijzen
  • Tweede Kamer werd gekozen op basis van censuskiesrecht (mannen & belasting)
  • Vrijheid van onderwijs: zonder toestemming nieuwe scholen oprichten en zelf kiezen waar je heen wil

Dit systeem heet een constitutionele monarchie met een parlementair stelsel: een staat met een koning zonder macht aan het hoofd, met een grondwet en een parlement waar de macht ligt.

Nachtwakersstaat
De liberalen waren rond 1850 goed vertegenwoordigd in de Tweede Kamer. Ze waren voor een nachtwakerstaat: de voornaamste taak van de overheid was te zorgen voor rust, orde en veiligheid.
Op sociaal-economisch gebied moesten ze niet ingrijpen en in het onderwijs alleen voor openbaar onderwijs zorgen. Ze waren ook voor het censuskiesrecht: iemand die veel te verliezen had, zou wel verantwoordelijk met het kiesrecht omgaan, was de gedachte erachter.

Burgerschapsideaal
Het welzijn van de staat berust op de niet-kiesgerechtigde burgers. Uiteindelijk zullen zij zich zo willen ontwikkelen dat ze ook kiesrecht konden krijgen --> burgerschapsideaal:
  • De ideale burger rekende zichzelf tot de beschaafde stand en voelde zich burger
  • Hij wist hoe hij zich volgens de ongeschreven regels moest gedragen in wisselend gezelschap
  • Hij leefde op basis van het kostwinnersmodel (man werkt, vrouw thuis, kinderen naar school)
  • De huiselijke sfeer stond centraal

Het leven van de burger verliep zo grotendeels zonder overheidsbemoeienis. Slechts 5% van de bevolking had kiesrecht, politiek was een zaak van deftige heren. Zij vonden wel dat het landsbestuur in goede handen was (meer dan 25% ging naar de stembus, de rest vond het blijkbaar onnodig).

Door de nachtwakersstaat was er wel veel vrijheid, maar de liberalen twijfelden, vooral op het gebied van onderwijs, kiesrecht en sociale kwesties, of er geen overheidsingrijpen nodig was. Er ontstond verdeeldheid: de conservatief-liberalen wilden de nachtwakersstaat behouden, de progressief-liberalen waren voorstander van overheidsingrijpen. De laatste kregen de overhand:

Fabrieksarbeiders
  • Parlementaire enquêtes (onderzoeken van de Tweede Kamer, onafhankelijk van de regering) bewezen de wantoestanden in de fabrieken
  • Ze bepleitten uitbreiding van het kiesrecht en benadrukten het belang van goed onderwijs
  • Orthodox-protestanten voerden de schoolstrijd (gelijkstellen van bijzonder aan openbaar onderwijs)
  • De sociaal-democratische arbeidersklasse schreeuwde om kiesrecht (1894: SDAP)

De nachtwakersstaat kwam steeds meer onder druk te staan.

Kinderarbeid
Kinderarbeid was eigenlijk nog heel normaal tot diep in de 19e eeuw, kinderen werkten mee met hun ouders op het bedrijfje of in het huishouden. Het kwam zeer veel voor in de textielindustrie en in de landbouw. De werktijden lagen niet vast: de bazen bepaalden hoe lang er gewerkt werd (gemiddeld 12 à 14 uur). Door de invoering van de stoommachines (1860) neemt de kinderarbeid toe:
  • Het werk in fabrieken werd lichter en daarom meer geschikt voor vrouwen of kinderen
  • De kleine bedrijven hadden liever goedkopere krachten, om zo de kosten te drukken en te kunnen concurreren met de fabrieken

Soms werden kinderen (eigenlijk werknemers in het algemeen) overbodig vanwege mechanisatie.
Fabriekswerk was meer dan andere soorten kinderarbeid een belemmering om naar school te gaan: er waren vaste werktijden en lange werkdagen.

Eerst werden de werkgevers van fabrieken als nobel gezien: zij hielpen arme gezinnen. Later kwamen zij onder kritiek te staan, toen men de nadelen zag:
  • De kinderen die in fabrieken werkten kregen geen onderwijs
  • Hun zedelijkheid en gezondheid liepen gevaar
  • Het werk kon gevaarlijk zijn (aandrijfstangen en drijfriemen ongelukken)
  • Het werk was vaak eentonig en geestdodend

Fabrieksscholen
Landbouw werd meer geaccepteerd, al bleef ook daar het probleem van schoolverzuim. In Twente werden er daarom fabrieksscholen opgericht: fabrieken die enkele uren per dag les gaven. Helaas gebeurde dit alleen in de grote ondernemingen, in de kleine bleef kinderarbeid bestaan.

Plaatselijke regeringen wilden hier rond 1870 wel wat aan doen, maar waren bang voor een slechte concurrentiepositie t.o.v. de fabrieken waar het nog wel gebeurde. Ze vroegen de landelijke overheid er iets aan te doen, gesteund door liberalen.

Tegenstanders voerden echter aan:
  • Er zouden alleen maar nog meer beperkende maatregelen volgen
  • Het probleem was van beperkte omvang, er werkten relatief weinig kinderen in de fabrieken, een wettelijke regeling was niet nodig en al helemaal niet wenselijk (het zou vanzelf wel verdwijnen)
  • Sommige gezinnen konden de inkomsten niet missen
  • Kinderen waren voor het precisiewerk in fabrieken onmisbaar
  • Deel van de regering ook tegen: Een verbod zou verkeerd uitpakken, als dit niet wordt gekoppeld aan leerplicht. Voor leerplicht was in het parlement geen meerderheid
  • De ouders zullen hun kinderen dan wel aan het werk zetten in het huis

Liberaal kamerlid Samuel van Houten kwam met het volgende wetsvoorstel (1873):
  • Algeheel verbod op kinderarbeid beneden de twaalf jaar
  • De mogelijkheid voor plaatselijke gemeenten leerplicht in te stellen van 8 tot 12 jaar

Bezwaren:
  • Men kan de ouders niet verbieden de kinderen voor hen te laten werken (dus alleen fabrieken)
  • Confessionelen waren tegen de leerplicht, die zou pas mogen ingevoerd worden als er financiële gelijkstelling werd bereikt tussen openbare en bijzondere scholen

De wet werd aangenomen, maar had in de praktijk weinig effect:
  • De uitzonderingen van veldwerk en huishoudelijk werk werden nogal ruim geïnterpreteerd
  • Leerplicht was niet in de wet opgenomen
  • Er kwam geen landelijke controle op het uitvoeren van de wet

De parlementaire enquête wees de mislukking ook uit:
  • Kinderarbeid kwam in fabrieken nog steeds voor
  • Het schoolbezoek was nauwelijks toegenomen
  • Er was een toename van kinderfabrieksarbeid boven de 11 jaar

Kiesrecht in herdebat
Vanaf 1870 werd er uitgebreid gedebatteerd over het kiesrecht (census zoals het nog was). In 1887 kwam er een overeenstemming tussen de partijen en een grondwetsherziening: de censusbepalingen werden geschrapt, maar het bleek moeilijk nieuwe criteria vast te stellen. Er kwam een caoutchouc-artikel: een artikel waarin een vage omschrijving werd gegeven van iemand die kiesrecht zou mogen hebben (mannen die voldeden aan kentekenen van maatschappelijke welstand en geschiktheid). Gevolgen:
  • Het percentage kiesgerechtigden verdubbelde van 12% naar 24%
  • De kleine burgerij kreeg toegang tot het kiesrecht en daarmee ook veel orthodox-protestanten en katholieken
  • De politieke betekenis van de confessionelen nam hierdoor toe, in 1888 verloren de liberalen de verkiezingen (1e socialist in de Kamer: Nieuwenhuis)

Algemeen kiesrecht
Belemmeringen van algemeen kiesrecht (in andere landen wél actief):
  • Algemeen kiesrecht ging tegen het liberale principe in dat zij die een productieve bijdrage aan de maatschappij leveren, recht hadden op politieke inspraak
  • Ook de armen zouden dan kiesrecht krijgen, en mensen die geen belasting betaalden mochten volgens velen ook geen inspraak hebben in het besteden van de belastingen

Toch wilden er groeperingen het uitgebreider of algemeen kiesrecht invoeren:
  • Progressief liberalen meenden dat zonder invoering poLitieke progressie onmogelijk was. Het kiesrecht zou een opvoedende werking hebben, als nieuwe kiezers worden voorgelicht
  • Socialisten dachten dat de sociaal-economische problemen volledig zouden verdwijnen als de arbeidersklasse ook politieke macht bezat.
In 1896 wordt het kiesrecht opnieuw uitgebreid, waardoor 50% van de mannen kiesrecht kreeg. Criteria waren nu: een eigen woning bezitten, een bepaald loon verdienen, geld op de spaarbank hebben en meer dan lager onderwijs hebben genoten.

In 1917 kwam algemeen kiesrecht tot stand (zie H4). Hiermee wordt Nederland een parlementaire democratie (het parlement heeft de hoogste macht en wordt door alle burgers gekozen). Voorspelbaar was dat de liberalen een klap zouden krijgen: hun zetelaantal daalde enorm. De socialisten dachten dat met algemeen mannenkiesrecht hun zetels zouden stijgen (waar, maarliefst 4 zetels :P), maar zij vreesden ervoor als ook vrouwen gingen stemmen (terecht, in 1922 verloren zij 2 zetels, terwijl de confessionelen er 9 wonnen, ten koste van de kleine partijen).

Sociale kwestie
Omstreeks 1870 heerste er de sociale kwestie (slechte omstandigheden van arme mensen):
  • Door economische groei was hun welvaart enigszins gestegen
  • Toch kwamen er nog steeds schrijnende armoede en wantoestanden voor
  • Zij namen geen deel aan het politieke of maatschappelijke leven, dat was voor de burgerij

Verband
De kiesrechtkwestie had ermee te maken: Liberalen zagen in dat deze groep uiteindelijk toch in de maatschappelijke en politieke samenleving opgenomen zou moeten worden. De vraag was of zij dit verdienden (liberale deugdzaamheid). Dit traditionele denken van de liberalen verandert door de sociale kwestie:
  • Sommige bevolkingsgroepen hebben hulp van de overheid nodig om het burgerschapsideaal te bereiken
  • De onafhankelijkheid moest via de overheid bevorderd worden
  • De koppeling tussen economie en kiesrecht werd losgelaten: geld had er niks mee te maken

Er werd aan burgerlijk beschavingsoffensief en sociale wetgeving gedacht. De liberalen waren ervan overtuigd dat de oorzaak van de slechte beschaving in de leefomstandigheden lag. Men moest hen beschaving bijleren, niet alleen hygiëne, etc. maar ook zelfbeheersing (met geld om kunnen gaan).

Sociale wetgeving
Tussen 1897 en 1901 was het progressief liberale kabinet Pierson-Goeman Bongesius aan de macht. Op het gebied van sociale wetgeving:
  • Ongevallenwet (werkgevers moesten werknemers tegen ongevallen verzekeren)
  • Woningwet (woningen konden onbewoonbaar verklaard worden, woningbouwverenigingen krijgen financiële steun om goede nieuwe huizen te bouwen)
  • Kinderwetten (bescherming van kinderen tegen verwaarlozing en mishandeling)
  • Leerplicht (zes jaar onderwijs vanaf 6 jaar was verplicht)

Er worden nieuwe instanties opgericht:
  • Orthodox-protestanten stichten hun eigen Gereformeerde Kerk (1892). Ambraham Kuyper was hierbij belangrijk (dagblad de Standaard, Vrije Universiteit en politieke partij (ARP))
  • De arbeidersklasse verenigde zich in vakbonden. De bekendste is de SDB (Sociaal-democratische Bond, o.l.v. Nieuwenhuis), al is het niet duidelijk of het nu een politieke partij of een vakbond was
  • Katholieken organiseerden zich in aparte arbeidersbonden

Dubbele loyaliteit
Deze groepen ontwikkelden een dubbele identiteit: naast loyaliteit aan Nederland ontstond er loyaliteit aan de eigen kring. Hierdoor werd de relatie tot de overheid soms problematischer:
  • Volgens Abraham Kuyper moest de overheid zich niet met de kringen in de maatschappij bemoeien
  • Liberalen vreesden dat de katholieken trouwer waren aan de paus van Rome dan aan Nederland
  • In de kiesrechtstrijd streden de niet-kerkelijke arbeiders tegen de gevestigde orde

De organisatie en emancipatie leidden tot wat meestal ‘verzuiling wordt genoemd: het leven in eigen groep, apart van andere groepen.

Veranderingen in opvoeding en onderwijs (1848-1920)

Schoolwet
De schoolwet van 1806:
  • Geen leerstellig onderwijs, algemeen christelijk karakter van scholen verplicht
  • Alle scholen toegankelijk voor leerlingen uit alle geloofsrichtingen

Orthodox-protestanten en katholieken wezen het algemeen christelijke karakter af, net als later de liberalen. Zij vroegen zich af of de rol van de overheid in het onderwijs niet te ver ging.

Scheiding van Kerk en Staat
Als gevolg van de scheiding van Kerk en Staat (1798) zou de overheid neutraal moeten zijn. Maar hoe kon dan de subsidie voor openbare scholen blijven bestaan, als bijzondere scholen die niet kregen?

In 1857 mochten katholieken en orthodox-protestanten eigen scholen stichten, maar die werden niet door de overheid betaald, waardoor het voor veel mensen te duur werd.

Schoolwet
In 1878 zorgde minister Kappeyne van de Coppello voor een nieuwe schoolwet:
  • Er mochten niet meer dan 40 leerlingen in één klas
  • De salarissen van onderwijzers gingen omhoog, maar er werden hogere eisen gesteld
  • Bouw en inrichting van de school moest aan strikte voorschriften voldoen
  • 30% van de kosten werd door de overheid overgenomen, als de school algemeen christelijk was
De overheidsuitgaven werden hierdoor verdubbeld.

Verplichte vakken
In 1857 werden er wat verplichte vakken gesteld: lezen, schrijven, rekenen, Nederlandse taal, vaderlandse geschiedenis, aardrijkskunde, kennis der natuur (planten en dieren), vormleer (meetkundig tekenen) en zingen. Dit had de volgende bedoelingen:
  • Meer een opleiding tot vakbekwaamheid, de vraag naar geschoold personeel nam toe
  • De sociale achtergrond mocht niet langer bepalend zijn voor het niveau van de lesstof (gelijk)
  • Het onderwijs moest voor sociale mobiliteit zorgen (kinderen zouden een klasse kunnen opklimmen)
  • Het rekenonderwijs droeg bij aan de armoedebestrijding (huishoudboekje bijhouden)
  • Schoolzang moest onderlinge saamhorigheid bevorderen
  • Geschiedenis bevorderde het nationale gevoel en denken (protestants tintje)

Schoolstrijd
Dit alles veranderde niets aan de betalingen van het onderwijs, en de schoolstijd barst los: de katholieken en orthodox-protestanten willen het bijzonder onderwijs gesubsidieerd hebben. De schoolstijd bracht de 2 geloven, eens zo fel tegen elkaar, samen aan één zijde.

Problemen voor confessionelen
De schoolwet van 1878 maakt het voor de confessionelen nog moeilijker, want zij moesten, ondanks het gebrek aan subsidie, toch aan al die eisen voldoen. Daardoor werd dit onderwijs voor de meeste mensen veel te duur. Zo leidde de vrijheid in onderwijs eigenlijk tot ongelijkheid in onderwijs. Immers, het belastinggeld waarmee het openbaar onderwijs werd betaald, werd ook door confessionelen opgebracht en dus hadden zij er evenveel recht op.

1888: Meerderheid confessionelen
Al eerder vermeld krijgen de confessionelen in 1888 de meerderheid in de Tweede Kamer (Mackay). Zij passen in 1889 de grondwet aan ten gunste van het bijzonder onderwijs: gedeeltelijke financiering (30%) van het bijzonder onderwijs werd onder bepaalde voorwaarden mogelijk, zodat de financiële ongelijkheid voor ouders werd opgeheven. Ook voor openbare scholen moest nu schoolgeld worden betaald, en alleen de bedeelden kregen het nog gratis. Van volledige financiering was hier nog geen sprake. Het zorgde er wel voor dat de openbare scholen neutraler en minder godsdienstig werden.

De ongelijkheid bleef echter wel bestaan, het confessioneel onderwijs bleef duurder en niet betaalbaar voor iedereen die dat wenste. Bovendien was er, vaak in dorpen, alleen maar een openbare school. Als er geen confessionele school was, gaf de Kerk het advies de kinderen maar helemaal niet naar school te sturen.

Historisch compromis
In 1917 werden zowel de kiesrechtkwestie als de schoolstrijd opgelost door een historisch compromis. Liberalen en sociaal-democraten wilden algemeen kiesrecht, waarvoor een meerderheid in de Tweede Kamer nodig was. De orthodox-protestanten en de katholieken, die tegen algemeen kiesrecht waren, wilden de liberalen en sociaal-democraten hierin wel tegemoet komen, in ruil voor dat zij vóór financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs zouden stemmen. Het werd als volgt geregeld:
  • In 1917 kwam er algemeen kiesrecht voor mannen, met de mogelijkheid dat het er ook voor vrouwen zou komen, wat in 1919 gebeurde.
  • Openbaar en bijzonder onderwijs werden financieel gelijkgesteld (dit heet onderwijspacificatie, definitieve vrede in de schoolstrijd) Hierdoor nam het bijzonder onderwijs enorm toe.

Leerplichtkwestie
Rest nog de leerplichtkwestie, waarover al sinds 1848 werd gedebatteerd. De meeste liberalen waren voor leerplicht:
  • Het was in het belang van de economische en maatschappelijke ontwikkeling van het land. Hierdoor zou aan de groeiende vraag naar geschoold personeel kunnen worden voldaan
  • Kinderen kunnen zo hogerop komen in de maatschappij
  • Het is zo makkelijker het burgerschapsideaal te bereiken
  • Uitbreiding van het kiesrecht zou mogelijk zijn.

Bezwaren
Bezwaren (ook van de liberalen) waren:
  • Op korte termijn betekende het een daling van het inkomen van de laagst betaalden
  • Er werd inbreuk gemaakt op het ouderlijk gezag, het maakte de ouders onmogelijk het kind nog naar eigen inzicht op te voeden, omdat ze eerst zelf konden bepalen of ze het kind naar school stuurden

Bezwaren van de confessionelen (tegen invoering op korte termijn):
  • Er moest eerst financiële gelijkstellig komen, anders zouden alle arme kinderen naar openbare scholen moeten gaan, omdat hun ouders bijzonder onderwijs niet konden betalen
  • Het zou betekenen dat als er geen confessionele schoOl in de buurt was, dat confessionele ouders hun kind naar een openbare school moesten sturen (stel je vóór)
  • Inbreuk op ouderlijk gezag

Bezwaren van de sociaal-democraten (tegen invoering op korte termijn):
  • Het onderwijs was sinds 1889 veel te duur voor arbeiders
  • Bij veel gezinnen betekent het een daling van het inkomen en een stijging van de uitgaven
  • Zulke gezinnen moesten compensatie krijgen in de vorm van schoolkleding/schoolvoeding, maar dat stond niet in het wetsvoorstel.

In 1900 diende het liberale kabinet Pierson-Goeman Borgesius het wetsvoorstel in, en het werd met een kleine meerderheid in 1900 aangenomen en in 1901 ingevoerd.

Doorleren
De functie van het lager onderwijs verschoof van een eindstation naar een opstapje naar het voortgezet onderwijs: steeds meer kinderen gingen doorleren. In 1863 werd het VGO uitgebreid met de Hogere Burgerschool (HBS). Voor de elite bestond er al het gymnasium.

Na 1857 bleef het standenonderwijs: er bleven armenscholen. Maar naast afkomst ging ook capaciteit een rol spelen: wie goed presteerde kon naar het VGO, alleen maakte weinig arme kinderen daar gebruik van, omdat ze moesten gaan werken.

Onderwijs groeit
De groei van leerlingen konden sommige scholen maar nauwelijks bijbenen. In 1878 waren er te weinig onderwijzers en klaslokalen. Dat kwam niet alleen door die groei, maar ook door de beperking van maximaal 40 leerlingen in een klas. Om het op te lossen werd het aantal kweekscholen vergroot, en jongeren die ’s avonds studeerden mochten overdag lesgeven. In de laagste klassen gingen zelfs onderwijzeressen les geven, mede doordat sinds 1878 ‘handwerk’ een verplicht vak was geworden, en daar waren vrouwen ‘zo goed in’.

De kwaliteit niet
Toch was het onderwijs nog steeds niet overal even goed:
  • Het schoolverzuim bleef bestaan
  • Scholen in steden konden de groei niet aan en konden niet iedereen een volledig programma bieden
  • Na hun 12e werden alsnog veel kinderen van school gehaald, omdat de leerplicht niet meer gold.

Lesmateriaal verbeterd
Vanaf 1860 werd het lesmateriaal verbeterd:
  • De inhoud van leesboekjes werd minder belangrijk, het ging om het lezen zelf
  • De moraliserende toon was uit de boekjes verdwenen (godzijdank)
  • De verwijzingen naar de standenmaatschappij verdwenen
  • Er werden naast de lei en de griffel nu ook schriften en inktpennen gebruikt
  • Leerprocessen moesten effectiever worden (aanschouwelijk onderwijs:)
  • Rond 1900 werd het leesplankje, aap-noot-mies ingevoerd
  • Er kwamen leerboekjes met afbeeldingen voor het moeilijkere onderwijs (bijv. aardrijkskunde)
  • Wandplaten voor aardrijkskunde, vaderlandse geschiedenis en kennis der natuur werden belangrijk

Klassikaal onderwijs
Rond 1900 werd het klassikale onderwijs door moderne onderwijzers in twijfel getrokken:
  • Het kwam aan op kijken en luisteren, herhalen en nazeggen
  • Tucht en discipline waren een voorwaarde, dat kon nooit zonder lijfstraffen
  • Door regelmatig verzuim bleven sommige kinderen achter en vertraagden zo de rest

Dus het moest worden:
  • Actief meedoen, liever zelf iets doen dan stilzitten en luisteren
  • De kennis blijft zo beter kleven
Voorstanders van het klassikaal onderwijs beweren dat dit teruggaat naar het onderwijs van vóór 1806

Interpretaties schoolvakken
Er bestond onenigheid over het vak vaderlandse geschiedenis tussen de confessionele en openbare scholen. In 1880 kwamen er lesboeken op de markt die een protestants nationalistisch standpunt innamen. Vooral de Hervorming, de Opstand tegen Spanje en de Gouden Eeuw werden benadrukt. Dit ging erg de protestantse kant op, terwijl de Katholieken meer met de Middeleeuwen ophadden.

Ook over schoolzang ontstond een discussie:
  • Op protestantse en openbare scholen werd veel gezongen over de opstand tegen Spanje (protestants karakter)
  • Het Wilhelmus werd eind 19e eeuw een meer nationaal volkslied
  • Aan het eind van de eeuw werden de liederen over het algemeen wat meer nationalistisch (oranjegezind). Koninginnedag werd belangrijker.

De sociaal-democraten die naar openbare scholen gingen, waren het niet altijd met dit repertoire eens, zij waren tegen verheerlijking van vaderland en koningshuis. Ook de katholieken vonden het protestantse karakter maar niks.

Ook over het doel van sommige vakken werd gediscussieerd:
  • Het vak vormleer had geen kunstzinnig doel, maar was gericht op het kunnen tekenen van bouwtekeningen. Het mocht geen vrij tekenen zijn.
  • Omdat arme kinderen niet met literatuur of kunst in aanraking waren gekomen, hadden deze vakken voor hen een opheffende waarde (het was voor hen moeilijker).
  • Volgens sommige onderwijzers waren teksten soms in strijd met wat arbeiderskinderen zouden moeten leren.

Relatief schoolverzuim
Het terugdringen van het relatieve schoolverzuim werd een taak van de gemeente en andere organisaties en verenigingen die daarbij betrokken waren (Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen) en ook van de scholen zelf. Relatief schoolverzuim kwam vaker voor bij meisjes, die moesten helpen in het huishouden, dan bij jongens, die moesten helpen op het land (in de zomermaanden). Dit wed opgelost met de handwerk lessen.

Absoluut schoolverzuim
Het absolute schoolverzuim was moeilijker te bestrijden. Het waren vaak kinderen uit de allerarmsten gezinnen die de hele tijd moesten werken. Sommigen gingen wel naar school, omdat hun ouders de steun (bedeling) van de overheid goed konden gebruiken. De leerplicht (1901) was een goede maatregel om het absolute schoolverzuim nog verder terug te dringen. Tussen 1860 en 1900 daalde beide vormen van schoolverzuim:
  • De economische groei maakte het voor meer mensen mogelijk hun kinderen naar school te sturen
  • Ouders zorgden voor een regelmatige schoolgang en lieten hun kind de school vaak afmaken
  • De kwaliteit was sinds 1857 aanzienlijk verbeterd, en het belang werd ingezien door ouders

Gevolgen leerplichtwet
Gevolgen van de leerplichtwet (vanaf je 6e minimaal 6 jaar naar school, 6 weken zomerverlof)
  • Het relatieve schoolverzuim nam nog meer af (het absolute minder)
  • Kinderarbeid door 12-jarigen nam toe (niet meer leerplichtig)
  • Onderwijs werd een recht i.p.v. een voorrecht, lager onderwijs vroeg geen schoolgeld meer
  • Onderwijs werd een verplichting waar de overheid toezicht op hield
  • Het analfabetisme werd na 1900 bijna helemaal uitgeroeid in Nederland
© 2008 - 2010 Iloontjevde, gepubliceerd in Samenvattingen (Educatie en School) op 13-03-2008, laatst gewijzigd op 13-03-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Iloontjevde is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Van kind tot burger: Volksopvoeding via het onderwijs in NL"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.