
Nectar biologie 2 deel 1: 4. Voeding en Vertering
Dit is de samenvatting van Nectar vwo bovenbouw biologie 2 deel 1. Dit boek wordt gebruikt in 5 vwo in het voortgezet onderwijs. Hoofdstuk 4: Voeding en Vertering. Zoals de titel al aangeeft, behandelt dit hoofdstuk de aspecten over voeding.
Nectar samenvatting boek informatie
- Titel: Nectar vwo bovenbouw biologie 2 deel 1
- Auteur: Bijsterbosch e.a.
- Uitgever: Wolters-Noordhoff
- ISBN: 9789001319250
- Verkrijgbaar bij de reguliere boekwinkels.
4.1 Broodje gezond
Voedingsmiddelen koop je in de winkel. Ze bevatten voedingsstoffen: koolhydraten, vetten, eiwitten, water, zouten of mineralen, vitamines en vezelsAdditieven = hulpstoffen die zijn aangebracht om smaak, geur, kleur of houdbaarheid te verbeteren. Ze zijn te herkennen aan hun E-nummers (Binaz 102 A) Dit zijn door de EG goedgekeurde hulpstoffen.
Groene Revolutie = aan het eind van de jaren ’60 moest de landbouwproductie omhoog om de groeiende wereldbevolking te kunnen voeden. Er veranderde veel: er werd meer kunstmest en bestrijdingsmiddelen gebruikt. Nieuwe rassen met hogere productie.
Van teveel kunstmest & bestrijdingsmiddelen die worden gebruikt, kunnen resten overblijven in je voedsel.
AID-waarden = Aanvaardbare Dagelijkse Inname = maximale hoeveelheid die mag eten zonder ziek te worden.
AID bepalen:
- Vaststellen van de hoogste dosis: x mg per kg lichaamsgewicht per dag
- AID = x/100
Gifstoffen kunnen door bijv. snelwegen en fabrieken in het voedsel komen. Je hebt ook planten die zelf gifstoffen maken. In voedsel kunnen ook giftige stoffen zitten, of bij de bereiding gevormd worden (bron 4) In meststoffen zit nitraat, wat in je eten terecht kan komen. Ze moeten worden omgezet naar nitriet, met aminen. Dan kunnen ze schadelijke nitrosaminen vormen: die kunnen afwijkingen veroorzaken waar tumoren uit kunnen ontstaan.
Een schadelijke stof is carcinogeen. Ze kunnen het ontstaan van kanker verhogen.
Doordat alle producten die je eet een andere samenstelling hebben, vullen de verschillende voedingsmiddelen elkaar aan. Rol van voedingsvezels: stimuleert doorstroming door de darmen. De supermarkt verandert langzaam in een apotheek vanwege alle functional foods (=yakult, middelen met extra vitaminen etc.). Niet voeding als geheel, maar bepaalde ingrediënten kunnen een actieve rol spelen bij iemands gezondheid.
4.2 Klein, kleiner, kleinst
Enzymen = deeltjes die ervoor zorgen dat chemische reacties in je lichaam bij lage temperatuur toch snel verlopen. Dat doen ze door te binden aan een substraat. Door die binding ontstaan kleine wijzigingen in het substraatmolecuul.Substraat = de om te zetten stof of stoffen door enzymen.
Je mag de enzymvorm niet wijzigen, anders past het substraatniet meer.’
Enzymen mag je niet verhitten, het zijn eiwitten en niet echt hittebestendig. Door verhitting verandert hun vorm en hun werking. Vanaf 45 a 50oC gaan ze denaturen.
Denaturen = vervormen, kapot gaan
Je moet voorzichtig zijn met zuren en basen. Ze zijn een amfoliet, bij lage pH nemen ze H+ op, bij hoge pH staan ze H+ af. Zo verandert hun lading en daardoor de opvouwing van de eiwitketen.
Optimum-pH = voor elke enzym is er 1 pH waarbij dat enzym het beste werkt
In je mond: Er zijn 3 grote speekselklieren die uitkomen in de mondholte, ze produceren per dag 1,5 L speeksel; een mengsel van water, slijm (mucinen) en enzymen (amylase)
Amylase = enzym dat het zetmeel afbreekt tot kleine brokstukken.
Zetmeel = een polysacharide, dat bestaat uit lange ketens glucosemoleculen.
Amylase maakt van die lange ketens disachariden, dat is denk ik van lange ketens tweetallen maken. Er worden dan ook kleinere polysachariden en glucose gemaakt. Met speeksellijm plak je de kleine voedseldeeltjes weer aan elkaar. Zo schieten ze minder snel in je luchtpijp.
In je maag: Je maagwand is bekleed met slijmvlies waar cellen in zitten die zoutzuur (HCl) afscheiden, pH = 1,5. Bepaalde slijmvliescellen maken peptase.
Peptase = een eiwitsplitsend enzym wat lange aminozuurketens in kleinere ketens knipt. Dat kan heel gevaarlijk zijn, cellen bestaan namelijk zelf ook voor een groot deel uit eiwitten. Daarom scheidt je lichaam ook pepsinogeen af, een inactieve vorm.
Je andere cellen produceren slijm, dat is voor de bescherming van je maagwand tegen de werking van peptase en zoutzuur.
In de twaalfvingerige darm: In je twaalfvingerige darm zit NaHCO3, een base die het maagzuur neutraliseert. De vetten worden hier geëmulgeerd met gal uit de galblaas.
Gal = stof die bestaat uit afbraakproducten van hemoglobine, afbraakproducten van cholesterol.
Emulgeren = de galzouten verlagen de oppervlaktespanning van water. Hierdoor vallen vetdruppels eenvoudig uiteen in vele kleine druppeltjes. Die vermengen beter met water, daardoor loopt de vertering van vetten na emulgeren veel beter.
Alvleesklier = produceert stoffen die de koolhydraat en eiwitvertering voortzetten
Lipase = stof die vet afbreekt tot losse vetzuren en monoglyceriden
Dunne darm: de enzymen uit het darmslijmvlies voltooien de vertering. Korte suikerketens worden gesplitst tot enkelvoudige suikers en korte aminozuurketens gesplitst in losse aminozuren.
Dikke darm: De laatste fase van bewerking vindt plaats door de commensalen.
Commensalen = bacteriën die een klein deel van de cellulose van plantencelwanden (voedingsvezels) om. (denk ik)
Er leven ook colibacteriën in de je dikke darm, die iets aan je voedsel toevoegen.
Vitamine K = speelt een rol bij de bloedstolling.
De hoofdfunctie van de dikke darm = opnemen van water en zouten. De resten gaan door naar de endeldarm als feces (= gewoon mest) of uitwerpselen (oftewel poep) Dit laatste bevat ook afgestorven darmwandcellen, dode en levende bacteriën en ijzer uit de gal.
Vitamine D = bevordert de calciumopname
4.3 ‘Binnenlaten’
De darmwand bestaat uit slijmvlies, bindweefsel en een dubbele spierlaag. De dunne darm heeft een grote oppervlakte door de plooien, darmvlokken en microvilli. Zodra je een hap eten doorslikt, gaat er een peristaltische golf lopen. Dit houdt in dat de kringspieren voor de hap ontspannen en erachter samentrekken. Deze bewegingen zetten zich voort over je hele darm. De zenuwcellen in de darmwand geven impulsen door aan je kliercellen in maag- en darmwand zodat de sapafscheiding toeneemt. Een maagportier kan een spijsbrij plaatselijk blokkeren. Het portier gaat dicht als het milieu zuur wordt, na neutralisatie gaat ie weer open. Deze portierreflex is 1 van de regelsystemen zodat het eten je maag rustig verlaat.Door resorptie passeren water en kleine voedselmoleculen de darmwand. Ze komen in het bloed of lymfe terecht. In de dekweefselcellen in de darmwand en de bloedvatwand worden zitten poortjes die helpen bij het passeren van ionen, suikers en aminozuren. Stoffen kunnen ook passief door exocytose in een lymfevat, en uiteindelijk de borstbuis terecht komen.
Bacteriën en virussen overleven het maagsap en speeksel vaak niet. Als hij er wel doorkomt reageert het afweersysteem op dergelijke antigenen.
4.4 Zonder water gaat het niet
Polymeren (is je eten uit opgebouwd) worden door water gesplitst in kleinere moleculen, dit heet hydrolyse. Polycondensatie is het tegenovergestelde. Eiwitten bestaan uit polypeptiden (aan elkaar geschakelde aminozuurketens, bestaande uit aninozuren en aninogroepen) De peptide bindingen worden met de vertering verbroken door endo en exopeptidasen.Koolhydraten zijn een snel beschikbare energiebron, ze leveren veel energie. Om de moleculen te splitsen is water nodig. Er komt water vrij bij de vorming van zetmeel uit glucose. Amylase knipt de lange ketens in stukken.
Vetten kan je opslaan als energiebron. Vetzuren kunnen kort, lang, verzadigd of onverzadigd zijn. Onverzadigden hebben dubbele bindingen, en worden vaak olien genoemd. De vetzuren worden in kleine stukjes geknipt en passeren zo passief het membraan, wat via het lymfe naar het bloed gaat.
4.5 Cellen hebben altijd honger
Als je glucosegehalte daalt, geeft glucagon (= hormoon) je lever de opdracht om wat van zijn glycogeenvoorraad om te zetten in glucose. Cellen zijn altijd bezig en hebben dus baat bij een continue aanvoer van voedingsstoffen. Je lichaam is heel de dag bezig om het glucosegehalte op peil te houden.Je lever en spieren bevatten een glycogeenvoorraad. Daarop kunnen je cellen ongeveer een dag mee vooruit. Daarna begin je aan je vetrantsoen. Dit kan je vrij lang volhouden.
Er zijn cellen die zichzelf voedden d.m.v. endocytose. Deze cellen bevatten lysosomen, kleine verteringsenzymen. Onverteerde resten worden afgescheiden. Je cellen kunnen ook zichzelf opeten. Dit neemt toe bij mensen die vasten. Cellen maken een membraan rond oudere cellen en nemen ze zo op.
Hersenen kunnen alleen glucose verbranden. De lever maakt uit eiwitten glucose. Als je meerdere dagen niet gegeten hebt, gaat je lever van aminozuren een aminogroep verwijderen, het restant zuur wordt glucose. Alles wat overblijft wordt ureum van gemaakt en uitgescheiden in urine. Later ga je je spieren afbreken, de laatste eiwitten. De hersenen kunnen bij lang vasten overgaan op ketolichamen. © 2008 - 2010 Victorho, gepubliceerd in Samenvattingen (Educatie en School) op 01-02-2008, laatst gewijzigd op 24-10-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Victorho is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...
Gerelateerde links
Toetsjekennis.nl en Stebo Particulier Onderwijs.Verwante artikelen
- Nectar biologie 2 deel 2: 11. Begin bij… een eiwit!: Dit is de samenvatting van Nectar vwo bovenbouw biologie 2 deel 2. Dit boek wordt gebruikt in 6 vwo in het voortgezet onderwijs. Hoofdstuk 12: Verbeter de…
- Spijsvertering in de mond en slokdarm: We eten en drinken ons hele leven door, want we hebben energie nodig om normaal te kunnen functioneren en bewegen. Maar als we het voedsel eenmaal hebben genuttigd, vra…
- Spijsvertering van eiwit, vet en koolhydraten: Spijsvertering van voedsel gebeurt met de hulp van enzymen. Uit eiwitten worden enzymen gemaakt door het lichaam zelf. Enzymen komen voor in speeksel, maagsap,…
- Soorten eiwitten: Eiwitten of proteïnen vormen een groot deel van alle biologische moleculen, die uit ketens van aminozuren bestaan. Eiwitten zijn voor iedereen essentieel en zijn er in alle soorten en maten…
- Nectar biologie 2 deel 2: 14. Grenzen aan groei: Dit is de samenvatting van Nectar vwo bovenbouw biologie 2 deel 2. Dit boek wordt gebruikt in 6 vwo in het voortgezet onderwijs. Hoofdstuk 14: Grenzen aan gro…
Bronnen en/of referenties
- Zie artikel

Reageer op het artikel "Nectar biologie 2 deel 1: 4. Voeding en Vertering"

Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.

