Samenvattingen en Biologie

Nectar biologie 2 deel 1: 1. Aanpassen of verdwijnen

Nectar biologie 2 deel 1: 1. Aanpassen of verdwijnen

Dit is de samenvatting van Nectar vwo bovenbouw biologie 2 deel 1. Dit boek wordt gebruikt in 5 vwo in het voortgezet onderwijs. Hoofdstuk 1: Aanpassen of verdwijnen. Evolutie staat centraal in dit hoofdstuk.


Nectar samenvatting boek informatie

  • Titel: Nectar vwo bovenbouw biologie 2 deel 1
  • Auteur: Bijsterbosch e.a.
  • Uitgever: Wolters-Noordhoff
  • ISBN: 9789001319250
  • Verkrijgbaar bij de reguliere boekwinkels.

1.1 Soorten begrijpen

Alle organismen worden (op dit moment) in 4 rijken onderverdeeld. Bron 2 in het boek geeft een overzicht van de 4 rijken: dieren, planten, schimmels en bacteriën. Elk van de 4 rijken is weer onderverdeeld in kleinere eenheden, uiteindelijk kom je uit op het niveau van soort. Je hebt dus Rijk, Onderrijk, Afdeling, Onderafdeling, Klasse, Orde, Familie, Geslacht en Soort. Elk organisme heeft een soortnaam (kleine letter) en een geslachtsnaam (hoofdletter). (zie ook bron 1) Soms is binnen een soort, meestal door menselijk ingrijpen, weer variatie ontstaan. We komen dan op het niveau van rassen of variëteiten. Denk maar aan allerlei hondenrassen.

Organismen kunnen zich voortplanten door vorming van geslachtscellen of door deling (er is dan sprake van klonering).

Soort = een groep organismen met gemeenschappelijke kenmerken die vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.
Populatie (of voortplantingsgroep) = een groep organismen van dezelfde soort die in een bepaald gebied leven.
Taxon = een eenheid in het hierachisch systeem, bijvoorbeeld afdeling of familie.
Virus = een stukje RNA of DNA in een eiwit-envelop. Ze dringen een cel binnen en dwingen de cel om nieuwe virussen te produceren, waarna de cel doodgaat. Een virus is een celparasiet.
Soortnaam = altijd met een kleine letter
Geslachtsnaam(genusnaam) = altijd met een Hoofdletter

Voorbeeld:
Aardappel: Solanum tuberosum
Tomaat: Solanum lypopersicum

Ecologie = studie naar het voorkomen en gedrag van soorten

1.2 Van soort naar soort

In de loop van de tijd kunnen soorten aanpassen, als ze onderling niet meer kunnen voortplanten, zal dit leiden tot nieuwe soortvorming. Vooral de evolutietheorie legt sterke nadruk op deze aanpassingen en nieuwe soortvorming. Voor ons blijft het een vraag wat we precies verstaan moeten onder “naar zijn aard” . Dit staat meerdere keren in Genesis 1. Mogelijk moeten we hier denken aan het niveau van familie. In dat geval zit de ruimte voor nieuwe soortvorming er als het ware “ingebouwd”. Processen die kunnen leiden tot nieuwe soortvorming zijn isolatie en selectie.

Natuurlijke selectie = sommige individuen doen het ‘beter’ dan andere en krijgen meer (en sterkere) nakomelingen. Individuen met een gunstige eigenschap geven die eigenschappen door. Degenen die die eigenschap niet hebben, sterven uit. De soort evolueert, verandert.
Adaptie = door evolutie aangepast aan de heersende omgevingsomstandigheden.
Soortvorming door isolatie = individuen van een bepaalde populatie kunnen niet kruisen met individuen van andere populaties van dezelfde soort, doordat ze geografisch zijn gescheiden.
Seksuele isolatie = doordat ze gescheiden zijn geraakt, komen door onderlinge kruisingen andere erfelijke eigenschappen tot expressie. Wanneer die verschillen effect hebben op het voortplantingssucces ontstaat seksuele isolatie.
Soortvorming door selectie = er worden verschillende soorten gevormd door selectie van abiotische factoren en tolerantiegrenzen.
Abiotische factoren = factoren zoals temperatuur, luchtvochtigheid en zuurgraad.
Tolerantiegrenzen = het ene individu verdraagt de ene omstandigheid beter dan de het andere individu.

1.3 Samen leven

Biotische factoren = factoren zoals huidskleur.
Predatiedruk = (ongeveer) vijandsdruk of druk om opgegeten te worden. Predatiedruk stijgt, overlevingskans daalt. Bijvoorbeeld: Witte konijntjes hebben in de winter minder kans om opgegeten te worden dan bruin.
Predatoren = (ongeveer) Vijanden van bepaald individu.
Wegselecteren = uitgestorven doordat ze opgegeten werden.
Interspecifieke relaties = relatie tussen soorten onderling.
Interspecifieke competitie = competitie tussen de soorten onderling om bijvoorbeeld voedsel, nestgelegenheid.
Specialisatie = gaat soort interspecifieke competitie uit de weg, bijvoorbeeld de kluut en de steltkluut. De steltkluut kan met z’n lange poten in dieper water en op andere prooien jagen dan zijn verre neef de kluut.
Selectiedruk = de abiotische en biotische factoren die druk uitoefenen op een soort.
Beperkende factor = bijvoorbeeld als er weinig poolhazen zijn, zullen er ook minder lynxen blijven leven. Poolhazen zijn hier een beperkende factor.
Intraspecifieke relaties = relatie binnen de soort. Bijvoorbeeld concurrentie en voedsel en nestgelegenheid.
Intraspeciefieke competie = Bijvoorbeeld elke lynx wil meer, daarom bestaat er een competitie. De lynx die het beste hazen kan vangen is bevoordeeld.
Predator-prooi diagram = diagram waarin de populatieschommelingen worden weergegeven van de predatiedruk op de prooi en door competitie tussen de predatoren.
Parasieten en pathogenen = ziekteverwekkers. Worden als de belangrijkste selectiemechanismen in de evolutie beschouwd.
Co-evolutie = eerst was solanine (giftige stof in aardappelloof) giftig voor coloradokever. Nu is het zo dat de kever zo immuun voor het gif is, dat ze die stof zelfs nodig hebben.
Symbiose = algemene term voor samenleven (bron 2).

1.4 Een eigen plek

In een biotoop leven veel soorten organismen naast elkaar, ze vormen samen een levensgemeenschap. In zo’n biotoop heeft elk soort zijn eigen niche. Bijvoorbeeld herbivoor of carnivoor etc. etc. Als meerdere soorten een zelfde niche bezitten, zal op den duur de concurrentie niet uitblijven.

Vroeger hielden de mensen er weinig rekening mee dat de introductie van levende souvenirs in een nieuw gebied een ecosysteem kan verstoren. Introducties van exoten in nieuwe gebieden kunnen dan ook inheemse levensgemeenschappen veranderen.

Biotoop = deel van de biosfeer waarbinnen levensvoorwaarden min of meer gelijk zijn.
Niche = de soorteigen, functionele plaats in een biotoop (z’n ‘beroep’). Is het resultaat van aanpassing en selectie.
Habitat = plaats waar je de soort kan vinden.
Optimaal microklimaat = omstandigheden (klimaat, plaats etc.) waar een organisme het beste kan leven.
Territoria = een begrensd gebied van een bepaald individu. In een habitat kunnen verschillende individuen zijn.
Levensgemeenschap = alle organismen van de verschillende soorten die in 1 ruimte leven.
Voedselweb = hiermee zijn al die organismen met elkaar verbonden. Het is eten en/of gegeten worden.
Ecosysteem = alle organismen en hun relaties
Geografische barrières = een barrière die de verspreiding van een soort beperkt, zoals gebergten en oceanen.

1.5 Ruimte voor verandering

Kolonisten = de eerste ‘bewoners’ (bijvoorbeeld algensoorten) van een bepaald gebied, bijvoorbeeld afgebrand bos of een drooggevallen polder. Ze brengen organische stof in de bodem en dempen de dynamiek van het milieu.
Pioniers = weinig soorten met grote aantallen, verspreid door wind of water, grote tolerantie voor wisselende omstandigheden.
Pioniersstadium = veel individuen van dezelfde soort.
Successie = proces van opvolging (algen, plantjes, planten, zaailingen, boompjes, bomen)
Climaxstadium = een complex ecosysteem dat duizend jaren oud kan worden.
Biodiversiteit = veel soorten, weinig individuen.
Dispersie = verspreiding van soorten. Door dispersie wisselen verschillende populaties van een soort genetisch materiaal met elkaar uit.
Patchy = (lappendeken) min of meer geisoleerde populaties op verschillende plaatsen.
Corridor = een verbindingszone om versnippering van landschap en isolement van kleine populaties tegen te gaan, zoals boswallen en sloten met bomen en struiken.

Een goed ontwikkelde ecologische infrastructuur vormt verbindingen tussen populaties. Dit bevordert genetische biodiversiteit van de soort. Verbindingszones zorgen er ook voor dat het aantal soorten binnen levensgemeenschappen toenemen. Dus ook op dat niveau neemt de biodiversiteit toe.
© 2008 - 2009 Victorho, gepubliceerd in Samenvattingen (Educatie en School) op 19-01-2008, laatst gewijzigd op 24-10-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Victorho is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Gerelateerde links

Studieboeken van Selexyz en Toetsjekennis.nl.

Verwante artikelen

Bronnen en/of referenties

  • Zie artikel

Reageer op het artikel "Nectar biologie 2 deel 1: 1. Aanpassen of verdwijnen"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.