Samenvattingen en Filosoof

John Rogers Searle

Verslag over het werk van de Amerikaanse taalfilosoof John Saerle. Een beknopte weergave van zijn werken die nader worden toegelicht.


John Rogers Searle (Denver, Colorado, 31 juli 1932) is een Amerikaans filosoof en is sinds 1959 hoogleraar aan de universiteit van Berkeley. Hij wordt beschouwd als een van de toonaangevende taalfilosofen uit de twintigste eeuw. Karakteristiek aan zijn denken is de toegankelijkheid en de helderheid van argumentatie. Zijn denken blijft doorgaans ook binnen de kaders van wat wordt aanvaard door het gezond verstand. Searle heeft zich altijd tot een breed publiek gericht, en zich uitgesproken over een breed scala aan filosofische onderwerpen. Zijn filosofie is uiteindelijk een samenhangend geheel van doctrines over taal, geest en de sociale wereld. Tot zijn belangrijkste werken behoren: Speech Acts. An Essay in the Philosophy of Language (1969), Minds, Brains and Programs (1980), Intentionality (1983), The Construction of Social Reality (1995) en Mind, Language and Society (1998).

De achtergrond van Searles taalfilosofie wordt min of meer gevormd door John Langshaw Austin. Deze heeft de beperkingen van de empiristische betekenistheorie getoond, door van bepaalde uitspraken te zeggen dat ze eerder als rituele handelingen moeten worden beschouwd dan als feitelijke uitspraken. Deze zouden dan geen onafhankelijk bestaande feiten beschrijven, maar ze eerder creëren. Austin gaf aan dat ze geen waarheidsvoorwaarden bezitten, maar veeleer voorwaarden van geslaagdheid. Het is daarbij belangrijk onder welke omstandigheden en binnen welke constitutie deze uitspraken plaatsvinden, alsmede de bedoelingen die de boodschapper van een uitspraak heeft. Dit leidde tot het inzicht dat alle uitspraken zijn op te vatten als taalhandelingen. Searle nu heeft een poging ondernomen om het gedachtegoed van Austin uit te werken tot een systematische theorie van taalhandelingen.

Allereerst was het in dit verband belangrijk het onderscheid aan te geven tussen de propositionele inhoud en illocutionaire kracht van een taalhandeling. De propositionele inhoud is het gedeelte van een taalhandeling dat de waarheidsvoorwaarden ervan bepaalt. De illocutionaire kracht daarentegen vormt de handeling die de spreker met zijn uitspraak wil verrichten. Het is nu zo dat bij verschillende zinnen de propositionele inhoud gelijk kan blijven, terwijl de illocutionaire kracht van die zinnen kan verschillen, bijvoorbeeld, een bewering, een vraag en een bevel. Op basis hiervan komt Searle in zijn werk Speech Acts. An Essay in the Philosophy of Language tot de vraag of communicatie primair een kwestie van conventies is, of veeleer van de bedoelingen die de spreker heeft met uitspraken. De heersende opvatting in zijn tijd was dat de intentie van uitspraken het essentiële aspect vormt van communicatie. Searle verzet zich tegen deze visie. Hij betoogt dat taalhandelingen wezenlijk conventioneel zijn, waarbij hij een onderscheid maakt tussen regulatieve en constitutieve regels. Regulatieve regels zijn regels die, wanneer ze worden veranderd, geen invloed hebben op het wezenlijke van datgene waarop die regels betrekking hebben. Een voorbeeld hiervan is de verkeersregels. Verander je daarentegen constitutieve regels, dan verandert datgene waarop die regels betrekking hebben, datgene is dan niet meer wat het eerst was. Dit geldt bijvoorbeeld voor de regels van het schaakspel. Met dit onderscheid wil Searle aantonen dat het er bij veel taalhandelingen zonder constitutieve regels toe leidt dat deze überhaupt niet eens kunnen worden uitgevoerd.

Searle geeft aan dat het gebruik van de taal, door het verrichten van taalhandelingen, een vorm van regelgeleid gedrag betreft. Doordat hij uit de doeken heeft gedaan welke regels de verschillende soorten taalhandelingen kenmerken, is het mogelijk geworden om een empirische studie te maken van taalhandelingen. Toch blijft het vermoeden dat de conceptuele achtergronden wel eens belangrijker kunnen zijn dan empirische toepassingen. In dit verband was naast Austin ook de Duiste taalfilosoof en logicus Gottlob Frege van belang. Deze laatste maakte onderscheid tussen twee aspecten van betekenis, namelijk het object dat door de talige uitdrukking wordt aangeduid en de wijze waarop de verwijzing wordt gepresenteerd. Door dit verschil is van uitspraken te zeggen dat ze a priori waarheden zijn of slechts empirische kennis uitdrukt. Hierbij was het Frege deels te doen om het objectieve karakter van betekenis te verantwoorden. Voor Searle komt betekenis echter overeen met mentale voorstellingen, wat voor hem betekent dat het idee van communicatie en gedeelde intentionaliteit voldoende is verantwoord. Dit betekent dat zijn taalhandelingstheorie een individueel-psychologisch karakter draagt.

In zijn boek Intentionality doet Searle een poging om de taalfilosofie te projecteren op de filosofie van het mentale. Voor hem was de betekenis van taal een afgeleide vorm van intentionaliteit. Onder intentionaliteit verstaat hij het vermogen van mentale toestanden om de externe wereld te representeren. Hij geeft aan dat het bij mentale toestanden net zo goed over de externe wereld gaat als bij taalhandelingen, alsmede dat er bij alle twee sprake is van de scheiding tussen propositionele inhoud en illocutionaire kracht. Volgens Searle hebben intentionele toestanden voorwaarden van vervulling in zich. Voorts betoogt hij dat elke intentionele toestand onderdeel is van een netwerk van andere intentionele toestanden. Daarnaast is hij van oordeel dat intentionele toestanden slechts mogelijk zijn dankzij een achtergrond van uiteindelijk niet-intentionele, nooit volledig expliciet te maken veronderstellingen. Deze achtergrond betreft dan geen intentioneel geheel van regels maar een biologisch en cultureel bepaald stelsel van vaardigheden en verwachtingen. Voor Searle betreft het gehele onderwerp van intentionaliteit een kwestie van gezond verstand, wat hij zelf omschrijft als ‘biologisch naturalisme’. Deze visie komt voort uit zijn idee dat mentale fenomenen worden veroorzaakt en gerealiseerd in het menselijk brein, met het bewustzijn als de hogere ordetoestand daarvan.

Intentionele toestanden hebben op deze wijze een biologische basis, die ontstaan uit netwerk en achtergrond. Searle is de mening toegedaan dat dit inzicht verregaande consequenties heeft voor de mogelijkheden om het menselijk denkvermogen na te bootsen met behulp van computers. Bepaalde aanhangers van kunstmatige intelligentie betogen dat het menselijk brein kan worden gelijkgesteld aan de hardware en dat het bewustzijn samenvalt met de software. Met zijn beroemde Chinese-kamer-argument probeert Searle aan te tonen dat het een vergissing is om aan computers intelligent gedrag toe te schrijven. Een machine met de hardware van een computer levert nog geen betekenis op wanneer bepaalde software operaties uitvoert. De mens daarentegen heeft bewustzijn en intentionaliteit dankzij zijn biologische constitutie.

Searle heeft aangegeven dat naast de taal ook de sociale werkelijkheid een biologisch bepaalde vorm van intentionaliteit bevat. Volgens hem berusten ze op een collectieve vorm daarvan, die niet is te herleiden tot een individuele intentionaliteit. Het betekent uiteindelijk een geheel van gemeenschappelijk aanvaarde constitutieve regels. Hij betoogt vervolgens dat er één logische operatie bestaat voor de opbouw van de sociale realiteit, namelijk de macht die een sociaal actor S heeft om een sociale handeling A te verrichten. Het gaat dus om een collectieve intentionele toestand die aan de betreffende actor macht toekent. Dit betekent dat sociale instituties bestaan doordat ze in onderlinge overeenstemming erkend en instandgehouden worden.
© 2007 - 2010 Lodomerie, gepubliceerd in Samenvattingen (Educatie en School) op 06-12-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Lodomerie is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "John Rogers Searle"


Door Herman van Tilburg op 08-07-2009

In Uw artikel staat de zin: "Hij geeft aan dat het bij mentale toestanden net zo goed over de externe wereld gaat als bij taalhandelingen, alsmede dat er bij alle twee sprake is van de scheiding tussen propositionele inhoud en illocutionaire kracht".

Bij mijn beste weten gebruikt Seale waar hij het heeft over een Intentionele toestand niet de combinatie "illocutionaire kracht (propositionele inhoud)", maar de combinatie "psychologische kracht (propositionele inhoud)".

Voor wat U het waard vindt en mvg: Herman van Tilburg.