
Nectar vwo biologie deel 1 hoofdstuk 2 Cellen in werking
Dit is de samenvatting van Nectar vwo bovenbouw biologie deel 1. Dit boek wordt gebruikt in 4vwo in het voortgezet onderwijs. Hoofdstuk 2: Cellen in werking
Nectar samenvatting boek informatie
- Titel: Nectar vwo bovenbouw biologie deel 1
- Auteur: Bijsterbosch e.a.
- Uitgever: Wolters-Noordhoff
- ISBN: 9789001319205
- Verkrijgbaar bij de reguliere boekwinkels.
Bekijk de andere hoofdstukken in de Nectar special.
2.1 Bouwstenen van het leven
Het cytosol, ofwel grondplasma, is de hele binnenkant van de cel. Meercellige organismen hebben gespecialiseerde cellen die samenwerken, samen zorgen zij voor een stabiel intern milieu, dat interne milieu bestaat uit bloed, lymfe en weefselvocht. Weefselvocht is de dunne vloeistoflaag die tussen de cellen zit.Samenwerking vraagt om een goede communicatie, er zijn drie verschillende manieren waarop cellen kunnen communiceren. Dat kan via celmembraancontact, mogelijk bij een korte afstand, twee cellen wisselen dan chemische stoffen uit. Voor een grote afstand kan een cel stoffen af geven in de weefselvloeistof, dat bereikt meer cellen. Bij beiden zijn het de receptoren, dat zijn eiwitten op het membraan, die de signalen uit de omgeving ontvangen, aan deze receptoren kunnen zich stoffen hechten, elk receptor bindt maar een stof en de cel reageert daarop op een specifieke manier.
2.2 Aan de grens
Het celmembraan is als een soort buitenlaagje van elke cel en elk organel, dat bestaat uit fosfolipiden (vetten), die erg beweeglijk zijn, en eiwitten, die nodig zijn voor het transport, beweging en waarneming van een cel. Bij plantencellen en bacteriën zit om het membraan heen nog een celwand. De celwand bestaat uit cellulose (koolhydraten), het geeft de cel stevigheid. Het vormt een soort wegennet, zoals het weefselvocht bij de plantencel. Het selecteren van de uit te scheiden stoffen en de op te nemen stoffen gebeurt bij het celmembraan.2.3 Industrie op miniformaat
Organellen zijn ‘cellen in een cel’. Het organelmembraan vormt de buitengrens van het organel. Daarbinnen zitten enzymen die samen een ingewikkeld chemisch proces verzorgen.Verschillende manieren om stoffen uit te wisselen:
- Osmose: Diffusie van kleine ongeladen moleculen door een semi-permeabel membraan naar de kant waar de concentratie van opgeloste stoffen, die het membraan niet kunnen passeren, hoger is.
- Actief transport: Eiwitten in het membraan werken dan als transportenzym, die helpen de ionen door het membraan heen, dat kost de cel energie. De concentratie ionen verschilt dus tussen binnen en buiten d cel, daardoor ontstaat een spanningsverschil. (Het zenuwstelsel maakt daar gebruik van: impulsgeleiding door veranderingen in het membraanpotentiaal, dat is het verschil in de concentratie tussen binnen en buiten de cel)
- Endocytose: Omdat het membraanoppervlak beweegt, kan het een soort bolletje vormen om de te transporteren stoffen, zo kan het door het membraan heen. Dit wordt gebruikt door eicellen om het erfelijke materiaal van een cel op te nemen en zo slokken witte bloedcellen ziekteverwekkende bacteriën op, Ook kunnen eencelligen zich zo verplaatsen.
- Exocytose: Het omgekeerde van endocytose, de cel scheidt stoffen uit. Grote cellen hebben snel een probleem met de aanvoer van zuurstof uit het milieu.
Bij vetstofwisseling worden vetten en vetzuren gemaakt, die nodig zijn voor de bouw van membranen en als brandstof voor de energievoorziening. Bij eiwitstofwisseling worden eiwitten afgebroken tot aminozuren, die worden omgebouwd voor de productie van nieuwe eiwitten. Bij koolhydraatstofwisseling worden monosachariden (glucose, fructose), disachariden en polysachariden (zetmeel, glycogeen) gemaakt en afgebroken, soms krijgen deze een functie als receptor of een andere bouwstof, maar meestal als brandstof.
Terwijl alle processen bezig zijn is de cel voortdurend bezig de structuren te vernieuwen. Binnenmembranen vormen met elkaar een doolhof van lange gangen waarlangs stoffen getransporteerd worden: het endoplasmatisch reticulum, het ER.v In chromosomen zit de stof DNA, dat de bouwinstructies voor eiwitten bevat, die instructies worden naar eiwitbouwplaatsen, de ribosomen, gebracht. DNA veroorzaakt via de eiwitten dus alle processen in je lichaam. Als een eiwit van het ribosoom komt en langs het ER schuift, dan wordt het eiwit definitief gevormd. Een deel van die eiwitten komt terecht in het Golgi-systeem, waarna ze, nadat ze bewerkt zijn, afgescheiden worden in het cytoplasma. Dat kan dan twee bestemmingen hebben: ze worden lysosomen of ze bevatten stoffen, die de cel dan uitscheidt via exocytose.
2.4 Enzymen: celwerknemers
De dragende delen van een cel bestaan uit een wirwar van stevige eiwitmoleculen: het celskelet, ofwel het cytoskelet. Celonderhoud kost energie, de bronnen zijn bij planten licht en bij dieren en bacteriën organische stoffen. Hierbij wordt ATP geproduceerd dat de directe energieleverende stof van de cel is, dat kan nadat het gebruikt is a.h.w. weer opgeladen worden als een batterij.Enzymen zijn eiwitten, zij maken het mogelijk dat chemische processen in een cel een lagere activeringsenergie nodig hebben. Elk enzym is slechts bruikbaar bij één type chemische reactie. In elke cel zijn er daarom enkele duizenden enzymsoorten aanwezig.
De ontwikkeling van pasgevormde cel tot delende cel heet de celcyclus, deze verloopt in 4 fasen:
- De G1-fase: de cel groeit, het aantal organellen vermeerdert
- De S-fase: de chromosomen verdubbelen
- De G2-fase: enzymen worden gevormd, nodig voor de celdeling
- De M-fase (mitose): celdeling
2.5 Cellen in soorten en maten
Als in een dierencel het plasma weinig opgeloste stoffen bevat en de bloedcellen veel, dan zal er water de cel binnengaan. De membranen kunnen niet veel hebben en de cellen gaan kapot. En andersom als het plasma meer opgeloste stoffen bevat, zal de cel juist krimpen. In beiden situaties zou de cel doodgaan en daarom houd je lichaam de concentratie gelijk. De hoeveelheid opgeloste stoffen in een vloeistof bepaalt de osmotische waarde. Wanneer deze waarden gelijk zijn bij twee oplossingen, zijn ze isotonisch, Als ze verschillende waarden hebben, is de kleinste hypotonisch en de grootste hypertonisch tegenover de ander.Echter plantencellen danken hun grote afmeting aan dit verschijnsel, de celwand geeft stevigheid aan de plantencellen, dus door de druk van de vacuole met alle opgenomen vloeistoffen, tegen de celwand wordt de cel heel groot en stevig, hij zal in tegenstelling tot dierencellen, niet kapot gaan (binnenband en buitenband) dat heet turgor. Maar als het milieu hypotonisch is, dan zal de cel krimpen, terwijl de celwand nog op zijn plaats blijft dat kunnen planten slechts een tijdje volhouden, dat heet plasmolyse.
Elk weefsel bestaat uit een apart celtype met een eigen functie. Dat ontstaat zo omdat tijdens de vorming een bepaalt deel van het DNA wordt aangeschakeld. Bacteriën hebben geen celkern, organellen of ER, omdat het de oudste levensvormen zijn. Zij breken organische stoffen af waardoor voedsel voor planten ontstaat. Sommigen veroorzaken ziektes bij mensen. Sommigen worden gebruikt om nuttige stoffen te produceren (kaas), dat heet biotechnologie. Het DNA van bacteriën veranderen heet genetische modificatie.
De endosymbiosetheorie verklaart voor een deel hoe plantencellen en dierlijke cellen zijn ontstaan uit bacteriën. Bacteriën zijn andere cellen binnengedrongen en zijn daar de organellen geworden. © 2007 - 2010 Victorho, gepubliceerd in Samenvattingen (Educatie en School) op 23-11-2007, laatst gewijzigd op 24-10-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Victorho is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...
Gerelateerde links
Stebo Particulier Onderwijs, Studieboeken van Selexyz en Toetsjekennis.nl.Verwante artikelen
- Nectar biologie 2 deel 2: 14. Grenzen aan groei: Dit is de samenvatting van Nectar vwo bovenbouw biologie 2 deel 2. Dit boek wordt gebruikt in 6 vwo in het voortgezet onderwijs. Hoofdstuk 14: Grenzen aan gro…
- Nectar biologie 2 deel 2: 11. Begin bij… een eiwit!: Dit is de samenvatting van Nectar vwo bovenbouw biologie 2 deel 2. Dit boek wordt gebruikt in 6 vwo in het voortgezet onderwijs. Hoofdstuk 12: Verbeter de…
- Nectar vwo biologie deel 1 hoofdstuk 10 Regeling: Dit is de samenvatting van Nectar vwo bovenbouw biologie deel 1. Dit boek wordt gebruikt in 4vwo in het voortgezet onderwijs. Hoofdstuk 10: Regeling.
- Nectar vwo biologie deel 1 hoofdstuk 8 Werken met genen: Dit is de samenvatting van Nectar vwo bovenbouw biologie deel 1. Dit boek wordt gebruikt in 4vwo in het voortgezet onderwijs. Hoofdstuk 8: Werken met…
- Nectar vwo biologie deel 1 hoofdstuk 1 Gedraag je!: Dit is de samenvatting van Nectar vwo bovenbouw biologie deel 1. Dit boek wordt gebruikt in 4vwo in het voortgezet onderwijs. Hoofdstuk 1: Gedraag je!
Bronnen en/of referenties
- Nectar vwo bovenbouw biologie

Reageer op het artikel "Nectar vwo biologie deel 1 hoofdstuk 2 Cellen in werking"

Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.

