Huiswerk en Belastbaar Inkomen

Het systeem achter belastingen: belastingaangifte 5 stappen

Het systeem achter belastingen: belastingaangifte 5 stappen

Belasting via sommen is standaardstof binnen het vak economie in het vmbo (mavo) in het voortgezet onderwijs. Leerlingen leren hoe het systeem in elkaar zit, terwijl de meeste volwassen Nederlanders zelf eigenlijk ook niet weten hoe de belastingaangifte nu werkelijk in elkaar zit, en hoe het zit met termen als box 1, box 3, heffingskortingen, aftrekposten, belastbaar inkomen, enzovoort. Om goed zelf te kunnen rekenen met belastingaangifte is het 5 stappen model een nuttig middel.


Vooraf: wel systematisch werken!

Het 5 stappen model moet je stap voor stap volgen. Als je stappen overslaat of een andere volgorde gebruikt, bestaat het gevaar dat je de fout ingaat.

Stap 1: wat is het belastbaar inkomen?

Bij belastingen gaat het NIET om het bruto inkomen, maar WEL om het belastbaar inkomen. Veelal is dit lager dan het normale bruto jaarinkomen. Als eerste moet je het bruto jaarinkomen uitrekenen, of overnemen van de jaaropgave. Als je het zelf uit moet rekenen: bruto maandinkomen vermenigvuldigen met 12 en dan het vakantiegeld (altijd 8%!) erbij optellen. Kun je ook doen via de formule: bruto maandinkomen x 12 x 1.08. In sommige gevallen is het bruto jaarinkomen hetzelfde als het belastbaar inkomen. In veel gevallen echter niet. Er zijn 2 dingen die het werkelijke inkomen hoger kunnen maken, en 4 dingen die het werkelijke inkomen lager kunnen maken. Hoger wordt het als je een koopwoning hebt, je moet dan afhankelijk van de waarde van de woning een bedrag bij je inkomen optellen, dat heet het eigen-woning-forfait. En hoger wordt het als je alimentatie ontvangt (je bent gescheiden en krijgt geld van je ex-partner). Lager wordt het daarentegen als je alimentatie betaalt (aan je ex-partner dus). De andere 3 dingen die het inkomen lager maken worden de aftrekposten genoemd: hypotheekrente van je woning, reiskosten openbaar vervoer (als je een jaarkaart hebt) en kosten kinderopvang. Het uiteindelijke belastbaar inkomen is dan het bruto jaarinkomen + (soms) eigen woning forfait of ontvangen alimentatie - (soms) betaalde alimentatie - (vaak) een of meerdere aftrekposten.

Stap 2: reken nu box 1 uit

In dit verhaal sla ik box 2 over, dat hoeft ook niet op een middelbare school. Box 1 is de belasting die je over je belastbaar inkomen moet betalen. De belasting laat dat doen via een schijvensysteem. Over het laagste deel van je inkomen (schijf 1) betaal je minder belasting (altijd in procenten), vervolgens is er een schijf 2 en schijf 3. En mensen die goed verdienen komen in de laatste schijf, schijf 4, terecht, die loopt door tot het oneindige.

Stap 3: reken box 3 uit voor wie het van toepassing is

Box 1 geldt voor iedere werkende Nederlander. Box 3 geldt alleen voor mensen die spaargeld hebben. Dat kan gaan om geld op een spaarrekening, maar het gaat ook om geld wat mensen belegd hebben in aandelen van bedrijven. Je hoeft geen belasting te betalen als het om een klein beetje gaat. Het moet alleen als je boven een bepaalde drempel uitkomt. Die drempel lag een paar jaar terug al bij de 18.000 euro. Mensen die minder dan dat bedrag hebben, hebben dus niets te maken met box 3. Hoeven daar niets in te vullen. Leerlingen hoeven er niet mee te rekenen. Als mensen wel meer dan die drempel hebben (die drempel heet overigens de belastingvrije voet), dan moet er belasting betaald worden over alleen dat deel wat meer is dan die drempel. Daarover moet uiteindelijk 1,2% belasting betaald worden. Dat is box 3, dat is stap 3.

Stap 4: welke heffingskortingen zijn van toepassing?

Eigenlijk moet je aan de belasting betalen box 1 + box 3. Maar omdat dat best veel is, mogen alle mensen bepaalde bedragen er vanaf halen, waardoor het te betalen bedrag aan de belasting minder wordt. Die bedragen die er vanaf mogen zijn de heffingskortingen (let op: heffingskortingen zijn iets heel anders dan aftrekposten, aftrekposten moeten bij stap 1, heffingskortingen pas bij stap 4!). Er bestaan 6 heffingskortingen. Heffingskortingen zijn vaste bedragen. Iedereen heeft de algemene heffingskorting. Iedereen die in loondienst werkt heeft de arbeidskorting. En dan zijn er o.a. nog kortingen voor kinderen. Tel de kortingen en de bedragen bij elkaar op. Leerlingen hoeven de bedragen (geldt voor alle bedragen!) niet uit het hoofd te weten, maar moeten het wel op kunnen zoeken in de som en in de tabellen bij de som.

Stap 5: reken nu het antwoord uit

Het antwoord is heel simpel stap 2 (box 1) + stap 3 (box 3) - stap 4 (heffingskortingen). Het bedrag wat daar uit komt moet je dus aan de belasting betalen. Het kan zijn dat in een rekensom vermeld wordt dat er al een bepaald bedrag aan de belasting is betaald (dat is normaal wel altijd zo, namelijk het geld wat door de werkgever van het bruto inkomen wordt afgehaald om aan de belasting te storten). Als dat in de som staat is het uiteindelijke antwoord het verschil tussen wat je hebt uitgerekend en wat al aan de belasting is betaald. Is het eerste hoger moet je bijbetalen, is het tweede hoger, krijg je geld terug.
© 2008 - 2009 Hanspieterson, gepubliceerd in Huiswerk (Educatie en School) op 01-08-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Hanspieterson is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Het systeem achter belastingen: belastingaangifte 5 stappen"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.