Examen en Derrida

Examenvraag 2 literatuurwetenschap Pierce & Derrida

Examenvraag 2  literatuurwetenschap Pierce & Derrida

Tentamenvraag vergelijkende literatuurwetenschapa) Leg uit wat de semiotiek van Charles Sanders Pierce inhoudt. Probeer bij je bespreking van zijn classificaties van tekens voorbeelden te geven uit de cinema.b) Hoewel Peirce en Jacques Derrida op veel punten zeer verschillende denkers zijn, zijn er toch overeenkomsten tussen beiden. Leg aan de hand van Derrida’s artikel uit op welke punten ze overeenkomen (denk hierbij vooral aan het idee van oneindige semiosis van Peirce).


A

Volgens Pierce geeft semiotiek narrative elementen aan. Volgens hem is het van belang te kijken naar aparte elementen waaruit een verhaal is opgebouwd. Deze elementen kunnen onderscheiden worden in verschillende groepen. Allereerst het icoon; deze is meteen te interpreteren door de algemene / primaire kenmerken (hoewel er veel verschillende soorten rozen staan, kan één roos al aangeven welke groep bloemen bedoeld wordt). Ten tweede is er de index; deze bestaat alleen dankzij het object, maar heeft het object niet meer nodig. Tot slot hebben we het symbool; dit verliest zijn waarde zonder de bron / het object waar het op slaat, en zonder interpretant (zoals een verkeersbord; voor voorbeelden in de cinema zie hieronder). Deze drie groepen zijn representamen / tekens (aanschouwbare componenten) en staan voor iets anders. Dit is uit te leggen via de driehoeksverhouding object – representamen – interpretant. Het object is bijvoorbeeld een begrip, idee of iets visueels. Op het moment dat dit wordt overgedragen wordt het een teken voor het object (het echte object is vaak niet over te dragen, dus bijvoorbeeld een woord i.p.v het object; maar dit is dan alweer een interpretatie van het object). Dit teken wordt daarna weer geïnterpreteerd door de interpretant (dit is de mentale component en kan zowel je eigen interpretatie zijn als die van een ander). Deze persoon zet het weer om in het object, maar dan zoals het in zijn begrippenkader past, en hierdoor zal het niet hetzelfde zijn als van de overbrenger (je eigen hersenen of bijvoorbeeld een tussenpersoon). Dit proces gaat erg snel en wordt van baby af aan aangeleerd.
In werkelijkheid kan, in deze driehoek, het object ook weggelaten worden, zodat er een wisselwerking ontstaat tussen de representamen en de interpretant (een interpretatie kan weer opnieuw geïnterpreteerd worden). Uiteindelijk zou je zelfs kunnen zeggen dat er alleen maar tekens / representamen en interpretanten zijn, want alles is een interpretatie; een object zal nooit het werkelijke object zijn voor iemand, maar wordt aangepast aan het eigen begrippenkader, en zo hebben we dus alleen maar interpretaties die (door anderen) opnieuw geïnterpreteerd kunnen worden; de oneindige semioses.
Deze ‘semantische methode’ kijkt niet naar de maker achter de objecten of literatuur maar juist naar de interpretatie ervan, wat afhankelijk is van veel elementen, zoals culturele achtergrond van de representamen en interpretant, hun normen en waarden, moraliteit, begrippenkader, enz.

Voorbeelden vanuit de cinema in het algemeen:
  • Icoon – Bioscoopbon staat voor geld om een bioscoopfilm te gaan zien
  • Index – Het afspelen van een documentaire is een index voor de werkelijke gebeurtenissen, maar je hebt die werkelijke gebeurtenissen niet meer nodig, omdat je de film hebt en die als opzichzelfstaand kan zien.
  • Symbool – Filmmuziek is een symbool voor de gebeurtenissen tijdens de film, maar werkt alleen met de filmgebeurtenissen erbij, en een interpretatie ervan.
  • Object – Filmverhaal;
  • Representamen – Bioscoopscherm;
  • Interpretant – kijker die het scherm als de wereld ziet waarin het verhaal zich afspeelt.

Voorbeeld uit de film Hitchcock’s Vertigo:
  • Icoon – De titel van de film is Vertigo / Hoogtevrees;
  • Index – Het bewegen van de trappen staat voor hoogtevrees;
  • Symbool – Scottie zegt dat hij hoogtevrees heeft;
  • Object = Schilderij van Carlotta;
  • Representamen = Madeleine ziet zichzelf als een incarnatie van Carlotta;
  • Interpretant = Scottie als interpretant ziet : Judy = Madeleine = Carlotta.

B

Derrida is net als Pierce van mening dat je eigenlijk niet bij de werkelijkheid / het object zelf kan komen. Steeds als je er vlakbij bent, ontglipt het je weer (zoiets heeft Plato ook al gesuggereerd; wij zien een afspiegeling van de werkelijkheid, maar niet de werkelijkheid zelf. Alleen Plato heeft dit anders uitgewerkt dan Derrida). De werkelijkheid / het object ligt volgens Derrida ‘op de marges’. Als het verwoord zou worden, valt het binnen de marges en is het dus weer een interpretatie en niet de werkelijkheid, daarom kom je er nooit bij. Dit is volgens Derrida ook de reden dat we geen wetten kunnen vaststellen om te bepalen wat literatuur is (de wetten van de literatuur zijn gelijk aan de waarheid). Wel kunnen we proberen om een interactie aan te gaan met de representaties / interpretaties, zodat we meer inzichten krijgen en wellicht meer in de buurt komen van de werkelijkheid. Maar door onze verschillende achtergronden, leeservaringen, begrippenkaders, enz. zullen we ook nooit in de buurt van dezelfde waarheid komen. Hij verbeeldt dit met een wachter en een bezoeker voor een poort. Achter de poort is de werkelijkheid, maar de wachter houdt ons / de bezoeker tegen om bij die werkelijkheid te komen. En zo zal er altijd een wachter zijn. Hierdoor is er bij Derrida ook sprake van de oneindige semioses, omdat alles volgens hem ook steeds een interpretatie van de werkelijkheid is en het dus altijd weer een interpretatie van een interpretatie zal zijn. Zo zullen we dus nooit bij het object / de werkelijkheid kunnen komen.
© 2007 - 2009 Marileen, gepubliceerd in Examen (Educatie en School) op 15-02-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Marileen is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Examenvraag 2 literatuurwetenschap Pierce & Derrida"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.