Examen en 20e Eeuw

Examenvraag 1 literatuurwetenschap in de 20e eeuw

Examenvraag 1  literatuurwetenschap in de 20e eeuw

Opdracht: a) In de vergelijkende literatuurwetenschap was, en is men in zekere zin nog steeds, op zoek naar het “literaire”. Geef aan wat men in de loop van de twintigste eeuw onder deze term verstond, en hoe men dacht dit “literaire” bloot te kunnen leggen. b) Zou je je een equivalent van het “literaire” kunnen voorstellen in de schilderkunst? Zo ja, hoe zou je dit dan omschrijven? Zo nee, waarom is dit volgens jou niet mogelijk?


A

Aan het eind van de negentiende eeuw was men ook al op zoek naar ‘het literaire’. De stroming die toen de literaire gedachtengang beheerste was de Romantiek. Omdat deze veel navolgers heeft gehad, moet deze hier behandeld worden. Kort samengevat is Romantiek: literatuur is creatie en emotie, in poëzie vooral door hartstocht in leven en natuur; literatuur is autonoom, harmonieus, samenhang tussen vorm en inhoud; literatuur is ook synthese van tegenstellingen (vgl. de Franse structuralisten in de jaren ’60); literatuur drukt het onzegbare uit.

Vanaf 1914 kwam de eerste fase van het Formalisme op. Dit vanuit Rusland verspreide gedachtengoed ging allereerst ook uit van poëzie als literatuur. Men was op zoek naar algemeen geldende regels voor wat literatuur was. Om daar achter te komen vergeleek men zoveel mogelijk literaire teksten om te kijken wat ze gemeen hadden. Zo hoopte men de literatuurstudies wetenschappelijk te maken. Volgens hen heeft literatuur een vervreemdend element, dat toe te voegen is door kunstgrepen (bij poëzie zijn dit bijvoorbeeld metrum en acrostychons). Deze kunstgrepen zorgen voor een de-automatisering van onze waarnemingen. Doordat de effectiviteit van deze kunstgrepen niet blijvend is verandert de literatuur steeds.

Omdat het vorige eigenlijk alleen voor poëzie gold, meende Boris Tomashevski in 1925 dat literaliteit wordt bepaald door de manier van presentatie (samenhang tussen vorm en inhoud), de manier waarop het verhaal verteld wordt. Hiermee luidt hij de tweede fase van het Formalisme in. Er wordt nu een onderscheid gemaakt tussen syuzhet (een gemanipuleerd verhaal) en fabula (het chronologische verhaal). Het syuzhet kan zorgen voor een vervreemding (de chronologie kan veranderd worden, ook kan bijvoorbeeld de verteller een dier zijn), en dat maakt het proza literair. Maar ook in lectuur kan dit verschijnsel zich voordoen, en bovendien is de vervreemding maar tijdelijk. Om deze reden werd voor de formalisten de inhoud toch weer belangrijker en kwamen ze tot de conclusie, dat het literaire van teksten hetgeen is wat met tijdens de Romantiek ook al zei: literatuur verwijst vooral naar zichzelf.

Een voorloper van het Structuralisme, Joeri Tynjanov, bedacht dat verschillende kleine en losse elementen van de literatuur eerst apart geanalyseerd moesten worden, zowel synchroon als diachroon (zie hiervoor ook antwoord 3), alsvorens literaire stromingen met elkaar te vergelijken.
In 195o is het de Praagse structuralist Roman Jacobson, die zegt dat literatuur literatuur is door equivalentie, herhaling, oppositie, syntaxis en de combinaties en selecties die gemaakt worden tijdens het schrijven van de teksten. Volgens Mukařovský, ook een Praagse structuralist, is de functie van poëtische taal om uitdrukkingen systematisch naar de voorgrond te schuiven. De uitdrukkingen staan daardoor in tegenstelling tot de inhoud. Maar, paradoxaal genoeg, de aandacht voor taaltekens gaat dan weer gepaard met een verscherpte aandacht voor die inhoud. Zijn Tsjechische leerling Vodička formuleerde drie taakgebieden voor literatuurgeschiedschrijving:
  • 1. Een objectieve analyse maken van de literaire structuur om de tendens van literaire ontwikkelingen weer te geven.
  • 2. Onderzoek doen naar de ontstaansgeschiedenis van literaire werken en de beïnvloedingen die daarbij een onderdeel waren.
  • 3. Onderzoek de relaties tussen het literaire werk en de werkelijkheid (maar de werkelijkheid verschilt wel van lezer tot lezer).
Vodička heeft zijn theorieën in praktijk gebracht door gedeelten uit de Tsjechische literatuur historisch te beschrijven. In Duitsland schreef Jauss in 1967 eenzelfde theorie en ook hij heeft deze in praktijk gebracht, maar dan bij Duitse literatuur.

Sinds de jaren ’50 en ’60 gaan er stemmen op die pleiten om literatuur in zijn fundamentele eenheid en nationaal te bestuderen, maar wel in hun context. Het vervreemdende effect van literatuur zit ‘m namelijk in het contrast binnen de literatuur zelf. En de ontwikkeling van de literatuur komt dan ook doordat het vervreemdende effect niet meer vervreemdend is, waardoor er naar andere manieren voor ditzelfde efffect wordt gezocht, en er zo nieuwe stromingen gevormd worden.

Halverwege de jaren ’60 en in de jaren ’70 is het deconstructivistisch denken aan de beurt. Dat zegt dat je alles (dus niet alleen literatuur) moet vergelijken met literatuur, want niets zou een speciale status hebben, om erachter te komen wat het ‘literaire’ is. In de jaren ’80 vormt zich dan weer een nieuwe groepering. Hun gedachtengoed is gebaseerd op het deconstructivisme, maar daarin zijn ook de kritieken op deze stroming versmolten, waardoor het onderzoeksveld nog uitgebreider werd.

Tot slot kunnen we Derrida nog behandelen. Zijn gedachtengoed valt onder een combinatie van deconstructivisme en postmodernisme. Volgens hem zou je de wetten voor literatuur uit de literatuur zelf kunnen halen. Maar bij het werkelijke ‘literaire’ kunnen we niet komen. We kunnen namelijk niet achter de woorden van de tekst komen. Literatuur is volgens hem paradoxaal, het is leesbaar en niet leesbaar, universeel en uniek, een algemene wet maar toch voor iedereen anders. Hij geeft vier toetsingsmogelijkheden die de meeste mensen volgens hem gebruiken om te bepalen of een tekst literatuur is:
  • 1. een literaire tekst heeft een eigen identiteit;
  • 2. er zit een auteur achter de literaire tekst;
  • 3. een literaire tekst bevat gebeurtenissen;
  • 4. een literaire tekst heeft een titel.

B

Onduidelijkheid over de vraag: bedoelt u het verschil tussen schilderkunst en andere beeldende kunsten, en waarom schilderkunst boven de andere kunsten zou staan? Deze interpretatie heb ik niet uit de omschrijving van uw vraag 1B kunnen opmaken. Vandaar dat ik het onderstaande (mogelijkheid 1) als het juiste antwoord heb menen te moeten geven. Bij mogelijkheid 2 heb ik alsnog geprobeerd antwoord te geven op de vraag zoals u die bedoeld hebt.

B mogelijkheid 1
(Kun je in de schilderkunst ook het ‘literaire’ weergeven op eenzelfde manier?)
Bij kunst is al heel lang de vraag: wat is kunst? Dit is eenzelfde soort vraag als: wat is literatuur? Deze vragen zouden op eenzelfde manier bekeken kunnen worden. In de Romantiek werd literatuur gezien als een creatie en een spontane uitdrukking van emoties. Dit kan zeker ook gelden voor kunst. Maar schilderkunst is vaak niet autonoom, er zijn veel verwijzingen naar verhalen, andere afbeeldingen, enz. in de werken te vinden. Ook een schilder / kunstenaar kan zoeken naar harmonie binnen het werk. En ook kunst kan worden gekenmerkt door samenhang tussen vorm en inhoud. Ook de synthese van tegenstellingen is van toepassing in de kunst. Bovendien drukt schilderkunst regelmatig het onzegbare uit. Volgens het formalistische gedachtengoed moet kunst de mens de wereld waarin hij leeft op een nieuwe manier laten zien (door vervreemding). Om hieraan te voldoen moet de kunst steeds vernieuwend zijn. Deze gedachten kunnen zowel voor literatuur als voor schilderkunst gelden. En zelfs een syuzhet en fabula zijn te onderscheiden bij een schilderij.

Maar ook het structuralistisch denken zou op de kunst toegepast kunnen worden. Het maken van een ‘objectieve’ analyse door het onderzoeken van losse elementen, alsvorens het grotere geheel te bekijken, is bij de schilderkunst mogelijk. Ook de ontstaansgeschiedenis, beïnvloeding en relaties met de werklijkheid zijn te onderzoeken. Dus al de vormen om literatuur te bekijken en te definiëren zijn ook mogelijk voor schilderkunst. Dit komt doordat de schilderijen van hun narratieve kant bekeken kunnen worden, zowel als vanuit de maker of kijker. Op die manier zou er misschien een idee kunnen ontstaan van hoe het literaire in de schilderkunst, de kunst in de kunst dus, te omschrijven is.

B mogelijkheid 2
Ik tracht nu het door u bedoelde antwoord te geven. Naar mijn mening is het erg moeilijk om aan te geven waarom schilderkunst ‘literairder’ zou zijn dan andere beeldende kunsten. Ik denk dat in elke vorm van beeldende kunst het literaire te onderscheiden is. Dat één bepaalde kunstvorm literair is en de andere niet, is denk ik niet het geval. Elke vorm van kunst heeft zijn eigen literaire en niet literaire werken. En zo is het in feite in de schrijfkunst ook, men kan niet zeggen dat alle schrijfkunst literair is, en andere kunsten niet; binnen de schrijfkunst bestaat zowel literair als niet literair. Alleen bij beeldende kunst gebruiken we niet het woord ‘literair’. Dit zouden we kunnen vervangen door het woord ‘kunst’.
© 2007 - 2009 Marileen, gepubliceerd in Examen (Educatie en School) op 15-02-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Marileen is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Examenvraag 1 literatuurwetenschap in de 20e eeuw"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.